Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 240 / Jes. 50-52, Ps. 148

Bijbeltekst(en)

1Dit zegt de HEER:

Waar is de scheidingsbrief

waarmee Ik jullie moeder heb weggestuurd?

Of waar is de schuldeiser

aan wie Ik jullie heb verkocht?

Nee, vanwege jullie zonden zijn jullie verkocht,

vanwege je wandaden is je moeder weggestuurd.

2Waarom was er niemand toen Ik kwam?

Waarom antwoordde niemand toen Ik riep?

Zou mijn arm te kort zijn om te bevrijden?

Ontbreekt het Mij aan kracht om te redden?

Alleen al door te dreigen laat Ik de zee droogvallen

en vorm Ik rivieren om tot woestijn,

waarin de vis stinkt door gebrek aan water

en van dorst sterft.

3Ik kan de hemel in duisternis hullen

en hem bekleden met een rouwgewaad.

Vertrouwen op de HEER die helpt

4God, de HEER, schoolde mijn tong als die van een leerling,

zodat ik de moedeloze kan opbeuren.

Elke ochtend wekt Hij mijn oor,

rust mij toe om als leerling te luisteren.

5God, de HEER, heeft mijn oren geopend

en ik heb geen verzet geboden,

ik ben niet teruggedeinsd.

6Ik heb mijn rug blootgesteld aan mijn folteraars,

wie mij de baard uittrokken, bood ik mijn wangen aan.

Ik heb mijn gezicht niet verborgen

toen ze mij beschimpten en bespuwden.

7God, de HEER, zal mij helpen,

daarom word ik niet gekwetst

en is mijn gezicht zo onbewogen als een rots,

want ik weet dat ik niet beschaamd zal staan.

8Hij die mij recht verschaft is nabij.

Wie durft tegen mij een geding aan te spannen?

Laten we samen voor het gerecht verschijnen.

Wie is mijn tegenstander in deze zaak?

Laat hij mij tegemoet treden.

9God, de HEER, zal mij helpen –

wie zal mij dan veroordelen?

Mijn belagers vallen uiteen als een kledingstuk,

als een gewaad dat ten prooi is aan de motten.

10Wie van jullie heeft ontzag voor de HEER?

Wie luistert naar de stem van zijn dienaar?

Hij die door de duisternis gaat

en geen licht meer ziet,

en die dan vertrouwt op de naam van de HEER

en vertrouwen stelt in zijn God.

11Maar jullie allen ontsteken vuur

en wapenen je met brandpijlen.

Ga door de gloed van dat vuur,

brand je aan je eigen pijlen!

Ik ben het die jullie dit laat overkomen,

in vreselijke pijn zul je bezwijken.

Troost voor het volk: Jeruzalem vrijgekocht

1Luister naar Mij,

jullie die gerechtigheid najagen,

jullie die de HEER zoeken.

Kijk naar de rots waaruit je gehouwen bent,

naar de diepe groeve waar je gedolven bent.

2Kijk naar Abraham, jullie vader,

naar Sara, die jullie heeft gebaard;

toen Ik hem riep was hij alleen,

maar Ik heb hem gezegend en talrijk gemaakt.

3De HEER troost Sion,

Hij biedt troost aan haar ruïnes.

Hij maakt haar woestenij aan Eden gelijk,

haar wildernis wordt als de tuin van de HEER.

Het zal een oord zijn van vreugde en gejuich,

waar muziek en lofzang klinken.

4-5Mijn volk, luister aandachtig naar Mij,

mijn natie, leen Mij je oor.

De wet vindt zijn oorsprong in Mij,

en mijn recht zal een licht zijn voor alle volken.

In een oogwenk breng Ik de zege nabij,

de redding is al onderweg;

Ik zal krachtig rechtspreken over de volken.

De eilanden hebben hun hoop op Mij gevestigd,

ze zien uit naar mijn krachtig optreden.

6Kijk omhoog naar de hemel,

kijk naar de aarde beneden:

al vervliegt de hemel als rook,

al valt de aarde uiteen als een oud gewaad

en sterven haar bewoners als muggen,

de redding die Ik breng, zal voor altijd blijven,

mijn gerechtigheid kent geen einde.

7Luister naar Mij,

jullie die mijn gerechtigheid kennen,

volk dat mijn wet in het hart draagt.

Wees niet bang voor de hoon van mensen,

stoor je niet aan hun spot.

8Want ze vergaan zoals een gewaad door motten,

zoals wol door mottenlarven.

Maar mijn gerechtigheid zal voor altijd blijven,

de redding die Ik breng, duurt van geslacht op geslacht.

9Ontwaak, ontwaak, arm van de HEER,

en bekleed u met kracht!

Ontwaak als in de dagen van weleer,

als in lang vervlogen tijden.

Was u het niet die Rahab vermorzelde,

die het monster doorboorde?

10Was u het niet die de zee drooglegde,

het water van de machtige oervloed,

en een weg baande op de bodem van de zee

waarover het verloste volk kon gaan?

11Wie door de HEER zijn bevrijd, keren terug.

Jubelend komen zij naar Sion,

gekroond met eeuwige vreugde.

Blijdschap en vreugde komen hun tegemoet,

gejammer en verdriet vluchten weg.

12Ik, Ik ben het die jullie troost.

Hoe kun je dan bang zijn voor een sterveling,

voor een mensenkind dat vergaat als gras?

13Hoe kun je de HEER vergeten,

die je gemaakt heeft,

die de hemel heeft uitgespannen

en de aarde gegrondvest?

Hoe kun je je zo laten beheersen door angst

voor de toorn van je belagers,

voor hun pogingen je te vernietigen?

Waar blijven die belagers met hun toorn?

14Weldra wordt de geketende bevrijd;

hij zal niet sterven, niet afdalen in het graf,

het zal hem aan niets ontbreken.

15Ik, de HEER, jullie God,

die de zee opzweep, zodat de golven bruisen,

wiens naam is HEER van de hemelse machten,

16Ik leg je mijn woorden in de mond

en bescherm je met de schaduw van mijn hand,

Ik die de hemel geplant heb

en de aarde gegrondvest,

die tegen Sion zeg: ‘Mijn volk ben jij.’

17Word wakker, word wakker,

Jeruzalem, sta op!

De HEER heeft je laten drinken

uit de beker van zijn toorn;

je hebt uit die kelk gedronken,

de beker die je zo heeft bedwelmd

tot de bodem leeggedronken.

18Er is niemand die je leidt,

geen van de kinderen die je hebt gebaard;

niemand die je bij de hand neemt,

geen van de kinderen die je hebt grootgebracht.

19Dubbel ongeluk heeft je getroffen:

verwoesting en rampspoed – wie zal je beklagen?

honger en geweld – wie zal je troosten?

20Je kinderen zijn bezweken;

als een antilope gevangen in een net,

zo liggen ze op elke straathoek,

overweldigd door de toorn van de HEER,

verlamd door de dreiging van je God.

21Daarom, luister hiernaar, ongelukkige,

jij die beschonken bent, maar niet door de wijn.

22Dit zegt je God, de HEER,

de God die het opneemt voor zijn volk:

Ik neem de bedwelmende beker uit je hand,

de kelk, de beker van mijn toorn,

je hoeft er niet meer uit te drinken.

23Ik geef hem aan hen die jou kwelden,

die je het bevel gaven:

‘Ga liggen, dan lopen we over je heen!’

En je maakte je rug als de grond,

een weg waarover men kon gaan.

1Ontwaak, ontwaak, Sion,

en bekleed je met je kracht!

Bekleed je met je pronkgewaad,

Jeruzalem, heilige stad.

Nooit meer zul je worden betreden

door wie onbesneden is, of onrein.

2Klop het stof van je af en sta op,

Jeruzalem, neem plaats op de troon.

De ketenen om je hals zijn losgemaakt,

gevangene, vrouwe Sion.

3Want dit zegt de HEER:

Voor niets zijn jullie verkocht,

zonder geld koop Ik jullie weer vrij.

4Dit zegt God, de HEER:

Eerst trok mijn volk naar Egypte

om daar als vreemdeling te leven,

later werd het door Assyrië onderdrukt.

5Wat win Ik daar nu bij? – spreekt de HEER.

Voor niets is mijn volk weggenomen,

hun leiders weeklagen – spreekt de HEER –,

dag in dag uit wordt mijn naam beschimpt.

6Daarom, op die dag,

zal mijn volk mijn naam kennen,

beseffen dat Ik het ben die zegt:

‘Hier ben Ik.’

7Hoe welkom is de vreugdebode

die over de bergen komt aangesneld,

die vrede aankondigt en goed nieuws brengt,

die redding aankondigt en tegen Sion zegt:

‘Je God is koning!’

8Hoor! Je wachters verheffen hun stem,

samen barsten ze uit in gejuich,

want ze zien het met eigen ogen:

de HEER keert terug naar Sion.

9Breek uit in gejubel,

ruïnes van Jeruzalem,

want de HEER troost zijn volk,

Hij koopt Jeruzalem vrij.

10De HEER ontbloot zijn heilige arm

ten overstaan van alle volken,

en de einden der aarde zien

hoe onze God redding brengt.

11Weg! Ga weg! Ga daar weg!

Raak niets aan dat onrein is.

Jullie die het heilige gerei van de HEER dragen,

ga daar weg en blijf rein.

12Maar jullie hoeven niet overhaast te gaan,

jullie vertrek is geen vlucht,

want de HEER gaat voor jullie uit,

de God van Israël vormt je achterhoede.

De lijdende dienaar van de HEER

13Ja, mijn dienaar zal slagen,

hij zal groots zijn en hoogverheven.

14Zoals hij velen deed huiveren

– zo mismaakt was hij, zo weinig menselijk zijn aanblik,

zijn uiterlijk had niets meer van een mens –,

15zo zal hij veel volken opschrikken,

en koningen zullen sprakeloos staan.

En zij aan wie niets was verteld, zullen zien,

zij die niets hadden gehoord, zullen begrijpen.

Jesaja 50-52NBV21Open in de Bijbel

1Halleluja!

Loof de HEER, bewoners van de hemel,

loof Hem daar in de hoogten.

2Loof Hem, herauten van de HEER,

loof Hem, hemelse legermacht.

3Loof Hem, zon en maan,

loof Hem, heldere sterren,

4loof Hem, hoogste hemelen

en wateren daarboven.

5Laten zij loven de naam van de HEER:

op zijn bevel zijn zij geschapen,

6Hij gaf hun een plaats voor eeuwig en altijd,

Hij stelde een wet die nooit voorbijgaat.

7Loof de HEER, bewoners van de aarde,

zeemonsters en oceanen,

8vuur en hagel, sneeuw en rook,

stormwind die doet wat Hij zegt.

9Loof de HEER, bergen en heuveltoppen,

hout dat vrucht draagt, ceders,

10dieren in het wild, vee in het veld,

alles wat kruipt en op vleugels gaat.

11Loof Hem, koningen der aarde en naties,

vorsten en leiders, overal ter wereld,

12jonge mannen en jonge vrouwen,

oud en jong tezamen.

13Laten zij loven de naam van de HEER,

alleen zijn naam is hoogverheven,

zijn luister gaat aarde en hemel te boven.

14Hij verhoogt het aanzien van zijn volk,

de roem van al wie Hem trouw zijn,

het volk van Israël, dat Hem nabij is.

Halleluja!

Psalmen 148NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.16
Volg ons