Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 173 / 2Sam. 13-14, Ps. 142

Bijbeltekst(en)

Amnon en Tamar

1Enige tijd later gebeurde het volgende. Absalom, een zoon van David, had een zus die Tamar heette. Ze was heel mooi. Amnon, de oudste zoon van David, werd verliefd op haar. 2Hij werd bijna ziek van verlangen naar zijn halfzus, die nog niet was uitgehuwelijkt, maar hij zag geen kans om haar te benaderen. 3Nu was Amnon bevriend met zijn neef Jonadab, de zoon van Davids broer Sima, en deze Jonadab was iemand met veel ervaring. 4‘Zeg eens, Amnon,’ vroeg hij aan de koningszoon, ‘waarom ben je toch al dagenlang zo neerslachtig?’ Amnon antwoordde: ‘Omdat ik verliefd ben op Tamar, de zus van mijn broer Absalom.’ 5Jonadab raadde hem aan: ‘Ga op je bed liggen en doe alsof je ziek bent. Wanneer je vader dan naar je komt kijken, moet je tegen hem zeggen: “Kon Tamar maar komen om me te eten te geven. Als zij hier iets versterkends klaarmaakt zodat ik het met eigen ogen kan zien, dan zal ik wel eten.”’ 6Dus ging Amnon op bed liggen en deed hij alsof hij ziek was. Toen de koning naar hem kwam kijken, zei Amnon tegen hem: ‘Kon Tamar maar komen en hier twee hartenkoeken klaarmaken. Als zij ze me aanreikt, zal ik wel eten.’ 7Meteen stuurde David een boodschap naar Tamar: ‘Ga vlug naar Amnon en maak iets versterkends voor hem klaar.’

8Tamar ging naar het huis van haar broer Amnon. Terwijl hij op bed bleef liggen, maakte ze deeg, kneedde het en vormde er onder zijn ogen harten van. Toen ze de hartenkoeken gebakken had, 9zette ze de schaal klaar, maar Amnon weigerde te eten. Hij stuurde alle aanwezigen weg 10en zei toen tegen Tamar: ‘Breng de koeken hier en reik ze me met je eigen handen aan.’ Tamar bracht de hartenkoeken naar het slaapvertrek van haar broer Amnon 11en hield ze hem voor. Maar hij greep haar beet en zei tegen haar: ‘Kom, mijn zusje, kom bij me liggen.’ 12‘Nee, mijn broer, laat dat!’ riep ze. ‘Raak me niet aan! Zoiets schandelijks doet men in Israël toch niet! 13Denk eens aan mij, wat moet er van me worden als ik van mijn eer ben beroofd? En denk eens aan jezelf, heel Israël zal schande van je spreken. Praat toch eerst met de koning, hij zal jou mijn hand heus niet weigeren.’ 14Maar hij wilde niet luisteren naar wat ze zei, en hij overweldigde haar, verkrachtte haar en onteerde haar.

15Meteen welde een diepe haat in Amnon op. Hij haatte haar zelfs meer dan hij haar eerst had liefgehad. ‘Sta op, ga weg!’ beet hij haar toe. 16Tamar riep uit: ‘Dat kun je niet doen! Mij wegsturen is nog erger dan het andere dat je me al hebt aangedaan.’ Maar hij wilde niet naar haar luisteren. 17Hij riep zijn bediende en zei: ‘Laat die vrouw uit mijn ogen verdwijnen. Zet haar het huis uit en doe de deur achter haar op slot.’ 18Tamar droeg een veelkleurig gewaad, zoals huwbare koningsdochters dat als overkleed droegen. Toen Amnons bediende haar op straat had gezet en de deur achter haar had vergrendeld, 19wierp ze stof over haar hoofd en scheurde ze haar veelkleurig kleed. Ze greep naar haar hoofd en liep jammerend naar huis. 20Daar vroeg haar broer Absalom haar: ‘Is Amnon je te na gekomen? Zwijg dan, zusje, hij is je broer; je doet er beter aan het te laten rusten.’ Tamar woonde voortaan in het huis van haar broer Absalom, van het leven afgesneden. 21Toen koning David hoorde wat er gebeurd was, werd hij woedend. 22Absalom sprak er niet met Amnon over, er viel tussen hen geen onvertogen woord, maar hij haatte hem omdat hij zijn zus Tamar had onteerd.

Absaloms wraak

23Twee jaar later nodigde Absalom alle zonen van de koning uit om bij hem in Baäl-Chasor, in de buurt van Efraïm, het schapenscheerdersfeest bij te wonen. 24Hij ging naar de koning en vroeg: ‘Ze zijn bij mij de schapen aan het scheren; mag ik u en de uwen vragen onze gasten te zijn?’ 25De koning antwoordde: ‘Nee, mijn zoon, laten we dat maar niet doen, we zouden je met zijn allen tot last zijn.’ Hoe Absalom ook aandrong, de koning bleef bij zijn weigering en wilde al afscheid nemen. 26Toen zei Absalom: ‘Als u niet wilt komen, laat dan mijn broer Amnon met ons meegaan.’ ‘Waarom dan toch?’ vroeg de koning, 27maar Absalom bleef aandringen, en ten slotte stuurde de koning Amnon en de andere koningszonen met hem mee. 28Toen beval Absalom zijn dienaren: ‘Let op, wanneer Amnon zich de wijn goed heeft laten smaken en ik tegen jullie zeg: “Sla Amnon dood!”, dan moeten jullie hem doden. Jullie hebben niets te vrezen, want ik heb het jullie zelf bevolen. Houd je flink en aarzel niet.’ 29Zodra Absaloms dienaren met Amnon hadden gedaan zoals Absalom bevolen had, schoten alle koningszonen overeind, sprongen op hun muildieren en maakten dat ze wegkwamen.

30Terwijl ze nog onderweg waren, bereikte David het gerucht dat Absalom alle koningszonen had gedood en dat niet één van hen ontkomen was. 31De koning stond op, scheurde zijn kleren en wierp zich op de grond. De hele hofhouding stond met gescheurde kleren om hem heen. 32Toen nam Jonadab, de zoon van Davids broer Sima, het woord en zei: ‘Het is niet waar dat alle jongens, al uw zonen zijn gedood, mijn heer en koning; alleen Amnon is dood. Vanaf de dag dat Amnon zijn zus Tamar had onteerd, beschouwde Absalom het immers als zijn plicht om hem te doden. 33Neem het gerucht dat al uw zonen zijn gedood dus niet ernstig, want alleen Amnon is dood.’ 34Even later meldde de wachtpost die op de uitkijk stond, dat hij in de verte vanuit de bergen een grote menigte zag aankomen. Absalom had inmiddels een veilig heenkomen gezocht. 35Jonadab zei tegen de koning: ‘Ziet u wel, daar komen de koningszonen, wat heb ik u gezegd?’ 36Hij was nog niet uitgesproken of inderdaad, daar kwamen de koningszonen al aan. Ze begonnen luidkeels te jammeren, en ook de koning en alle hovelingen schreeuwden het uit van verdriet. 37Ondertussen vond Absalom een veilig heenkomen bij Talmai, de zoon van Ammichur, de koning van Gesur, terwijl David bleef rouwen over zijn zoon.

Absaloms terugkeer

38Toen Absalom drie jaar in Gesur woonde, waar hij een veilig heenkomen gevonden had, 39vatte koning David het plan op om tegen Absalom ten strijde te trekken, want de rouw over de dood van Amnon was voorbij.

1Het ontging Joab, de zoon van Seruja, niet dat de koning Absalom vijandig gezind was. 2Hij liet uit Tekoa een wijze vrouw komen en zei tegen haar: ‘Doe alsof u in de rouw bent: trek een rouwkleed aan, wrijf u niet in met olie en gedraag u als een vrouw die al vele jaren om een dode treurt. 3Ga dan naar de koning en zeg hem wat ik u nu vertel.’ En hij legde haar woordelijk in de mond wat ze moest zeggen.

4De vrouw uit Tekoa wendde zich tot de koning. Ze knielde, boog diep voorover en zei: ‘Mijn koning, help me alstublieft.’ 5De koning vroeg wat er aan de hand was, en ze vertelde: ‘Ach heer, ik ben een weduwe; mijn man is gestorven. 6Op een keer kregen mijn twee zonen ruzie buiten op het veld, en er was niemand die tussenbeide kwam. Toen heeft de een de ander doodgeslagen. 7Nu is de hele familie tegen mij in het geweer gekomen. Ze zeggen: “Lever die broedermoordenaar aan ons uit, dan zullen we hem ter dood brengen om het leven te vergelden van zijn broer, die hij heeft doodgeslagen. Ook al is hij de stamhouder, we zullen hem doden.” Zo zullen ze het laatste kooltje dat mij rest uitdoven, en dan zal er op aarde niets meer zijn dat nog aan mijn man en zijn naam herinnert.’ 8‘Ga gerust naar huis,’ zei de koning, ‘ik zal zorgen dat het in orde komt.’ 9Maar de vrouw uit Tekoa hield aan: ‘Jawel, maar ik en mijn familie krijgen de schuld, mijn heer en koning; u en uw troon zal men niets verwijten.’ 10Toen zei de koning: ‘Als iemand het er niet mee eens is, verwijst u die maar naar mij; ik zal zorgen dat ze u niet langer lastigvallen.’ 11Maar de vrouw smeekte: ‘Mijn heer en koning, wilt u niet de HEER, uw God, als getuige aanroepen dat er niet door bloedwraak nog meer kwaad wordt aangericht en dat ze mijn zoon niet van het leven beroven?’ En hij zei: ‘Zo waar de HEER leeft, uw zoon zal geen haar worden gekrenkt.’

12Toen zei de vrouw: ‘Als mijn heer en koning mij toestaat, zou ik graag nog iets zeggen.’ ‘Spreek vrijuit,’ antwoordde hij, 13en de vrouw zei: ‘Waarom wilt u dan wel zoiets doen tegen Gods eigen volk? Wanneer u uw balling niet terughaalt, beschuldigt u met deze uitspraak uzelf. 14Sterven zullen we immers allemaal; we zijn als water dat in de aarde wegvloeit wanneer het niet wordt opgevangen. Zou God niet op middelen zinnen en alles in het werk stellen om de balling terug te laten keren? 15Dat ik gekomen ben om u, mijn heer en koning, deze zaak voor te leggen, is omdat de mensen me bang hebben gemaakt. Ik dacht bij mezelf: Laat ik mijn zaak aan de koning voorleggen, wellicht voldoet hij aan mijn verzoek. 16De koning zal me beslist gehoor geven en zorgen dat niemand mij en mijn zoon van Gods grondgebied verdrijft. 17Ik zei bij mezelf: De koning zal het verlossende woord spreken. U bent immers als een engel van God, mijn heer en koning, zoals u het voor en tegen van een zaak tegen elkaar afweegt. Moge de HEER, uw God, u terzijde staan.’

18Hierop zei de koning tegen de vrouw: ‘Nu wil ik u iets vragen, en ik verwacht een eerlijk antwoord.’ ‘Wat wilt u weten, mijn heer en koning?’ vroeg ze, 19en de koning zei: ‘Heeft Joab hier soms de hand in?’ De vrouw antwoordde: ‘Zo waar u leeft, mijn heer en koning, u hebt het bij het rechte eind. Het is inderdaad uw dienaar Joab die me dit heeft opgedragen. Hij heeft me deze woorden in de mond gelegd. 20Dat heeft hij gedaan om u de zaak op een verhulde manier voor te leggen. U bent werkelijk zo wijs als een engel van God, mijn heer en koning, zoals u alles doorziet.’

21De koning zei tegen Joab: ‘Goed dan, ik zal doen waar u op aanstuurt. U kunt mijn zoon Absalom terughalen.’ 22Joab knielde, boog diep voorover en dankte de koning: ‘Nu weet ik zeker, mijn heer en koning, dat u mij goedgezind bent, omdat u het verzoek van uw knecht hebt ingewilligd.’ 23Daarop vertrok hij naar Gesur en haalde Absalom terug naar Jeruzalem. 24Toen zei de koning: ‘Laat hij rechtstreeks naar zijn huis gaan, want ontvangen zal ik hem niet.’ Zo keerde Absalom naar huis terug, maar door de koning werd hij niet ontvangen.

25Nu was er in heel Israël geen man die zo om zijn uiterlijk bewonderd werd als Absalom; van voetzool tot kruin was er niets dat hem ontsierde. 26Wanneer hij zijn hoofdhaar knipte – hij moest het elk jaar afknippen, anders werd het te zwaar – woog dat wel tweehonderd sjekel volgens het koninklijk ijkgewicht. 27Absalom had drie zonen, en ook een dochter, die Tamar heette; zij groeide op tot een mooie vrouw.

28Toen Absalom twee jaar in Jeruzalem woonde zonder dat hij door de koning was ontvangen, 29riep hij Joab bij zich om hem te vragen of hij bij de koning wilde bemiddelen. Maar Joab wilde niet komen. Opnieuw liet hij Joab roepen, en opnieuw weigerde deze. 30Daarop zei hij tegen zijn knechten: ‘Zien jullie die akker van Joab, hiernaast, waar hij gerst heeft staan? Ga erheen en steek de akker in brand.’ De knechten van Absalom deden wat hun was opgedragen. 31Toen kwam Joab naar het huis van Absalom en vroeg hem: ‘Waarom hebben uw knechten mijn akker in brand gestoken?’ 32Absalom antwoordde: ‘Ik heb u laten roepen om u te vragen naar de koning te gaan en hem uit mijn naam te zeggen: “Waarom ben ik eigenlijk uit Gesur teruggekomen? Het was beter geweest als ik daar was gebleven. Ik wil nu dat u mij ontvangt. Als mij iets te verwijten valt, laat me dan ter dood brengen.”’ 33Joab ging naar de koning en vertelde het hem. Toen liet de koning Absalom komen. Hij knielde voor de koning en boog diep voorover, en de koning kuste Absalom.

2 Samuel 13-14NBV21Open in de Bijbel

1Een kunstig lied van David, een gebed toen hij in de spelonk was.

2Luid roep ik tot de HEER,

luid smeek ik de HEER om genade,

3bij Hem stort ik mijn hart uit,

bij Hem klaag ik mijn nood.

4Ik ben ten einde raad,

U kent de weg die ik moet volgen,

U weet dat op mijn pad

een strik verborgen ligt.

5Ik kijk om me heen en zie

niemand die om mij geeft,

nergens een toevlucht voor mij,

niemand die hecht aan mijn leven.

6Ik roep tot U, HEER:

‘U bent mijn schuilplaats,

al wat ik heb in het land der levenden.’

7Hoor mijn noodkreet,

ik ben uitgeput en moe,

verlos mij van mijn vervolgers,

zij zijn sterker dan ik.

8Bevrijd mij uit de kerker,

dat ik uw naam mag loven

in de kring van de rechtvaardigen:

U hebt naar mij omgezien.

Psalmen 142NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.8
Volg ons