Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 205 / Am. 1-3

Bijbeltekst(en)

1Dit zijn de woorden van Amos, een schapenfokker uit Tekoa; het visioen dat hij zag over Israël, toen Uzzia in Juda regeerde en Jerobeam, de zoon van Joas, koning was in Israël, twee jaar voor de aardbeving. 2Dit is wat hij zei:

De HEER brult vanaf de Sion, Hij gromt vanuit Jeruzalem,

de weiden van de herders verdrogen, de top van de Karmel verdort.

Het vonnis van de HEER

3Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Damascus begaan: ze hebben een spoor van verwoesting getrokken door Gilead. Daarom zal Ik mijn vonnis niet herroepen. 4Ik zal het paleis van Hazaël in vlammen doen opgaan; vuur zal de burchten van Benhadad verteren. 5Ik zal de poorten van Damascus openbeuken, de koning van Bikat-Awen zal Ik ombrengen, en ook de heerser van Bet-Eden breng Ik om. Het volk van Aram gaat in ballingschap naar Kir – zegt de HEER.

6Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Gaza begaan: ze hebben een heel volk in ballingschap gedreven en uitgeleverd aan Edom. Daarom zal Ik mijn vonnis niet herroepen. 7Ik zal de muren van Gaza in vlammen doen opgaan; vuur zal zijn burchten verteren. 8De koning van Asdod zal Ik ombrengen, en ook de heerser van Askelon breng Ik om. Ik zal mij tegen Ekron keren, tot de laatste man zullen de Filistijnen te gronde gaan – zegt God, de HEER.

9Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Tyrus begaan: ze hebben een heel volk als ballingen uitgeleverd aan Edom en zich niet gehouden aan het verdrag met hun broeders. Daarom zal Ik mijn vonnis niet herroepen. 10Ik zal de muren van Tyrus in vlammen doen opgaan; vuur zal zijn burchten verteren.

11Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Edom begaan: ze hebben hun broeders met het zwaard achtervolgd, zonder enig medelijden. Hun woede was onverzadigbaar, ontembaar hun razernij. Daarom zal Ik mijn vonnis niet herroepen. 12Ik zal Teman in vlammen doen opgaan; vuur zal de burchten van Bosra verteren.

13Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Ammon begaan: ze hebben, toen ze hun gebied wilden vergroten, de zwangere vrouwen van Gilead de buik opengereten. Daarom zal Ik mijn vonnis niet herroepen. 14Ik zal de muren van Rabba in vlammen doen opgaan; vuur zal zijn burchten verteren. Op die dag van strijd klinkt er krijgsgeschreeuw, dan raast de storm als een orkaan. 15Hun koning gaat in ballingschap, en de leiders van zijn rijk met hem – zegt de HEER.

1Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Moab begaan: ze hebben de beenderen van de koning van Edom verbrand om er kalk van te maken. Daarom zal Ik mijn vonnis niet herroepen. 2Ik zal Moab in vlammen doen opgaan; vuur zal de burchten van Keriot verteren. Moab zal sterven onder oorlogsgeraas en krijgsgeschreeuw en onder de dreigende klanken van de ramshoorn. 3Hun vorst breng Ik om, en met hem zal Ik alle andere leiders van dat rijk doden – zegt de HEER.

4Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Juda begaan: ze hebben de wetten van de HEER verworpen en zich niet gehouden aan zijn geboden; de leugengoden waar hun voorouders al achteraan liepen, hebben ook hen doen dwalen. Daarom zal Ik mijn vonnis niet herroepen. 5Ik zal Juda in vlammen doen opgaan; vuur zal de burchten van Jeruzalem verteren.

6Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Israël begaan – daarom zal Ik mijn vonnis niet herroepen! Ze verkopen de rechtvaardigen voor zilver en de armen voor een paar sandalen. 7Ze zijn erop uit de zwakken in het stof te laten kruipen, en de machtelozen dringen ze opzij. Een zoon en zijn vader komen bij hetzelfde meisje en ontwijden zo mijn heilige naam. 8Ze strekken zich naast de altaren uit op kleren die ze in onderpand hebben, en in het huis van hun God drinken ze wijn die als boete was ontvangen.

9En toch heb Ik ter wille van jullie de Amorieten uitgeroeid, die zo groot waren als ceders en zo sterk als eiken: met wortel en tak roeide Ik ze uit. 10Ik heb jullie uit Egypte weggeleid, Ik heb jullie veertig jaar lang door de woestijn gevoerd, opdat jullie het land van de Amorieten in bezit konden nemen. 11Sommigen van jullie maakte Ik profeet, anderen nazireeër – zo is het toch, Israëlieten? – spreekt de HEER. 12Maar jullie gaven de nazireeërs wijn te drinken, en tegen de profeten hebben jullie gezegd: ‘Jullie mogen niet profeteren.’

13Daarom zal Ik de grond onder jullie voeten doen kraken,

zoals een kar vol schoven kraakt in zijn voegen.

14De snelste man vlucht dan tevergeefs,

de sterke heeft niets aan zijn kracht,

de krijgsheld redt zijn leven niet,

15geen boogschutter houdt stand,

geen hardloper ontkomt,

geen ruiter brengt het er levend af,

16zelfs de dapperste held zal naakt moeten vluchten die dag

– spreekt de HEER.

1Luister naar de woorden die de HEER tot jullie spreekt, Israëlieten, tot heel het volk dat Hij weggeleid heeft uit Egypte: 2Uit alle volken op aarde heb Ik alleen jullie uitgekozen, en daarom zal Ik jullie voor al je wandaden laten boeten.

3Gaan er ooit twee samen op weg zonder bij elkaar te zijn gekomen?

4Brult ooit een leeuw in het struikgewas als hij geen prooi heeft?

Gromt ooit een leeuw in zijn hol zonder iets te hebben gevangen?

5Duikt ooit een vogel in een klapnet neer als het aas ontbreekt?

Slaat ooit een klapnet dicht zonder dat er iets te vangen is?

6Klinkt ooit in een stad de ramshoorn zonder dat haar inwoners bang worden?

En wordt ooit een stad door onheil getroffen zonder toedoen van de HEER?

7Zo doet God, de HEER, niets zonder dat Hij zijn plan heeft onthuld aan zijn dienaren, de profeten.

8Een leeuw heeft gebruld – wie zou er niet vrezen?

God, de HEER, heeft gesproken – wie zou er niet profeteren?

Straf voor Israëls misdaden

9Dit moeten jullie bekendmaken in de burchten van Asdod en in de burchten van Egypte: ‘Kom naar de bergen rond Samaria om te zien hoe groot de verwarring in die stad is, hoe hevig de onderdrukking! 10Tot rechtvaardigheid zijn ze daar niet in staat – spreekt de HEER –, zij die hun burchten vullen met onderdrukking en geweld.’ 11Daarom, Samaria, zal je land door de vijand worden omsingeld; je vestingwerken worden neergehaald en je burchten geplunderd – zegt God, de HEER.

12Dit zegt de HEER: Zoveel als een herder uit de muil van een leeuw weet te redden, niet meer dan een paar botjes of een stukje oor, evenveel zal er van de Israëlieten worden gered, die in Samaria maar op hun bedden hangen en achterover leunen op hun divans.

13Luister naar deze woorden en waarschuw het volk van Jakob – spreekt God, de HEER, de God van de hemelse machten: 14De dag komt dat Ik Israël voor zijn misdaden laat boeten. Mijn straf zal dan de altaren van Betel treffen, de hoorns van de altaren zullen afgehakt worden en op de grond vallen. 15Dan zal Ik de winterverblijven en de zomerverblijven verwoesten, de ivoren paleizen gaan verloren en vele huizen worden vernietigd – spreekt de HEER.

Amos 1-3NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons