Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 176 / 2Sam. 21-24

Bijbeltekst(en)

Het lot van de nakomelingen van Saul

1Tijdens de regering van David heerste er eens drie jaar achtereen hongersnood. David wendde zich tot de HEER, en de HEER antwoordde: ‘Het komt doordat er bloedschuld rust op Saul en zijn familie, omdat hij de Gibeonieten heeft vermoord.’ 2De Gibeonieten namelijk behoorden niet tot het volk van Israël. Het waren overlevenden van de Amorieten, en de Israëlieten hadden hun gezworen dat ze hen met rust zouden laten, maar Saul had in zijn ijver voor Israël en Juda geprobeerd hen uit te roeien. David liet de Gibeonieten bij zich komen 3en vroeg hun: ‘Wat kan ik doen om de schuld uit te wissen, zodat u weer zegen brengt over het grondgebied van de HEER?’ 4De Gibeonieten antwoordden: ‘Wij willen geen recht doen gelden op het goud en zilver van Saul en zijn familie en we hebben het recht niet om iemand uit Israël te doden.’ De koning zei: ‘Wat u ook vraagt, ik zal het u toestaan.’ 5‘De man die ons heeft willen verdelgen en plannen heeft beraamd om ons uit heel Israël weg te vagen!’ antwoordden ze. 6‘Lever zeven van zijn mannelijke nakomelingen aan ons uit, dan zullen wij die in Sauls woonplaats Gibea terechtstellen en ophangen ten overstaan van de HEER, die ooit Saul had uitverkozen.’ ‘Goed,’ zei de koning. 7Hij spaarde echter de zoon van Sauls zoon Jonatan, Mefiboset, vanwege de eed die David en Jonatan elkaar bij de HEER gezworen hadden. 8Daarom nam hij Armoni en Mefiboset, de twee zonen die Saul had gekregen bij Rispa, de dochter van Ajja, en de vijf zonen die Sauls dochter Merab had gekregen van Adriël, de zoon van Barzillai uit Mechola. 9Hij leverde hen uit aan de Gibeonieten, die hen boven op een berg ophingen ten overstaan van de HEER. Ze werden alle zeven tegelijk ter dood gebracht, in het begin van de oogsttijd, in de tijd van de gersteoogst. 10Rispa, de bijvrouw van Saul, spreidde een kleed op de rotsen en bleef daar van het begin van de oogsttijd totdat de eerste herfstregens vielen om overdag de roofvogels van de lijken te verjagen en ’s nachts de wilde dieren. 11Toen David hoorde wat Rispa had gedaan, 12liet hij het gebeente van Saul en diens zoon Jonatan weghalen bij de burgers van Jabes in Gilead. Die hadden immers heimelijk de lichamen geborgen van Saul en Jonatan, die na de slag bij Gilboa door de Filistijnen waren opgehangen op het plein van Bet-San. 13-14Hij liet hun gebeente overbrengen naar Sela in Benjamin en begroef hen samen met de lichamen van de gehangenen in het graf van Sauls vader Kis. Alles gebeurde zoals de koning het beval, en God liet zich ten gunste van het land vermurwen.

Heldendaden tegen het reuzengeslacht van de Refaïeten

15Tijdens een van de veldslagen tussen Israël en de Filistijnen trok David met zijn leger ten strijde en vocht tegen de Filistijnen tot hij uitgeput raakte. 16Jisbibenob, een Refaïet die een nieuwe wapenrusting droeg met een bronzen speer die wel driehonderd sjekel woog, dreigde dat hij David zou doden. 17Abisai, de zoon van Seruja, kwam David te hulp. Hij sloeg de Filistijn neer en doodde hem. Daarop bezwoeren de soldaten David: ‘Trek niet meer met ons ten strijde, opdat het licht van Israël niet wordt gedoofd.’ 18Enige tijd later, tijdens een veldslag tegen de Filistijnen bij Gob, werd de Refaïet Saf gedood door Sibbechai uit Chusa. 19Tijdens een andere veldslag tegen de Filistijnen, opnieuw bij Gob, werd Goliat uit Gat gedood door Elchanan, de zoon van Jari, uit Betlehem. De schacht van Goliats speer was zo dik als de boom van een weefgetouw. 20Tijdens weer een andere veldslag, ditmaal bij Gat, was er een vechtersbaas die aan elke hand zes vingers had en aan elke voet zes tenen: vierentwintig in totaal. Ook hij was een Refaïet. 21Hij hoonde Israël en werd gedood door Jonatan, een zoon van Davids broer Sima. 22Dit waren de vier Refaïeten uit Gat die werden geveld door David en zijn soldaten.

Het overwinningslied van David

1Dit zijn de woorden van het lied dat David voor de HEER aanhief toen de HEER hem aan de greep van zijn vijanden had ontrukt, ook aan die van Saul. 2Hij zei:

HEER, mijn rots, mijn vesting, mijn bevrijder,

3God, mijn steenrots, bij U kan ik schuilen,

mijn schild, kracht die mij redt, mijn burcht,

mijn toevlucht, mijn redder, U redt mij van het geweld.

4Ik roep: “Geloofd zij de HEER,”

want ik ben van mijn vijanden verlost.

5Mij omsloten de golven van de dood,

de kolkende afgrond joeg mij angst aan,

6de banden van het dodenrijk omklemden mij,

op mijn weg lagen de valstrikken van de dood.

7In mijn nood riep ik tot de HEER,

ik riep mijn God om hulp,

en in zijn paleis hoorde Hij mijn stem,

mijn geroep klonk in zijn oren.

8Toen schudde en schokte de aarde,

de hemel trilde op zijn grondvesten,

ze beefden omdat Hij vlamde van woede,

9rook steeg op uit zijn neus,

verterend vuur kwam uit zijn mond,

Hij spuwde hete as.

10Hij schoof de hemel open en daalde af,

duisternis onder zijn voeten,

11Hij besteeg de cherub en vloog –

daar verscheen Hij op vleugels van de wind.

12Hij maakte van het donker een tent om zich heen,

een waaier van water, dichte wolken.

13Een vuurgloed ging voor Hem uit

en verbrandde alles tot gloeiende as.

14De donder van de HEER klonk uit de hemel,

de Allerhoogste verhief zijn stem.

15Hij schoot pijlen en sloeg de vijanden uiteen,

met zijn bliksem verdreef Hij hen.

16De beddingen van de zee werden zichtbaar,

de grondvesten van de wereld kwamen bloot

onder de dreigende blik van de HEER,

door de briesende adem uit zijn neus.

17Hij bood hulp van omhoog, greep mij vast

en trok mij op uit de woeste wateren,

18ontrukte mij aan mijn machtige vijand,

aan mijn haters, die sterker waren dan ik.

19Op de dag van mijn ondergang vielen zij aan,

maar de HEER was mijn steun.

20Hij leidde mij uit de nood en gaf mij ruimte,

bevrijdde mij, omdat Hij mij liefhad.

21De HEER heeft mijn onschuld vergolden,

mij beloond voor mijn reine handen:

22ik volgde de wegen die de HEER had gewezen

en werd mijn God niet ontrouw,

23zijn voorschriften hield ik voor ogen,

van zijn wetten week ik nooit af.

24Ik was Hem volkomen toegewijd

en hoedde mij steeds voor het kwaad,

25daarom heeft de HEER mijn onschuld beloond,

Hij zag mijn reinheid.

26U bent trouw voor de trouwe,

volmaakt voor de volmaakte,

27zuiver voor de zuivere,

maar voor de sluwe ongrijpbaar.

28U redt het vertrapte volk,

maar ziet op de hoogmoedigen neer.

29U bent mijn lamp, HEER,

U, HEER, verlicht mijn duisternis,

30met U storm ik af op een legerbende,

met mijn God spring ik over de hoogste muur.

31Gods weg is volmaakt,

het woord van de HEER is zuiver,

een schild is Hij

voor allen die bij Hem schuilen.

32Wie anders is God dan de HEER,

wie anders een rots dan onze God?

33De God die mijn sterke vesting is

baant een volmaakte weg voor mij,

34Hij geeft mij voeten snel als hinden,

doet mij op toppen van bergen staan,

35oefent mijn handen voor de strijd –

mijn armen spannen de bronzen boog.

36U was het schild dat mij redde,

uw antwoord maakte mij sterk,

37U baande de weg voor mijn voeten,

ik wankelde niet.

38Ik achtervolgde mijn vijanden en verdelgde hen,

ik keerde niet terug voor ik hen had vernietigd,

39ik vernietigde, verpletterde hen, ze stonden niet meer op,

dood lagen ze onder mijn voeten.

40U hebt mij omgord met kracht voor de strijd,

mijn tegenstanders voor mij doen buigen,

41U liet mij de rug van mijn vijanden zien,

mijn haters, ik roeide ze uit.

42Ze zagen om naar hulp, maar er was geen redder,

ze riepen de HEER, maar Hij antwoordde niet.

43Ik verpulverde hen tot fijn stof,

ik vertrad ze, vaagde hen weg als vuil van de straat.

44U bevrijdde mij van een opstandig volk,

onder uw hoede bleef ik het hoofd van naties,

een volk dat ik niet kende, onderwierp zich.

45Vreemdelingen toonden zich onderdanig,

ze gehoorzaamden mij zodra ze van mij hoorden,

46vreemde volken verloren hun kracht,

wankelend kwamen zij uit hun burchten.

47De HEER leeft, geprezen zij mijn rots,

hoogverheven is God, de rots die mij redt.

48De God die mij wraak liet nemen,

bracht volken onder mijn gezag,

49schudde mijn vijanden van mij af,

verhief mij boven mijn tegenstanders,

ontrukte mij aan mannen van geweld.

50Daarom wil ik U prijzen, HEER, te midden van de volken,

een loflied zingen tot eer van uw naam.

51Hij schenkt zijn koning grote overwinningen,

betoont zich trouw aan zijn gezalfde,

aan David en zijn nageslacht, voor altijd.’

Davids laatste woorden

1Dit zijn de laatste woorden van David:

‘Zo spreekt David, de zoon van Isaï,

zo spreekt hij, tot hoge macht verheven,

de gezalfde van de God van Jakob,

de geliefde zanger van Israël:

2De geest van de HEER sprak in mij,

zijn woorden zijn op mijn tong.

3De God van Israël heeft gesproken,

de rots van Israël heeft over mij gezegd:

“Wie rechtvaardig heerst over de mensen,

heerst in diep ontzag voor God.

4Hij is als een stralende morgenzon

die na de regens opkomt aan een wolkeloze hemel

en met zijn warmte het jonge groen laat opschieten.”

5Zo, met Gods hulp, is ook mijn koningshuis,

want een eeuwig verbond heeft Hij met mij gesloten,

nauwkeurig opgesteld en onverbrekelijk.

Op zijn hulp kan ik me verlaten,

wat mij dierbaar is laat Hij gedijen.

6Maar de nietswaardigen, zij zijn als doornstruiken,

ontworteld door de wind,

met blote handen raakt men ze niet aan.

7Wie ze wil opruimen

neemt een stok met ijzeren punt ter hand

om ze in het vuur te werpen en ter plekke te verbranden.’

Davids helden

8Dit zijn de namen van Davids helden:

Isboset uit Chachmon was de belangrijkste van het beroemde drietal. Hij doorboorde met zijn speer achthonderd mannen in één gevecht. 9De tweede van de drie helden was Elazar, de zoon van Dodo uit Achoach. Hij was erbij toen David en zijn mannen de Filistijnen honend uitdaagden. Daarop trokken de Filistijnen hun troepen samen voor de strijd, en Israël moest zich terugtrekken. 10Maar Elazar hield stand en sloeg op de Filistijnen in; zelfs toen hij niet meer kon liet hij het zwaard niet los. Zo schonk de HEER Israël die dag een grote overwinning. Het leger sloot zich weer bij Elazar aan, maar alleen nog om te plunderen. 11De derde was Samma, de zoon van Age, uit Harar. De Filistijnen hadden op een keer hun troepen samengetrokken bij Lechi, waar een akker met linzen was. Het leger van Israël was op de vlucht geslagen, 12maar Samma stelde zich op de akker op en wist die te behouden; hij versloeg de Filistijnen, en de HEER schonk Israël een grote overwinning.

13Drie van de dertig hoofdmannen kwamen eens voor de oogst bij David, in de grot bij Adullam. In de vallei van Refaïm was toen een Filistijnse afdeling gelegerd. 14David hield zich in die tijd verschanst in de bergen, terwijl in Betlehem een Filistijnse wachtpost was uitgezet. 15Op een keer, toen hij smachtte van dorst, verzuchtte David: ‘Wie geeft me wat te drinken uit de waterput in de poort van Betlehem?’ 16De drie helden baanden zich een weg door het Filistijnse kamp en haalden water uit de put in de poort van Betlehem. Maar toen ze ermee bij David kwamen, wilde hij er niet van drinken. Hij goot het uit voor de HEER 17en zei: ‘De HEER verhoede dat ik hiervan drink. Dat zou zijn alsof ik het bloed dronk van de mannen die hun leven hebben gewaagd om het te halen!’ Hij weigerde dus te drinken. Zulke heldendaden verrichtte dit drietal.

18Abisai, een broer van Joab en een zoon van Seruja, was de belangrijkste van deze drie. Hij doorboorde met zijn speer driehonderd mannen. Zo maakte hij naam bij het beroemde drietal. 19Van de drie hoofdmannen stond hij het meest in aanzien, hij was hun aanvoerder, maar met het beroemde drietal kon hij zich niet meten. 20Ook Benaja, de zoon van Jojada, uit Kabseël, was een dapper en krijgshaftig man. Hij versloeg de twee zonen van Ariël uit Moab. Een andere keer, toen het sneeuwde, liet hij zich in een put zakken en doodde daar een leeuw. 21Ook versloeg hij eens een Egyptenaar, een reus van een kerel. De Egyptenaar was gewapend met een speer, maar Benaja ging op hem af met een stok, sloeg hem de speer uit handen en doodde hem ermee. 22Zulke heldendaden verrichtte Benaja, de zoon van Jojada, en zo maakte hij naam bij het beroemde drietal. 23Hij was een van de aanzienlijksten van de dertig helden, maar met het beroemde drietal kon hij zich niet meten. David benoemde hem tot commandant van zijn lijfwacht.

24Tot de dertig helden behoorden verder: Asaël, een broer van Joab; Elchanan, de zoon van Dodo, uit Betlehem; 25Samma en Elika uit Charod; 26Cheles uit Pelet; Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa; 27Abiëzer uit Anatot; Mebunnai uit Chusa; 28-29Salmon uit Achoach; Maharai en Cheleb, de zoon van Baäna, beiden uit Netofa; Ittai, de zoon van Ribai, uit Gibea in Benjamin; 30Benaja uit Piraton; Hiddai uit Nachale-Gaäs; 31Abialbon uit de Jordaanvallei; Azmawet uit Barchum; 32Eljachba uit Saälbon; Jasen uit Gun; Jonatan, 33de zoon van Samma, en Achiam, de zoon van Sarar, beiden uit Harar; 34Elifelet, de zoon van Achasbai uit Maächa; Eliam, de zoon van Achitofel, uit Gilo; 35Chesrai uit Karmel; Paärai uit Arba; 36Jigal, de zoon van Natan, uit Soba; Bani uit Gad; 37de Ammoniet Selek; Nachrai uit Beërot, de wapendrager van Joab, de zoon van Seruja; 38Ira en Gareb uit Jeter; 39en de Hethiet Uria. Bij elkaar waren het er zevenendertig.

De volkstelling

1Opnieuw ontstak de HEER in toorn tegen Israël. Hij zette David tegen het volk op met de woorden: ‘Ga in Israël en Juda een volkstelling houden.’ 2De koning zei tegen Joab, de opperbevelhebber van zijn leger: ‘Ga alle stammen van Israël af, van Dan tot Berseba, en schrijf de weerbare mannen in, zodat ik weet hoe groot mijn leger is.’ 3Joab antwoordde: ‘Moge de HEER, uw God, uw leger tijdens uw leven nog honderdmaal zo sterk maken als nu, mijn heer en koning, maar waarom wilt u dit eigenlijk?’ 4Maar het woord van de koning was wet, dus trokken Joab en de bevelhebbers van het leger eropuit om een volkstelling te houden onder het volk van Israël. 5Ze staken de Jordaan over en begonnen bij Aroër, bij een Gaditische stad in het dal. Van daar gingen ze naar Jazer, 6naar Gilead en in de richting van het gebied van de Hethieten bij Kades. Vanuit Dan-Jaän bogen ze af naar Sidon. 7Vervolgens deden ze de vestingstad Tyrus aan en alle steden van de Chiwwieten en Kanaänieten, en ten slotte trokken ze naar de Negev in Juda, tot aan Berseba. 8Zo gingen ze het hele land rond, en na negen maanden en twintig dagen kwamen ze weer terug in Jeruzalem. 9Joab meldde de uitkomst van de volkstelling aan de koning: Israël telde achthonderdduizend weerbare mannen die de wapens konden hanteren en Juda vijfhonderdduizend.

10Toen het tot David doordrong wat hij had gedaan, sloeg de schrik hem om het hart. Hij zei tegen de HEER: ‘Ik heb ernstig gezondigd met mijn daad. Ach HEER, vergeef uw dienaar zijn zonde; ik ben een dwaas geweest.’ 11-12De HEER richtte zich tot de profeet Gad, de ziener van David: ‘Ga naar David en zeg hem: “Dit zegt de HEER: Drie straffen leg Ik je voor. Kies er een uit; die zal Ik je opleggen.”’ Toen David de volgende morgen opstond, 13kwam Gad hem vragen: ‘Wat hebt u liever: zeven jaar hongersnood in uw rijk, drie maanden op de vlucht voor een belager die u in het nauw drijft, of drie dagen de pest in uw land? Denk goed na en zeg me dan wat voor antwoord ik moet geven aan degene die mij gezonden heeft.’ 14David antwoordde: ‘Ik ben in het nauw gedreven! Liever vallen wij in handen van de HEER, want groot is zijn mededogen, dan dat ik in mensenhanden val.’

15Diezelfde morgen nog liet de HEER in Israël de pest uitbreken, die duurde tot de vastgestelde tijd. Van Dan tot Berseba vonden zeventigduizend mensen de dood. 16Maar toen de engel zijn hand naar Jeruzalem uitstrekte om ook daar dood en verderf te zaaien, begon de HEER het onheil dat was aangericht te betreuren. ‘Genoeg!’ zei Hij tegen de engel. ‘Laat je hand zakken!’ De engel van de HEER stond bij het bergterras waar de Jebusiet Arauna zijn graan dorste. 17Toen David de engel die dood en verderf onder het volk zaaide zag staan, zei hij tegen de HEER: ‘Ik ben het die gezondigd heeft; ik ben het die een zonde heeft begaan. Maar deze arme schapen, wat hebben zij misdaan? Hef uw hand toch op tegen mij en mijn familie!’ 18Diezelfde dag kwam Gad bij David en zei tegen hem: ‘Ga naar de dorsvloer van de Jebusiet Arauna en richt daar voor de HEER een altaar op.’ 19David ging naar boven zoals de HEER hem bij monde van Gad had bevolen. 20Toen Arauna de koning en zijn gevolg zag naderen, ging hij hun tegemoet en knielde voor de koning neer. 21‘Wat is de reden van uw komst, mijn heer en koning?’ vroeg hij, en David antwoordde: ‘Ik wil van u deze dorsvloer kopen om er een altaar te bouwen voor de HEER, zodat het volk van deze plaag wordt verlost.’ 22Arauna zei: ‘Neem toch wat u voor uw offer nodig hebt, mijn heer en koning. Alstublieft: mijn runderen voor het brandoffer, en hun juk en de dorsslede kunnen dienen als brandhout. 23Dit alles schenk ik u, mijn heer.’ En hij voegde eraan toe: ‘Moge de HEER, uw God, u goedgezind zijn.’ 24‘Nee,’ antwoordde de koning, ‘ik wil ervoor betalen. Ik ga niet de HEER, mijn God, een brandoffer brengen dat me niets heeft gekost.’ Daarop kocht David de dorsvloer en de runderen voor vijftig sjekel zilver. 25Hij bouwde er een altaar voor de HEER en bracht brandoffers en vredeoffers. Daardoor liet de HEER zich ten gunste van het land vermurwen en werd Israël van de plaag verlost.

2 Samuel 21-24NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons