Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 264 / Jer. 41-43, Ps. 35

Bijbeltekst(en)

1In de zevende maand kwam Jismaël, de zoon van Netanja, de zoon van Elisama, een hoge ambtenaar die tot de koninklijke familie behoorde, samen met tien mannen naar Mispa om Gedalja te bezoeken, de zoon van Achikam, de zoon van Safan. Terwijl ze een maaltijd hielden, 2sprongen Jismaël en de tien mannen op en vermoordden Gedalja, de man die door de koning van Babylonië als gouverneur was aangesteld. 3Jismaël liet ook de Judeeërs die bij Gedalja in Mispa waren en de daar gelegerde Chaldeeën vermoorden.

4De dag na de moord op Gedalja – niemand wist er nog van – 5kwamen er tachtig mannen uit Sichem, Silo en Samaria met afgeschoren baard en gescheurde kleren. Ze hadden hun lichaam gekerfd en hadden graanoffers en wierook bij zich om die naar de tempel van de HEER te brengen. 6Jismaël, de zoon van Netanja, kwam hun vanuit Mispa huilend tegemoet. Bij hen aangekomen zei hij: ‘Gedalja, de zoon van Achikam, heet u welkom.’ 7Maar zodra ze in de stad waren, slachtten Jismaël en zijn mannen hen af. Hun lijken gooiden ze in een waterkelder. 8Tien van hen zeiden: ‘Dood ons niet, wij hebben voorraden in het veld verborgen: tarwe, gerst, olijfolie en vruchtenstroop.’ Deze tien liet Jismaël ongemoeid, zodat ze niet net als de anderen werden vermoord. 9Jismaël had de lijken van zijn slachtoffers in een grote waterkelder gegooid. Het was de kelder die koning Asa had laten uithakken toen er oorlog met koning Basa van Israël dreigde. Die werd helemaal gevuld met lijken. 10Jismaël voerde de rest van de bevolking als gevangenen weg uit Mispa: de koningsdochters en de mensen die nog in Mispa overgebleven waren en over wie Gedalja, de zoon van Achikam, als gouverneur was aangesteld door Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht. Hij wilde met hen de Jordaan oversteken en naar Ammon gaan.

11Toen Jochanan, de zoon van Kareach, en de andere bevelhebbers van het leger hoorden welke misdaad Jismaël, de zoon van Netanja, had begaan, 12gingen ze hem met hun soldaten achterna. Ze haalden hem in bij het grote waterbekken van Gibeon. 13-14De mensen die door Jismaël uit Mispa als gevangenen waren meegevoerd, waren opgetogen toen ze hen zagen aankomen. Ze maakten rechtsomkeert en renden Jochanan tegemoet. 15Maar Jismaël wist samen met acht mannen aan Jochanan te ontkomen en vluchtte naar Ammon. 16Jochanan en de andere bevelhebbers namen de mensen die ze uit de handen van Jismaël bevrijd hadden onder hun hoede, alle mensen die na de moord op Gedalja, de zoon van Achikam, uit Mispa waren weggevoerd. Ze gingen met de soldaten, de andere mannen, de vrouwen, kinderen en hovelingen die ze bij Gibeon hadden bevrijd, 17naar Gerut-Kimham, vlak bij Betlehem. Daar bleven ze korte tijd. Het was hun bedoeling naar Egypte te gaan. 18Ze vreesden de Chaldeeën omdat Gedalja, de zoon van Achikam, die door de koning van Babylonië als gouverneur was aangesteld, door Jismaël, de zoon van Netanja, was vermoord.

Vlucht van de Judeeërs naar Egypte

1De bevelhebbers van het leger, onder wie Jochanan, de zoon van Kareach, en Jezanja, de zoon van Hosaäja, kwamen met de andere Judeeërs, van jong tot oud, naar de profeet Jeremia 2en zeiden tegen hem: ‘Wij smeken u om voor ons, overlevenden, tot de HEER, uw God, te bidden, want zoals u ziet zijn er van ons grote aantal maar weinigen overgebleven. 3Laat de HEER, uw God, ons de weg wijzen en zeggen wat ons te doen staat.’ 4De profeet Jeremia antwoordde: ‘Goed, ik zal doen wat u vraagt en tot de HEER, uw God, bidden. En ik zal u alles zeggen wat de HEER u antwoordt, ik zal niets achterhouden.’ 5Hierop zeiden zij: ‘Moge de HEER zich als een betrouwbare getuige tegen ons keren wanneer wij niet alles doen wat de HEER, uw God, ons bij monde van u opdraagt. 6Of zijn woorden ons nu wel of niet goed uitkomen, we zullen de HEER, onze God, tot wie u zich namens ons wendt, gehoorzaam zijn. Als wij naar Hem luisteren, zal het ons goed gaan.’

7Tien dagen later richtte de HEER zich tot Jeremia, 8waarna deze Jochanan, de zoon van Kareach, de andere bevelhebbers en de overige Judeeërs, van jong tot oud, bij zich riep. 9Hij zei: ‘Op uw verzoek heb ik tot de HEER gebeden. Dit zegt de HEER, de God van Israël: 10Als jullie in dit land blijven, zal Ik jullie opbouwen en niet afbreken, zal Ik jullie planten en niet uitrukken, want Ik betreur het onheil waarmee Ik jullie getroffen heb. 11Wees niet bang voor de door jullie zo gevreesde koning van Babylonië, wees niet bang – spreekt de HEER –, want Ik zal jullie terzijde staan en je uit zijn greep bevrijden. 12Ik maak dat hij jullie gunstig gezind is; hij zal genade voor recht laten gelden en jullie laten terugkeren naar je eigen grond. 13Maar als jullie zeggen: “Wij blijven niet in dit land,” als jullie de HEER, jullie God, niet gehoorzamen, 14maar zeggen: “Wij gaan toch naar Egypte, waar wij geen oorlog zullen meemaken, geen hoornsignalen zullen horen, geen honger zullen lijden; daar gaan wij wonen,” 15luister dan naar de woorden van de HEER, overlevenden van Juda! Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Als jullie volharden in je voornemen naar Egypte uit te wijken, 16dan zal het zwaard dat jullie vrezen je in Egypte achterhalen, zal de honger waar jullie zo bang voor zijn je tot in Egypte volgen en zullen jullie daar sterven. 17Iedereen die bij zijn voornemen blijft om naar Egypte uit te wijken, zal sterven door het zwaard, de honger en de pest. Niemand zal het onheil waarmee Ik hen tref overleven of het kunnen ontvluchten. 18Want dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Zoals Ik mijn grote woede heb uitgestort over de inwoners van Jeruzalem, zo zal Ik mijn woede over jullie uitstorten zodra jullie in Egypte aankomen. Jullie naam zal als een vloek worden gebruikt, jullie zullen worden bespot en afschuw wekken, en jullie zullen dit land niet terugzien.’ 19En Jeremia vervolgde: ‘De HEER heeft tot u gesproken, overlevenden van Juda. Ga niet naar Egypte! Besef goed dat ik u nu waarschuw. 20U vergist u, en zet daarmee uw leven op het spel. Want u hebt mij eerst gevraagd: “Bid voor ons tot de HEER, onze God. Vertel ons alles wat Hij zegt, en wij zullen het doen.” 21Maar nu ik u dat verteld heb, luistert u niet naar de woorden waarmee de HEER, uw God, mij naar u gezonden heeft. 22Besef daarom goed dat u in het land waarheen u wilt uitwijken, zult sterven door het zwaard, de honger en de pest.’

1Nauwelijks had Jeremia deze woorden waarmee hij door de HEER, hun God, naar hen gezonden was, gesproken 2of Azarja, de zoon van Hosaäja, Jochanan, de zoon van Kareach, en de andere eigengereide Judeeërs zeiden tegen hem: ‘U liegt. De HEER, onze God, heeft u niet gezonden met de boodschap niet naar Egypte uit te wijken. 3Baruch, de zoon van Neria, stookt u tegen ons op, zodat hij ons aan de Chaldeeën kan uitleveren. En die zullen ons doden of als ballingen naar Babylonië voeren.’

4Jochanan, de andere bevelhebbers en de overige Judeeërs sloegen het bevel van de HEER om in Juda te blijven in de wind. 5Zij gingen op weg, met de overlevenden van Juda, met de ballingen die uit alle landen waarheen ze verdreven waren, teruggekeerd waren om in Juda te gaan wonen, 6en verder met alle mannen, vrouwen, kinderen en de koningsdochters, kortom iedereen die door Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, bij Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, was achtergelaten. En bovendien namen ze de profeet Jeremia en Baruch, de zoon van Neria, mee. 7Ze waren de HEER niet gehoorzaam. Ze gingen naar Egypte en kwamen aan in Dafne.

8In Dafne richtte de HEER zich tot Jeremia: 9‘Pak een aantal flinke stenen en verberg die in aanwezigheid van enkele Judeeërs in de leem van het plaveisel bij de ingang van het paleis van de farao. 10Zeg tegen de Judeeërs: Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik laat mijn dienaar, koning Nebukadnessar van Babylonië, hierheen komen. Ik zal zijn troon boven op deze stenen zetten – die jij verborgen hebt – en hij zal zijn staatsietapijt erover uitspreiden. 11Hij zal komen om Egypte te treffen. Wie bestemd zijn voor de pest, zullen lijden aan de pest, wie bestemd zijn voor de ballingschap, gaan in ballingschap, wie bestemd zijn voor het zwaard, worden door het zwaard getroffen. 12Hij zal in Egypte de tempels in brand steken en de godenbeelden wegvoeren; zo zal hij heel Egypte ontluizen zoals een herder zijn mantel, en hij zal ongedeerd vertrekken. 13De gewijde stenen van de Egyptische zonnetempel zal hij verbrijzelen en de tempels van de andere goden in vlammen doen opgaan.’

Jeremia 41-43NBV21Open in de Bijbel

1Van David.

Bestrijd, HEER, wie mij bestrijden,

vecht tegen wie mij bevechten,

2wapen u, grijp het schild,

sta op om mij te helpen!

3Zwaai met uw speer en strijdbijl

en werp ze naar mijn achtervolgers.

Zeg tegen mij:

‘Ik ben het die je redt.’

4Dat beschaamd en vernederd worden

wie mij naar het leven staan,

dat eerloos terugdeinzen

wie mij kwaad willen doen.

5Laat hen verwaaien als kaf in de wind

wanneer de engel van de HEER hen opjaagt,

6laat hun weg donker en glad zijn

wanneer de engel van de HEER hen vervolgt.

7Zonder reden hebben ze een net gespannen,

zonder reden een kuil voor mij gegraven.

8Laat hen ten onder gaan voor zij het weten,

verstrikt raken in hun eigen netten

en zelf de ondergang tegemoet gaan.

9Dan zal ik juichen om de HEER,

mij verheugen over de redding die Hij brengt.

10Uit de grond van mijn hart zal ik zeggen:

HEER, wie is aan U gelijk?

U bevrijdt de zwakken van hun onderdrukkers,

de zwakken en de armen van hun uitbuiters.’

11Valse getuigen keren zich tegen mij,

ze beschuldigen mij van zaken

waarvan ik geen weet heb.

12Ze vergelden goed met kwaad,

ik voel mij van ieder verlaten.

13Waren zij ziek, ik trok een boetekleed aan,

en bleef mijn gebed onverhoord,

ik pijnigde mij door te vasten.

14Ik liep rond als waren zij vrienden, broers,

ik ging in het zwart gehuld en liep gebogen

als iemand die rouwt om zijn moeder.

15Maar toen ik dreigde te vallen, verheugden zij zich,

ze liepen te hoop en sloegen me onverwachts neer,

ze wilden me met huid en haar verscheuren,

16die bende goddeloze spotters

met een grijns op hun gezicht.

17Heer, hoe lang nog blijft U toezien?

Behoed mij voor hun moordlust,

red mijn kostbaar leven van die leeuwen.

18Dan zal ik U prijzen in de gemeenschap,

U loven waar heel uw volk bijeen is.

19Gun mijn vijanden, die valsaards, geen leedvermaak,

mijn redeloze haters geen blik van triomf,

20want het woord vrede kennen zij niet,

en tegen de weerlozen in het land

smeden zij bedrieglijke plannen.

21Ze roepen spottend,

hun mond wijd open:

‘Zie hém daar!’

22U hebt het gezien, HEER, zwijg dan niet,

mijn Heer, houd u niet ver van mij.

23Verhef u, ontwaak, mijn God en mijn Heer,

verdedig mij, vecht voor mijn zaak.

24Doe mij recht, HEER, mijn God,

U bent rechtvaardig,

sta niet toe dat ze zich om mij vermaken,

25laat hen niet kunnen denken:

Dit is wat we wilden.

Laat hen niet kunnen zeggen:

‘We hebben hem verslonden.’

26Dat beschaamd staan en vernederd

wie zich verheugen op mijn ondergang.

Dat met schaamte en schande bedekt worden

wie zich boven mij verheffen.

27Dat van vreugde juichen

wie willen dat mij recht wordt gedaan.

Laat hen gedurig mogen zeggen:

‘Groot is de HEER,

vrede wil Hij voor zijn dienaar.’

28Van uw gerechtigheid zal ik spreken,

van uw roem wil ik zingen, dag aan dag.

Psalmen 35NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.16
Volg ons