Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 26 / Mat. 27-28, Ps. 22

Bijbeltekst(en)

Jezus voor Pilatus

1De volgende ochtend vroeg namen alle hogepriesters met de oudsten van het volk het besluit Jezus ter dood te brengen. 2Nadat ze Hem geboeid hadden, leidden ze Hem weg en leverden Hem over aan Pilatus, de gouverneur. 3Toen Judas, die Hem had uitgeleverd, zag dat Jezus ter dood veroordeeld was, kreeg hij berouw. Hij bracht de dertig zilverstukken naar de hogepriesters en oudsten terug 4en zei: ‘Ik heb een zonde begaan door een onschuldige uit te leveren.’ Maar zij zeiden: ‘Wat gaat ons dat aan? Zie dat zelf maar op te lossen!’ 5Toen smeet hij de zilverstukken de tempel in, vluchtte weg en verhing zich. 6De hogepriesters verzamelden de zilverstukken en zeiden tegen elkaar: ‘We mogen ze niet bij de tempelschat voegen, aangezien het bloedgeld is.’ 7Ze besloten er de akker van de pottenbakker mee te kopen, die dan als begraafplaats voor vreemdelingen kon dienen. 8Daarom heet die akker tot op de dag van vandaag de Bloedakker. 9Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jeremia: ‘En ze verzamelden de dertig zilverstukken, het bedrag waarop Hij geschat was en dat ze hadden bepaald met de kinderen van Israël, 10en ze betaalden er de akker van de pottenbakker mee, zoals de Heer mij had opgedragen.’

11Toen Jezus voor de gouverneur stond, stelde deze Hem de vraag: ‘Bent U de koning van de Joden?’ Jezus zei: ‘U zegt het.’ 12Maar op de beschuldigingen die de hogepriesters en oudsten tegen Hem inbrachten, antwoordde Hij niet één keer. 13Daarop zei Pilatus tegen Hem: ‘Hoort U niet wat deze getuigen allemaal tegen U inbrengen?’ 14Hij gaf op geen enkele beschuldiging enig weerwoord, wat de gouverneur zeer verwonderde.

15Nu had de gouverneur de gewoonte om op het pesachfeest één gevangene vrij te laten, en die door het volk te laten kiezen. 16Er zat toen een beruchte gevangene vast, die Jezus Barabbas genoemd werd. 17En dus vroeg Pilatus hun, toen ze daar waren samengestroomd: ‘Wie wilt u dat ik vrijlaat, Jezus Barabbas of Jezus die de messias wordt genoemd?’ 18Hij wist namelijk dat ze Hem uit afgunst hadden uitgeleverd. 19Terwijl hij op de rechterstoel zat, werd hem een boodschap van zijn vrouw gebracht: ‘Laat je niet in met die rechtvaardige! Om Hem heb ik namelijk vannacht in een droom veel moeten lijden.’ 20Ondertussen haalden de hogepriesters en de oudsten het volk over: ze moesten om Barabbas vragen, en Jezus laten doden. 21Weer nam de gouverneur het woord en hij vroeg opnieuw: ‘Wie van de twee wilt u dat ik vrijlaat?’ ‘Barabbas!’ riepen ze. 22Pilatus vroeg hun: ‘Wat moet ik dan doen met Jezus die de messias wordt genoemd?’ Allen antwoordden: ‘Aan het kruis met Hem!’ 23Hij vroeg: ‘Wat heeft Hij dan misdaan?’ Maar ze schreeuwden alleen maar harder: ‘Aan het kruis met Hem!’ 24Toen Pilatus inzag dat hij niets bereikte, maar dat er zelfs een opstand dreigde uit te breken, liet hij water brengen, waste ten overstaan van de menigte zijn handen en zei: ‘Ik ben onschuldig aan de dood van deze man. Zie het zelf maar op te lossen.’ 25En heel het volk antwoordde: ‘Laat zijn bloed ons maar worden aangerekend, en onze kinderen!’ 26Daarop liet Pilatus Barabbas vrij, maar Jezus leverde hij uit om gekruisigd te worden, nadat hij Hem eerst nog had laten geselen.

Kruisiging

27De soldaten van de gouverneur namen Jezus mee naar het pretorium en verzamelden de hele cohort om Hem heen. 28Ze kleedden Hem uit en deden Hem een scharlakenrode mantel om, 29vlochten een kroon van doorntakken en zetten die op zijn hoofd. Ze gaven Hem een rietstok in zijn rechterhand en vielen voor Hem op de knieën. Spottend zeiden ze: ‘Gegroet, koning van de Joden,’ 30en ze spuwden op Hem, pakten Hem de rietstok weer af en sloegen Hem op het hoofd. 31Nadat ze Hem zo hadden bespot, trokken ze Hem de mantel uit, deden Hem zijn kleren weer aan en leidden Hem weg om Hem te kruisigen.

32Bij het verlaten van het pretorium troffen ze een man uit Cyrene die Simon heette, en hem dwongen ze het kruis te dragen. 33Zo kwamen ze bij de plek die Golgota genoemd werd, wat ‘schedelplaats’ betekent. 34Ze gaven Jezus met gal vermengde wijn, maar toen Hij die geproefd had, weigerde Hij ervan te drinken. 35Nadat ze Hem gekruisigd hadden, verdeelden ze zijn kleren onder elkaar door erom te dobbelen, 36en ze bleven daar zitten om Hem te bewaken. 37Boven zijn hoofd bevestigden ze de aanklacht, die luidde: ‘Dit is Jezus, de koning van de Joden’. 38Daarna werden er naast Hem twee misdadigers gekruisigd, de een rechts van Hem, de ander links. 39De voorbijgangers keken hoofdschuddend toe en dreven de spot met Hem: 40‘Jij was toch de man die de tempel kon afbreken en in drie dagen weer opbouwen? Als Je de Zoon van God bent, red jezelf dan en kom van dat kruis af!’ 41Ook de hogepriesters, de schriftgeleerden en de oudsten maakten zulke spottende opmerkingen: 42‘Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf redden kan Hij niet. Hij is toch koning van Israël? Laat Hij dan nu van het kruis afkomen, dan zullen we in Hem geloven. 43Hij heeft zijn vertrouwen in God gesteld, laat die Hem nu dan redden, als Hij Hem tenminste goedgezind is. Hij heeft immers gezegd: “Ik ben de Zoon van God.”’ 44Precies zo beschimpten Hem de misdadigers die samen met Hem gekruisigd waren.

45Rond het middaguur viel er duisternis over het hele land, die drie uur aanhield. 46Aan het einde daarvan, in het negende uur, riep Jezus met luide stem: ‘Eli, Eli, lema sabachtani?’ Dat betekent: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?’ 47Toen de omstanders dat hoorden, zeiden enkelen van hen: ‘Hij roept om Elia!’ 48Meteen kwam er uit hun midden iemand toegesneld die een spons pakte en in water met azijn doopte. Hij stak de spons op een stok en probeerde Hem te laten drinken. 49De anderen zeiden: ‘Laten we nu maar eens zien of Elia Hem komt redden.’ 50Jezus riep opnieuw, luidkeels, en gaf de geest.

51Op dat moment scheurde in de tempel het voorhangsel van boven tot onder in tweeën, en de aarde beefde en de rotsen spleten. 52De graven werden geopend en de lichamen van veel gestorven heiligen werden tot leven gewekt; 53na Jezus’ opstanding kwamen ze uit de graven, gingen de heilige stad binnen en verschenen aan een groot aantal mensen.

54Toen de centurio en degenen die met hem Jezus bewaakten de aardbeving voelden en merkten wat er gebeurde, werden ze door een hevige angst overvallen en zeiden: ‘Hij was werkelijk Gods Zoon.’

55Vele vrouwen, die Jezus vanuit Galilea gevolgd waren om Hem te dienen, stonden van een afstand toe te kijken. 56Onder hen bevonden zich Maria van Magdala, Maria, de moeder van Jakobus en Josef, en de moeder van de zonen van Zebedeüs.

Het graf

57Toen de avond gevallen was, arriveerde er een rijke man die uit Arimatea afkomstig was. Hij heette Josef en was ook een leerling van Jezus geworden. 58Hij meldde zich bij Pilatus en vroeg hem om het lichaam van Jezus. Hierop gaf Pilatus bevel het aan hem af te staan. 59Josef nam het lichaam mee, wikkelde het in zuiver linnen 60en legde het in het nieuwe rotsgraf dat hij voor zichzelf had laten uithouwen. Daarna rolde hij een grote steen voor de ingang van het graf en vertrok. 61Maria van Magdala en de andere Maria gingen tegenover het graf zitten en bleven daar achter.

62De volgende dag, dus na de voorbereidingsdag, gingen de hogepriesters en de farizeeën samen naar Pilatus. 63Ze zeiden tegen hem: ‘Heer, het schoot ons te binnen dat die bedrieger, toen Hij nog leefde, gezegd heeft: “Na drie dagen zal Ik uit de dood worden opgewekt.” 64Geeft u alstublieft bevel om het graf tot de derde dag te bewaken, anders komen zijn leerlingen Hem heimelijk weghalen en zullen ze tegen het volk zeggen: “Hij is opgewekt uit de dood,” en die laatste leugen zal nog erger zijn dan de eerste.’ 65Pilatus antwoordde: ‘U kunt bewaking krijgen. Ga nu en regel het zo goed als u kunt.’ 66Ze gingen naar het graf en beveiligden het door het te verzegelen en er bewakers voor te zetten.

Opstanding uit de dood

1Na de sabbat, bij het ochtendgloren van de eerste dag van de week, kwam Maria van Magdala met de andere Maria naar het graf kijken. 2Plotseling begon de aarde hevig te beven, want een engel van de Heer daalde af uit de hemel, liep naar het graf, rolde de steen weg en ging erop zitten. 3Hij lichtte als een bliksem en zijn kleding was wit als sneeuw. 4De bewakers beefden van angst en vielen als dood neer. 5De engel richtte zich tot de vrouwen en zei: ‘Wees niet bang, ik weet dat jullie Jezus, de gekruisigde, zoeken. 6Hij is niet hier, Hij is immers uit de dood opgewekt, zoals Hij gezegd heeft. Kijk, dit is de plaats waar Hij gelegen heeft. 7En ga nu snel naar zijn leerlingen en zeg hun: “Hij is opgewekt uit de dood, en dit moeten jullie weten: Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zul je Hem zien.” Onthoud dat ik jullie dit gezegd heb.’

8Ontzet en opgetogen verlieten ze het graf; ze haastten zich om het aan zijn leerlingen te vertellen. 9Op dat moment kwam Jezus hun tegemoet en groette hen. Ze liepen op Hem toe, grepen zijn voeten vast en aanbaden Hem. 10Daarop zei Jezus: ‘Wees niet bang. Ga mijn broeders vertellen dat ze naar Galilea moeten gaan, daar zullen ze Mij zien.’

11Terwijl de vrouwen onderweg waren, gingen enkele van de bewakers naar de stad. Daar vertelden ze de hogepriesters alles wat er gebeurd was. 12Die kwamen bijeen met de oudsten en ze besloten de soldaten een flinke som geld te geven 13en hun op te dragen: ‘Zeg maar: “Zijn leerlingen zijn ’s nachts gekomen en hebben Hem heimelijk weggehaald terwijl wij sliepen.” 14En mocht dit de gouverneur ter ore komen, dan zullen wij hem wel bepraten en ervoor zorgen dat jullie buiten schot blijven.’ 15Ze namen het geld aan en deden zoals hun was opgedragen. En tot op de dag van vandaag doet dit verhaal onder de Joden de ronde.

Uitzending van de leerlingen

16De elf leerlingen gingen naar Galilea, naar de berg die Jezus hun had genoemd, 17en toen ze Hem zagen wierpen ze zich in aanbidding voor Hem neer, al twijfelden sommigen. 18Jezus kwam dichterbij en zei tegen hen: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. 19Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, 20en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat Ik jullie opgedragen heb. En houd dit voor ogen: Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.’

Matteüs 27-28NBV21Open in de Bijbel

1Voor de koorleider. Op de wijs van De hinde van de dageraad. Een psalm van David.

2Mijn God, mijn God,

waarom hebt U mij verlaten?

U blijft ver weg en redt mij niet,

ook al schreeuw ik het uit.

3‘Mijn God!’ roep ik

overdag, en U antwoordt niet,

’s nachts, en ik vind geen rust.

4U bent de Heilige,

die op Israëls lofzangen troont.

5Op U hebben onze voorouders vertrouwd;

zij hebben vertrouwd en U verloste hen,

6tot U geroepen en zij ontkwamen,

op U vertrouwd en zij werden niet beschaamd.

7Maar ik ben een worm en geen mens,

door iedereen versmaad, bij het volk veracht.

8Allen die mij zien, bespotten mij,

ze schudden meewarig het hoofd:

9‘Wend je tot de HEER! Laat Hij je verlossen,

laat Hij je bevrijden, Hij houdt toch van je?’

10U hebt mij uit de buik van mijn moeder gehaald,

mij aan haar borsten toevertrouwd,

11bij mijn geboorte vingen uw handen mij op,

van de moederschoot af bent U mijn God.

12Blijf dan niet ver van mij,

want de nood is nabij

en er is niemand die helpt.

13Een troep stieren staat om mij heen,

buffels van Basan omsingelen mij,

14roofzuchtige, brullende leeuwen

sperren hun muil naar mij open.

15Als water ben ik uitgegoten,

mijn gebeente valt uiteen,

mijn hart is als was,

het smelt in mijn lijf.

16Mijn kracht is droog als een potscherf,

mijn tong kleeft aan mijn gehemelte,

U legt mij neer in het stof van de dood.

17Honden staan om mij heen,

een woeste bende sluit mij in,

zij hebben mijn handen en voeten gebonden.

18Ik kan mijn beenderen tellen.

Zij kijken vol leedvermaak toe,

19verdelen mijn kleren onder elkaar,

werpen het lot om mijn gewaad.

20HEER, houd u niet ver van mij,

mijn sterkte, snel mij te hulp.

21Bevrijd mijn ziel van het zwaard,

mijn leven uit de greep van die honden.

22Red mij uit de muil van de leeuw,

behoed mij voor de hoorns van de wilde stier.

U geeft mij antwoord.

23Ik zal uw naam bekendmaken,

U loven in de kring van mijn volk.

24Loof Hem, jullie die de HEER vrezen,

breng Hem eer, kinderen van Jakob,

wees beducht voor Hem, volk van Israël.

25Hij veracht de zwakke niet,

verafschuwt niet wie wordt vernederd,

Hij wendt zijn blik niet van hem af,

maar hoort zijn hulpgeroep.

26Daarom klinkt mijn lofzang in de kring van het volk,

mijn geloften los ik in bij wie Hem vrezen.

27De vernederden zullen eten en worden verzadigd.

Zij die Hem zoeken, brengen lof aan de HEER.

Voor altijd mogen jullie leven!

28Overal, tot aan de einden der aarde,

zal men de HEER gedenken en zich tot Hem wenden.

Voor U zullen zich buigen

alle stammen en volken.

29Want het koningschap is aan de HEER,

Hij heerst over de volken.

30Wie op aarde in overvloed leven,

zullen aanzitten en zich voor Hem buigen.

Alle stervelingen zullen voor Hem knielen,

allen die neerdalen in het graf.

31Een nieuw geslacht zal Hem dienen

en aan de kinderen vertellen van de Heer;

32aan het volk dat nog geboren moet worden

zal het verhalen van zijn gerechtigheid,

om wat Hij heeft gedaan.

Psalmen 22NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.16
Volg ons