Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 184 / 1Kon. 3-4:19, Spr. 3-4

Bijbeltekst(en)

Salomo’s wijsheid

1Door de dochter van de farao tot vrouw te nemen, werd Salomo de schoonzoon van de koning van Egypte. Hij liet haar in de Davidsburcht wonen, totdat hij gereed was met de bouw van zijn paleis, de tempel van de HEER en de muur rondom Jeruzalem.

2Omdat er in die tijd nog geen tempel was gebouwd voor de naam van de HEER, bleef het volk zijn offers brengen op de offerplaatsen. 3Salomo zelf toonde zijn liefde voor de HEER door te handelen naar wat zijn vader David hem had voorgehouden, maar ook hij bracht zijn offers en brandde wierook op de offerplaatsen. 4Zo ging de koning op een keer naar Gibeon, de belangrijkste offerhoogte van het land, om er te offeren. Wel duizend dieren droeg hij daar op het altaar als brandoffer op. 5Die nacht verscheen de HEER hem daar in een droom. ‘Vraag wat je wilt,’ zei God, ‘Ik zal het je geven.’ 6Salomo antwoordde: ‘U bent uw dienaar, mijn vader David, altijd goedgezind geweest, omdat hij U trouw toegewijd was en steeds eerlijk en oprecht was tegenover U. U hebt hem een grote gunst bewezen door hem een zoon te geven die nu op zijn troon zit. 7U, HEER, mijn God, hebt mij als opvolger van mijn vader David als koning aangesteld. Maar ik ben nog zo jong en ik heb geen ervaring. 8Ik sta nu voor de taak uw uitverkoren volk te leiden, een volk zo talrijk dat het niet te tellen is. 9Schenk uw dienaar een opmerkzame geest, zodat ik uw volk kan besturen en onderscheid kan maken tussen goed en kwaad. Want hoe zou ik anders recht kunnen spreken over dit immense volk van U?’ 10Het beviel de Heer dat Salomo juist hierom vroeg, 11en Hij zei tegen hem: ‘Omdat je hierom vraagt – niet om een lang leven of grote rijkdom of de dood van je vijanden, maar om het vermogen om te luisteren en te onderscheiden tussen recht en onrecht – 12zal Ik je wens vervullen. Ik zal je zo veel wijsheid en onderscheidingsvermogen schenken dat je iedereen vóór jou en na jou overtreft. 13Ook waar je niet om gevraagd hebt zal Ik je geven: zo veel rijkdom en roem dat geen enkele andere koning je tijdens je leven zal evenaren. 14En als je Mij gehoorzaamt en je houdt aan mijn bepalingen en geboden, zoals je vader David dat deed, zal Ik je een lang leven schenken.’ 15Toen Salomo wakker werd, besefte hij dat hij een droom had gehad. Bij zijn terugkomst in Jeruzalem ging hij naar de ark van het verbond met de Heer, waar hij brandoffers en vredeoffers bracht. Hij nodigde al zijn hovelingen voor het feestmaal uit.

16Kort daarna vroegen twee hoeren bij de koning gehoor. 17De eerste vrouw vertelde: ‘Staat u mij toe, heer, deze vrouw en ik wonen in hetzelfde huis. In dat huis heb ik in haar bijzijn een zoon ter wereld gebracht. 18Drie dagen later kreeg ook zij een zoon. Wij waren daar samen; er was niemand anders in huis, alleen wij tweeën. 19Maar haar kind is ’s nachts doodgegaan, want zij was erop gaan liggen. 20Toen is ze midden in de nacht opgestaan en heeft ze mijn kind bij me weggenomen, terwijl ik sliep. Ze nam mijn kind in haar armen en legde mij haar dode kind in de armen. 21Toen ik de volgende ochtend mijn kind wilde voeden, merkte ik dat het dood was. Maar toen ik het nog eens goed bekeek, zag ik dat het niet het kind was dat ik gebaard had.’ 22‘Dat is niet waar!’ zei de andere vrouw. ‘Het levende kind is van mij en het dode van jou.’ ‘Niet waar!’ zei de eerste. ‘Het dode is van jou en het levende van mij.’ Zo bepleitten ze ieder hun zaak bij de koning. 23De koning nam het woord en zei: ‘De een zegt: “Mijn kind leeft en het jouwe is dood,” en de ander zegt: “Nee! Het dode kind is van jou en het levende van mij.”’ 24En hij beval: ‘Breng mij een zwaard.’ Er werd hem een zwaard gebracht, 25en toen zei hij: ‘Hak het levende kind in tweeën en geef hun ieder de helft.’ 26De echte moeder van het levende kind kon de gedachte dat haar kind iets zou overkomen niet verdragen en riep uit: ‘Nee, heer, ik smeek u, geef het kind aan haar, maar dood het alstublieft niet!’ De ander zei: ‘Als ik het niet krijg, krijg jij het ook niet. Hak het maar doormidden!’ 27Maar de koning deed de volgende uitspraak: ‘Het zal niet gedood worden. Geef het levende kind aan háár, want zij is de moeder.’

28Toen de Israëlieten hoorden welk vonnis de koning had geveld, kregen ze groot ontzag voor hem, want ze begrepen dat hij het recht handhaafde met goddelijke wijsheid.

Salomo’s ambtenaren

1Salomo regeerde over heel Israël. 2Dit waren zijn raadsheren: Azarja, de zoon van Sadok, was priester; 3Elichoref en Achia, de zonen van Sisa, waren hofschrijver; Josafat, de zoon van Achilud, was kanselier; 4Benaja, de zoon van Jojada, was opperbevelhebber van het leger; Sadok en Abjatar waren priester; 5Azarja, de zoon van Natan, stond aan het hoofd van de stadhouders; de priester Zabud, de zoon van Natan, was de vertrouweling van de koning; 6Achisar was hofmeester; Adoniram, de zoon van Abda, was opzichter van de herendienst.

7Salomo had in Israël twaalf stadhouders aangesteld. Zij moesten om beurten één maand per jaar in het levensonderhoud van de koning en zijn hofhouding voorzien. 8Dit zijn hun namen: Ben-Chur was stadhouder in het bergland van Efraïm. 9Ben-Deker was stadhouder in Makas, Saälbim, Bet-Semes en Elon-Bet-Chanan. 10Ben-Chesed was stadhouder in Arubbot; ook Socho en het gebied rond Chefer vielen onder zijn gezag. 11Ben-Abinadab was stadhouder in het kustgebied van Dor; hij was getrouwd met Salomo’s dochter Tafat. 12Baäna, de zoon van Achilud, was stadhouder in Taänach en Megiddo en het hele gebied van Bet-San; dat gebied grenst aan Saretan, het ligt ten zuiden van Jizreël en loopt door tot Abel-Mechola en tot voorbij Jokmeam. 13Ben-Geber was stadhouder in Ramot in Gilead; onder zijn gezag vielen ook de dorpen van Jaïr, een nakomeling van Manasse, eveneens in Gilead, en het gebied van Argob in Basan; in deze streek lagen zestig grote, ommuurde steden met poorten met bronzen grendels. 14Achinadab, de zoon van Iddo, was stadhouder in Machanaïm. 15Achimaäs was stadhouder in Naftali; hij trouwde met Salomo’s dochter Basemat. 16Baäna, de zoon van Chusai, was stadhouder in Aser en Alot; 17Josafat, de zoon van Paruach, in Issachar; 18Simi, de zoon van Ela, in Benjamin, 19en Geber, de zoon van Uri, was stadhouder in Gilead, het land dat aan koning Sichon van de Amorieten en koning Og van Basan had toebehoord; hij was daar de enige stadhouder.

1 Koningen 3-4NBV21Open in de Bijbel
Heb ontzag voor de HEER

1Mijn zoon, vergeet mijn lessen niet,

houd in je hart mijn richtlijnen vast.

2Ze vermeerderen de dagen van je leven,

geven je vele jaren van geluk.

3Mogen liefde en trouw je nooit verlaten,

wind ze om je hals,

schrijf ze in je hart.

4God en de mensen zullen je genegen zijn

en je zult waardering ondervinden.

5Vertrouw op de HEER met heel je hart,

steun niet op eigen inzicht.

6Denk aan Hem bij alles wat je doet,

dan baant Hij voor jou de weg.

7Wees niet eigenzinnig,

maar heb ontzag voor de HEER

en ga het kwaad uit de weg.

8Het zal je sterken als een medicijn,

het verkwikt je lichaam.

9Eer de HEER met al je rijkdom,

met het beste van de oogst.

10Graan zal je voorraadschuren vullen,

je kuipen lopen over van wijn.

11Mijn zoon, een berisping van de HEER

mag je nooit terzijde schuiven,

zijn bestraffing moet je zonder afschuw ondergaan,

12want de HEER straft wie Hij liefheeft,

als een vader die van zijn kinderen houdt.

13Gelukkig de mens die wijsheid ontdekt,

de mens die inzicht wint.

14Wijsheid levert meer op dan zilver,

geeft meer profijt dan goud,

15is kostbaarder dan edelstenen.

Alles wat je ooit zou kunnen wensen

valt bij de wijsheid in het niet.

16Met haar ene hand schenkt ze een lang leven,

eer en rijkdom geeft ze met haar andere hand.

17De wegen van de wijsheid zijn lieflijk,

al haar paden vredig.

18Ze is een levensboom voor wie haar omhelst,

wie haar omarmt, mag zich gelukkig prijzen.

19De HEER heeft de aarde met wijsheid gegrondvest,

de hemel met inzicht gevestigd.

20Door zijn kennis brak het water los uit de diepte

en druppelt er dauw uit de wolken.

21Mijn zoon, streef naar bedachtzaamheid en tact,

verlies die nooit uit het oog.

22Ze zullen een bron van leven voor je zijn,

een sieraad om je hals.

23Je zult veilig je weg kunnen gaan,

nergens zul je struikelen.

24Je hoeft niet bang te zijn wanneer je slapen gaat,

je slaap zal vredig zijn.

25En wees niet bang voor plotseling onheil,

voor de rampspoed die goddelozen overkomt.

26Je kunt vertrouwen op de HEER,

Hij beschermt je tegen hinderlagen.

27Onthoud een ander niet waarop hij recht heeft,

terwijl je het hem geven kunt.

28Zeg nooit tegen je medemens:

‘Ga weg, kom morgen maar terug,’

terwijl je hebt wat je hem schuldig bent.

29Behandel hem niet zo schandalig

terwijl hij zijn vertrouwen in je heeft gesteld.

30Maak geen ruzie met iemand

die je geen kwaad berokkend heeft.

31Wees niet jaloers op iemand die geweld gebruikt,

volg hem beslist niet na,

32want de HEER verafschuwt wie dat dwaalspoor gaat,

maar wie rechtschapen is geeft Hij zijn vertrouwen.

33De HEER vervloekt het huis van goddelozen,

maar de woning van rechtvaardigen zegent Hij.

34Met spotters drijft Hij de spot,

maar verdrukten schenkt Hij zijn gunst.

35Wijzen verwerven eer,

dwazen torsen schande.

Laat je beschermen door de wijsheid

1Zonen, luister naar de lessen van je vader,

wees vol aandacht en kom tot begrip.

2Wat ik je leer is waardevol,

sla dus mijn onderricht niet in de wind.

3Zelf was ik mijn vaders beminde zoon,

mijn moeders lieveling.

4Mijn vader leerde mij:

‘Laat je hart mijn woorden bewaren,

handel naar mijn richtlijnen, dan gaat het je goed.

5Streef naar wijsheid, zoek naar inzicht,

wijk niet af van wat ik zeg, vergeet het niet.

6Verlaat de wijsheid niet, dan beschermt ze je,

heb haar lief, dan behoedt ze je.

7Het begin van wijsheid is dat je wijsheid zoekt,

inzicht najaagt met alles wat je bezit.

8Acht de wijsheid hoog, dan geeft ze je aanzien,

ze strekt je tot eer wanneer je haar omhelst.

9Ze legt een sierlijke krans om je hoofd,

schenkt je een prachtige kroon.’

10Mijn zoon, luister, neem mijn woorden aan,

ze vermeerderen de jaren van je leven.

11Ik heb je de weg van de wijsheid gewezen,

op rechte paden heb ik je gevoerd.

12Je zult onbelemmerd voortgaan,

nergens zul je struikelen, al ga je nog zo snel.

13Laat mijn onderricht niet los, houd het vast,

vergeet het nooit, het is je leven.

14Ga niet het pad van goddelozen,

bewandel niet de weg van wie boosaardig zijn.

15Mijd hun weg, betreed hem niet,

ga eraan voorbij, loop door.

16Zij rusten niet voor ze kwaad hebben gedaan;

wanneer ze anderen niet ten val brengen,

kunnen ze de slaap niet vatten.

17Ze voeden zich met goddeloosheid,

bedrinken zich aan geweld.

18Het pad van de rechtvaardigen is stralend als de zon,

die opkomt, hoger klimt, totdat de dag zijn licht verspreidt.

19Maar de weg van de goddelozen is duisternis;

ze struikelen, en weten niet waarover.

20Mijn zoon, heb aandacht voor mijn woorden,

geef aan mijn uitspraken gehoor.

21Houd ze steeds voor ogen,

bewaar ze in het diepste van je hart.

22Ze zijn het leven voor wie ze aanvaarden,

sterken heel het lichaam als een medicijn.

23Van alles waarover je waakt, waak vooral over je hart,

het is de bron van je leven.

24Neem nooit leugens in de mond,

laat geen bedrog over je lippen komen.

25Je moet elk mens recht in de ogen kunnen zien,

nooit je ogen hoeven neerslaan.

26Weet welke weg je wilt inslaan,

dan loop je met vaste tred.

27Wijk niet af naar rechts, wijk niet af naar links,

wijk alleen uit voor het kwaad.

Spreuken 3-4NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.19.1
Volg ons