Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 227 / Jes. 19-21, Ps. 130

Bijbeltekst(en)

De val van Egypte en zijn herstel

1Profetie over Egypte.

Rijdend op een lichte wolk

spoedt de HEER zich naar Egypte.

De goden van Egypte zullen voor Hem beven,

Egyptes hart smelt in zijn binnenste.

2Ik zal de Egyptenaren tegen elkaar ophitsen:

ze raken onderling in gevecht,

man tegen man, vriend tegen vriend,

stad tegen stad, rijk tegen rijk.

3Egypte zal radeloos zijn,

Ik zal al zijn plannen verijdelen.

Dan wenden zij zich tot hun goden en tot schimmen,

ze raadplegen de geesten van de doden.

4Ik lever Egypte uit aan een harde meester,

meedogenloos zal hij over hen heersen

– spreekt God, de HEER van de hemelse machten.

5Het water van de zee zal verdampen,

de Nijl loopt leeg en valt droog.

6De rivierarmen beginnen te stinken,

de stromen van Egypte slinken en drogen op,

riet en biezen verwelken.

7De rietkraag langs oevers en monding verdort,

het akkerland aan de Nijl droogt uit;

alles verwaait, niets blijft ervan over.

8De vissers zullen zuchten en steunen;

ieder die in de Nijl zijn haken uitwerpt

of zijn netten uitgooit in het water, kwijnt weg.

9Wanhoop overvalt de vlasarbeiders,

kamsters en spinners trekken wit weg.

10De wevers worden radeloos,

de dagloners verliezen de moed.

11De vorsten van Soan tonen louter onverstand,

de wijste raadsheren van de farao geven dwaze raad.

Hoe kun je tegen de farao zeggen:

‘Een kind van wijzen ben ik,

een kind van de koningen van weleer’?

12Waar zijn ze dan, jouw wijzen?

Laten zij het je bekendmaken,

onthullen wat Hij over Egypte besloten heeft,

de HEER van de hemelse machten.

13De vorsten van Soan zijn verdwaasd,

de vorsten van Memfis laten zich bedriegen.

Zij die Egypte moesten leiden

brachten zijn stammen op een dwaalspoor.

14De HEER heeft hun geest in verwarring gebracht.

Zo komt Egypte ten val, wat het ook onderneemt,

als een dronkaard die in zijn eigen braaksel valt.

15Kop of staart, palmtak of riet,

in Egypte brengt niemand nog iets tot stand.

16Op die dag zullen de Egyptenaren op vrouwen lijken: ze sidderen van angst voor de dreigende hand die de HEER van de hemelse machten tegen hen opheft. 17Juda zal voor Egypte een schrikbeeld zijn. Telkens als Juda ter sprake komt, zal Egypte beven van angst voor het besluit dat de HEER van de hemelse machten over hen genomen heeft.

18Op die dag zullen er in Egypte vijf steden zijn waar men de taal van Kanaän spreekt en trouw zweert aan de HEER van de hemelse machten; een ervan zal Stad van de zon genoemd worden. 19Op die dag zal er midden in Egypte een altaar voor de HEER staan en aan de grens een aan Hem gewijde steen, 20die als teken zullen dienen om de HEER van de hemelse machten aan Egypte te herinneren. Wanneer de Egyptenaren de HEER aanroepen omdat ze onderdrukt worden, zal Hij hun een bevrijder sturen, die voor hen opkomt en hen zal bevrijden. 21Zo zal de HEER zich aan Egypte laten kennen. Op die dag zullen de Egyptenaren de HEER erkennen, Hem dienen met vredeoffers en graanoffers, Hem geloften doen en die inlossen. 22De HEER zal hen slaan en hen helen; zij zullen naar Hem terugkeren, Hij zal hun gebeden verhoren en hen genezen.

23Op die dag zal er een weg lopen van Egypte naar Assyrië. Dan zullen de Assyriërs naar Egypte komen en de Egyptenaren naar Assyrië, en samen zullen zij de HEER dienen. 24Op die dag zal Israël zich als derde bij Egypte en Assyrië voegen, tot zegen voor de hele wereld. 25Want de HEER van de hemelse machten zal hen zegenen met de woorden: ‘Gezegend is Egypte, mijn volk, en Assyrië, werk van mijn handen, en Israël, mijn eigen bezit.’

Profetie over Egypte en Nubië

1Koning Sargon van Assyrië stuurde een van zijn hoogwaardigheidsbekleders, de tartan, naar Asdod. Deze viel de stad aan en nam haar in. 2In datzelfde jaar sprak de HEER tot Jesaja, de zoon van Amos: ‘Leg het haren kleed dat je draagt af en trek je sandalen uit.’ Jesaja deed dit, en liep naakt en barrevoets rond.

3De HEER zei: ‘Zoals mijn dienaar Jesaja drie jaar lang naakt en barrevoets moet rondlopen, als teken en zinnebeeld voor Egypte en Nubië, 4zo zal de koning van Assyrië alle Egyptenaren en Nubiërs, jong en oud, als krijgsgevangenen en ballingen wegvoeren: naakt en barrevoets, met ontbloot achterste – de schaamte van Egypte. 5De mensen zullen verbijsterd en beschaamd staan vanwege Nubië, waarop hun hoop gevestigd was, en vanwege Egypte, hun trots. 6Dan zullen de bewoners van de kuststreek verzuchten: “Als het hun al zo vergaat, onze hoop, bij wie wij onze toevlucht hebben gezocht om aan de koning van Assyrië te ontkomen, hoe kunnen wij dan gered worden?”’

De val van Babel geopenbaard

1Profetie over de woestijn aan de zee.

Zoals de stormen over de Negev, vlaag na vlaag,

zo zal het onheil komen uit de woestijn,

uit een angstaanjagend land.

2Een aangrijpend visioen heeft de HEER mij geopenbaard:

de verrader pleegt verraad, de verwoester verwoest.

Inwoners van Elam, val aan! Meden, sla het beleg!

De HEER maakt aan het lijden van de verdrukten een eind.

3Ik sta te trillen op mijn benen,

ik krimp ineen als een vrouw in barensnood.

Wat ik hoor verbijstert me, wat ik zie ontstelt me.

4Mijn hart beeft, ik ben door angst bevangen;

de avondschemer die mij zo lief is

heeft de HEER tot een verschrikking gemaakt.

5Het feestmaal is aangericht, de kleden zijn uitgespreid,

er wordt gegeten en gedronken.

Sta op, vorsten, vet uw schilden in!

6Want dit heeft de Heer mij gezegd:

‘Zet een wachtpost uit, laat hem melden wat hij ziet.

7Ziet hij strijdwagens, met paarden bespannen,

een karavaan met ezels en kamelen,

laat hij dan toezien, nauwlettend toezien.’

8De wachter zegt: ‘Heel de dag sta ik op wacht, Heer,

elke nacht blijf ik op mijn post.’

9Daar komen soldaten op strijdwagens,

wagens, met paarden bespannen.

Dan roept hij: ‘Gevallen, gevallen is Babel!

Al zijn godenbeelden liggen verbrijzeld!’

10Mijn volk, vertrapt en vertreden als op de dorsvloer,

de HEER van de hemelse machten, de God van Israël,

heeft mij dit laten weten, en ik heb het jullie gemeld.

11Profetie over Duma.

Vanuit Seïr roept men naar mij:

‘Wachter, hoe lang nog duurt de nacht?

Wachter, hoe lang nog duurt de nacht?’

12En de wachter antwoordt:

‘De morgen komt, en ook de nacht.

Wilt u iets vragen, vraag het. En kom terug.’

13Profetie over Arabië.

Breng de nacht door in het woud van Arabië,

karavanen van de Dedanieten.

14Geef de dorstigen water,

inwoners van Tema,

breng de vluchtelingen brood.

15Zij zijn de oorlog ontvlucht,

het getrokken zwaard en de gespannen boog,

gevlucht voor het geweld van de strijd.

16Dit heeft de Heer mij gezegd: ‘Nog een jaar, gerekend naar de jaren van een dagloner, en het is gedaan met Kedars luister. 17Van de boogschutters van Kedars leger zal nog maar een klein aantal overblijven. De HEER, de God van Israël, heeft gesproken.’

Jesaja 19-21NBV21Open in de Bijbel

1Een pelgrimslied.

Uit de diepte roep ik tot U, HEER,

2Heer, hoor mijn stem,

wees aandachtig, luister

naar mijn roep om genade.

3Als U de zonden blijft gedenken, HEER,

Heer, wie houdt dan stand?

4Maar bij U is vergeving,

daarom eert men U met ontzag.

5Ik zie uit naar de HEER,

mijn ziel ziet uit naar Hem

en verlangt naar zijn woord,

6mijn ziel verlangt naar de Heer,

meer dan wachters naar de morgen,

meer dan wachters uitzien naar de morgen.

7Israël, hoop op de HEER!

Bij de HEER is genade, bij Hem

is bevrijding, altijd weer.

8Hij zal Israël bevrijden

uit al zijn zonden.

Psalmen 130NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.19.1
Volg ons