Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 164 / 1Sam. 19-20, Ps. 18

Bijbeltekst(en)

Davids vlucht

1Saul maakte aan zijn hovelingen en zijn zoon Jonatan bekend dat hij Davids dood wenste. Maar Jonatan, die zeer op David gesteld was, 2waarschuwde hem: ‘Mijn vader Saul is van plan je te doden. Wees op je hoede morgenochtend, houd je schuil en blijf waar je bent. 3Ik ga dan met mijn vader de stad uit, houd bij jou in de buurt halt en breng het gesprek op jou. Daarna zal ik je laten weten hoe de zaken staan.’ 4Jonatan hield tegen zijn vader Saul een pleidooi voor David. Hij sprak als volgt: ‘Laat de koning zich niet vergrijpen aan zijn dienaar David. Hij heeft u immers niets misdaan. Integendeel, hij heeft u juist grote diensten bewezen. 5Met gevaar voor eigen leven heeft hij de Filistijn verslagen, en de HEER heeft Israël een grote overwinning bezorgd. U hebt het met eigen ogen gezien en was er opgetogen over. Waarom zou u dus onschuldig bloed vergieten door David te doden zonder dat daar aanleiding toe is?’ 6Saul liet zich door Jonatan overreden en zwoer: ‘Zo waar de HEER leeft, hij zal niet worden gedood.’ 7Toen riep Jonatan David en vertelde hem hoe het gesprek verlopen was. Hij bracht David bij Saul en David kwam weer aan het hof wonen, zoals eerst.

8Ondertussen ging de oorlog voort. Weer trok David tegen de Filistijnen ten strijde, bracht hun een grote slag toe en joeg ze op de vlucht. 9En weer werd Saul gekweld door een kwade geest van de HEER. Hij zat thuis, zijn speer in de hand, terwijl David muziek voor hem maakte. 10Weer probeerde hij David met zijn speer aan de muur te spiesen, maar weer kon David hem ontwijken en boorde de speer zich in de muur. David vluchtte weg en zocht nog diezelfde nacht een veilig heenkomen. 11Saul stuurde mannen naar Davids huis om het te bewaken en hem de volgende ochtend te doden. Maar Davids vrouw Michal waarschuwde hem: ‘Breng je vannacht nog in veiligheid, anders is het morgen met je gedaan.’ 12Ze hielp hem uit het venster naar beneden, en hij maakte zich uit de voeten en wist te ontkomen. 13Toen nam Michal het beeld van de huisgod en legde dat in het bed. Om het hoofd vlocht ze wat geitenhaar en ze dekte het beeld toe met een deken. 14Saul stuurde mannen om David gevangen te nemen, maar Michal zei dat hij ziek was. 15Toen stuurde Saul hen opnieuw naar Davids huis om zich er met eigen ogen van te overtuigen dat David er was, en hij droeg hun op: ‘Breng hem hier, desnoods met bed en al, zodat hij ter dood kan worden gebracht.’ 16Toen de mannen binnenkwamen, zagen ze dat er een beeld in bed lag, met een pluk geitenhaar om zijn hoofd. 17‘Waarom heb je mij zo bedrogen?’ vroeg Saul aan Michal. ‘Je hebt mijn aartsvijand helpen ontsnappen!’ ‘Ik moest wel,’ antwoordde Michal. ‘Hij zei tegen me: “Help me ontsnappen, of moet ik je soms doden?”’

18David had zich uit de voeten gemaakt en een veilig heenkomen gezocht. Hij was naar Rama gegaan, naar Samuel, en had hem alles verteld wat Saul hem had aangedaan. Samen gingen ze naar het profetenhuis en namen daar hun intrek. 19Toen Saul hoorde dat David in het profetenhuis in Rama verbleef, 20stuurde hij er mannen naartoe om hem gevangen te nemen. Daar aangekomen zagen ze de hele profetengemeenschap in vervoering, onder toezicht van Samuel. Ook Sauls mannen werden door de geest van God overmand en ook zij raakten in vervoering. 21Toen Saul hiervan hoorde, stuurde hij andere mannen, maar ook die raakten in vervoering. Saul gaf niet op en stuurde een derde groep, maar ook die raakte in vervoering. 22Ten slotte ging hij er zelf op af. Toen hij bij de grote put in Sechu aankwam, vroeg hij: ‘Waar zijn Samuel en David?’ ‘Die zijn in het profetenhuis in Rama,’ luidde het antwoord. 23Saul begaf zich naar Rama en onderweg werd ook hij overmand door de geest van God. De hele weg naar het profetenhuis was hij in vervoering, 24en daar aangekomen trok ook hij zijn kleren uit en raakte buiten zinnen in het bijzijn van Samuel, waarna hij naakt voor hem op de grond viel. Zo bleef hij een hele dag en nacht liggen, en sindsdien zegt men: Hoort Saul nu ook al bij de profeten?

Jonatans verbond met David

1David maakte dat hij uit het profetenhuis in Rama wegkwam. Hij ging naar Jonatan en vroeg hem: ‘Wat heb ik misdaan? Waaraan heb ik me schuldig gemaakt? Wat heb ik je vader aangedaan, dat hij mij wil doden?’ 2‘Er is geen sprake van dat jij moet sterven,’ antwoordde Jonatan. ‘Mijn vader doet immers nooit iets zonder mij in vertrouwen te nemen, al is het nog zo onbelangrijk. Zou hij dan zoiets voor mij verborgen houden? Dat bestaat niet!’ 3Maar David hield vol: ‘Je vader weet heel goed dat jij op me gesteld bent. Daarom denkt hij: Jonatan mag dit niet te weten komen, het zou hem maar verdriet doen. Maar ik zweer je, zo waar de HEER leeft en zo waar jij leeft, Jonatan, ik ben maar één stap van de dood verwijderd.’ 4‘Zeg me wat je wilt, en ik zal het voor je doen,’ zei Jonatan, 5en David antwoordde: ‘Luister, morgen is het nieuwemaan. Eigenlijk zou ik dan met de koning aan de maaltijd moeten aanzitten. Maar als jij me verlof geeft, houd ik me buiten de stad schuil tot het donker is. 6Als je vader mijn afwezigheid opmerkt, moet je zeggen: “David heeft mij dringend gevraagd om te mogen afreizen naar zijn vaderstad Betlehem, waar zijn hele familie bijeen is voor het jaarlijkse offerfeest.” 7Als hij zegt dat het goed is, kan ik gerust zijn, maar als hij boos wordt, dan weet je dat hij vast van plan is om mij kwaad te doen. 8Op jouw aandringen hebben jij en ik elkaar tegenover de HEER trouw gezworen, bewijs me dus alsjeblieft deze vriendendienst: als ik iets heb misdaan, dood jij me dan, maar lever me niet uit aan je vader.’ 9‘Dat nooit!’ riep Jonatan uit. ‘Mocht ik erachter komen dat mijn vader van plan is om je kwaad te doen, dan zal ik het je beslist laten weten.’ 10‘Hoe kom ik te weten of je vader boos gereageerd heeft?’ vroeg David. 11‘Wacht, laten we eerst de stad uit gaan,’ stelde Jonatan voor.

Toen ze samen buiten de stad waren gekomen 12zei Jonatan: ‘Bij de HEER, de God van Israël: morgen of overmorgen om deze tijd zal ik uitzoeken hoe mijn vader over je denkt. Als het er goed voor je uitziet, zal ik een boodschap sturen om het je te laten weten. 13Maar mocht mijn vader zich het in zijn hoofd hebben gezet om je kwaad te doen, dan mag de HEER met mij doen wat Hij wil, als ik je dat niet zou laten weten en er niet voor zou zorgen dat je een veilig heenkomen kunt vinden. Moge de HEER je bijstaan zoals Hij eerst mijn vader bijstond. 14Ik weet wel dat je me zolang als ik leef goed zult behandelen, zoals de HEER dat voorschrijft, maar beloof me dat je ook na mijn dood 15mijn nakomelingen steeds goedgezind blijft, zelfs wanneer de HEER al je vijanden een voor een van de aardbodem wegvaagt.’ 16Jonatan sloot een verbond met het huis van David met de woorden: ‘Moge de HEER je daaraan houden.’ 17Vervolgens liet hij David dit bekrachtigen met een eed op hun vriendschap, want hij had David lief als zijn eigen leven. 18Daarna zei hij: ‘Als je plaats morgen tijdens het nieuwemaansfeest leeg blijft, zal men je zeker missen. 19Overmorgen moet je een flink eind weggaan en je verbergen op dezelfde plek als de vorige keer, bij de Haëzelrots. 20Ik zal drie pijlen op de rots afschieten, alsof ik op een doel mik, 21en die door mijn wapendrager laten ophalen. Als ik tegen hem roep: “Nee, dichterbij!”, neem hem dan mee en kom naar me toe, want zo waar de HEER leeft, dan kun je gerust zijn en is er niets aan de hand. 22Maar als ik roep: “Nee, verderop!”, dan moet je vertrekken, want dan is het de HEER zelf die je wegstuurt. 23En bij alles wat we nu hebben afgesproken, jij en ik, is de HEER onze getuige.’

24David hield zich dus buiten de stad verborgen. Met nieuwemaan zette de koning zich aan het feestmaal. 25Toen de koning ging zitten, op zijn vaste plaats tegen de wand, stond Jonatan op. Abner nam plaats naast Saul; Davids plaats bleef onbezet. 26Saul zei er die dag niets van; hij dacht: Er is vast iets gebeurd waardoor hij onrein geworden is, ja, dat zal het zijn. 27Maar toen Davids plaats de volgende dag, de tweede dag van het nieuwemaansfeest, nog steeds onbezet bleef, vroeg Saul aan zijn zoon Jonatan: ‘Waarom is de zoon van Isaï niet aan de maaltijd verschenen, gisteren niet en vandaag ook niet?’ 28‘David heeft mij dringend verlof gevraagd om naar Betlehem te gaan,’ antwoordde Jonatan. 29‘“Laat me alsjeblieft gaan,” vroeg hij. “Er wordt bij mij thuis in de familiekring een offerfeest gehouden, en mijn broer heeft mij gezegd dat ik moet komen. Wees zo goed mij ongehinderd naar huis te laten gaan, zodat ik mij bij mijn broers kan voegen.” Daarom laat hij zich verontschuldigen bij het feestmaal van de koning.’ 30Woedend barstte Saul tegen Jonatan uit: ‘Hoerenjong! Alsof ik niet weet dat jij de kant van de zoon van Isaï hebt gekozen. Je maakt jezelf te schande, en de moeder bij wie ik je verwekt heb erbij! 31Zolang de zoon van Isaï hier op aarde rondloopt, ben jij je leven en je koningschap niet zeker. Laat hem onmiddellijk halen en breng hem bij me, want hij is ten dode opgeschreven.’ 32‘Maar waarom moet hij sterven?’ vroeg Jonatan. ‘Wat heeft hij misdaan?’ 33Daarop slingerde Saul zijn speer naar Jonatan in een poging om hem te treffen. Toen begreep Jonatan dat zijn vader vastbesloten was om David uit de weg te ruimen. 34Woedend liep hij van tafel weg, zonder dat hij die tweede dag van het nieuwemaansfeest iets gegeten had, want hij maakte zich zorgen om David en was gegriefd omdat zijn vader hem zo beledigd had.

35De volgende morgen ging Jonatan de stad uit om David op de afgesproken plaats te ontmoeten; hij nam een jonge knecht mee. 36‘Zoek snel de pijlen op die ik afschiet,’ beval hij hem. Zodra de jongen wegrende, schoot Jonatan een pijl over hem heen. 37Toen de jongen bij de plek kwam waar de pijl terecht was gekomen, riep Jonatan hem na: ‘Ligt de pijl niet verder weg?’ 38En: ‘Schiet op, blijf daar niet zo staan!’ Jonatans knecht raapte de pijlen bij elkaar en bracht ze terug naar zijn meester. 39Hij wist natuurlijk niet waar het om ging, maar Jonatan en David des te beter. 40Jonatan gaf zijn wapens aan zijn knecht en droeg hem op ze naar de stad terug te brengen. 41Zodra de jongen weg was, kwam David van achter de rotsblokken tevoorschijn, knielde neer en boog driemaal diep voorover. Ze kusten elkaar terwijl hun de tranen over de wangen liepen, tot Jonatan zich vermande 42en zei: ‘Vaarwel. Onthoud wat wij tweeën elkaar bij de naam van de HEER gezworen hebben en dat wij en onze nakomelingen daar voor altijd aan gehouden zijn. De HEER is onze getuige.’

1 Samuel 19-20NBV21Open in de Bijbel

1Voor de koorleider. Van David, de dienaar van de HEER. Hij sprak de woorden van dit lied tot de HEER toen de HEER hem aan de greep van zijn vijanden had ontrukt, ook aan die van Saul. 2Hij zei:

Ik heb U lief, HEER, mijn sterkte,

3HEER, mijn rots, mijn vesting, mijn bevrijder,

God, mijn steenrots, bij U kan ik schuilen,

mijn schild, kracht die mij redt, mijn burcht.

4Ik roep: ‘Geloofd zij de HEER,’

want ik ben van mijn vijanden verlost.

5Mij omsloten de banden van de dood,

de kolkende afgrond joeg mij angst aan,

6de banden van het dodenrijk omklemden mij,

op mijn weg lagen de valstrikken van de dood.

7In mijn nood riep ik tot de HEER,

ik schreeuwde naar mijn God om hulp.

In zijn paleis hoorde Hij mijn stem,

mijn roepen bereikte zijn oren.

8Toen schudde en schokte de aarde,

de bergen trilden op hun grondvesten,

beefden omdat Hij vlamde van woede,

9rook steeg op uit zijn neus,

verterend vuur kwam uit zijn mond,

Hij spuwde hete as.

10Hij schoof de hemel open en daalde af,

duisternis onder zijn voeten,

11Hij besteeg de cherub en vloog,

zwevend op de vleugels van de wind.

12Hij maakte van het donker zijn schuilplaats,

trok een tent om zich heen

van duister water, dichte wolken.

13Een vuurgloed ging voor Hem uit,

wolken joegen voort, hagel en gloeiende as.

14De donder van de HEER klonk aan de hemel,

de Allerhoogste verhief zijn stem:

hagel en gloeiende as.

15Hij schoot zijn pijlen en sloeg de vijanden uiteen,

wierp zijn bliksemschichten en verdreef hen.

16De beddingen van het water werden zichtbaar,

de grondvesten van de wereld kwamen bloot

door uw dreigende blik, HEER,

door de briesende adem uit uw neus.

17Hij bood hulp van omhoog, greep mij vast

en trok mij op uit de woeste wateren,

18ontrukte mij aan mijn machtige vijand,

aan mijn haters, die sterker waren dan ik.

19Op de dag van mijn ondergang vielen zij aan,

maar de HEER was mij tot steun.

20Hij leidde mij weg uit de nood en gaf mij ruimte,

bevrijdde mij, omdat Hij mij liefhad.

21De HEER heeft mijn onschuld vergolden,

mij beloond voor mijn reine handen:

22ik volgde de wegen die de HEER had gewezen

en werd mijn God niet ontrouw,

23zijn voorschriften hield ik voor ogen,

zijn wetten wees ik nooit af.

24Ik was Hem volkomen toegewijd

en hoedde mij steeds voor het kwaad,

25daarom heeft de HEER mijn onschuld beloond,

Hij zag mijn reine handen.

26U bent trouw voor de trouwe,

volmaakt voor de volmaakte,

27zuiver voor de zuivere,

maar voor de sluwe ongrijpbaar.

28U bent de redder van het vertrapte volk,

wie zich hoog wanen, brengt U ten val.

29U bent het die mijn lamp doet schijnen,

U, HEER, mijn God, verlicht mijn duisternis,

30met U storm ik af op een legerbende,

met mijn God spring ik over de hoogste muur.

31Gods weg is volmaakt,

het woord van de HEER is zuiver,

een schild is Hij

voor allen die bij Hem schuilen.

32Wie anders is God dan de HEER,

wie anders een rots dan onze God?

33De God die mij met kracht omgordt,

leidt mij op een volmaakte weg,

34Hij geeft mij voeten snel als hinden,

doet mij op toppen van bergen staan,

35oefent mijn handen voor de strijd –

mijn armen spannen de bronzen boog.

36U was het schild dat mij redde,

uw rechterhand ondersteunde mij,

uw woord maakte mij sterk,

37U baande de weg voor mijn voeten,

ik wankelde niet.

38Ik achtervolgde mijn vijanden, haalde hen in

en keerde niet terug voor ik hen had vernietigd,

39ik verpletterde hen, ze stonden niet meer op,

dood lagen ze onder mijn voeten.

40U hebt mij omgord met kracht voor de strijd,

mijn tegenstanders voor mij doen buigen,

41U liet mij de rug van mijn vijanden zien,

mijn haters, ik roeide ze uit.

42Ze schreeuwden om hulp, maar er was geen redder,

ze riepen de HEER, maar Hij antwoordde niet.

43Ik verpulverde hen tot stof in de wind,

vaagde hen weg als vuil van de straat.

44U bevrijdde mij van een opstandig volk,

stelde mij aan tot hoofd van de naties.

Een volk dat ik niet kende, onderwierp zich,

45gehoorzaamde mij zodra het van mij hoorde.

Vreemdelingen toonden zich onderdanig,

46vreemde volken verloren hun kracht,

bevend kwamen zij uit hun burchten.

47De HEER leeft, geprezen zij mijn rots,

hoogverheven is God, mijn redder.

48De God die mij wraak liet nemen,

dwong volken op de knieën,

49bevrijdde mij van mijn vijanden,

verhief mij boven mijn tegenstanders,

ontrukte mij aan mannen van geweld.

50Daarom wil ik U prijzen te midden van de volken, HEER,

een loflied zingen tot eer van uw naam.

51Hij schenkt zijn koning grote overwinningen,

betoont zich trouw aan zijn gezalfde,

aan David en zijn nageslacht, voor altijd.

Psalmen 18NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.8
Volg ons