Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 160 / 1Sam. 11-12, Ps. 4

Bijbeltekst(en)

Saul komt Jabes te hulp

1Koning Nachas van Ammon trok ten strijde en belegerde Jabes in Gilead. De inwoners van Jabes stelden Nachas het volgende voor: ‘Als u met ons een verdrag sluit, zullen wij ons aan u onderwerpen.’ 2‘Goed,’ antwoordde koning Nachas, ‘op voorwaarde dat ik ieder van jullie het rechteroog uitsteek, ter vernedering van heel Israël.’ 3Toen zeiden de oudsten van Jabes tegen hem: ‘Geef ons zeven dagen de tijd om in heel Israël boden rond te laten gaan. Als niemand ons komt helpen, zullen we naar u toe komen.’ 4Toen de boden van Jabes in Sauls woonplaats Gibea kwamen en vertelden wat er aan de hand was, begon de hele bevolking te weeklagen. 5Saul, die juist met zijn ossen van het land kwam, vroeg waarom de mensen zo van streek waren. Ze vertelden hem wat de mannen uit Jabes hadden gezegd. 6Toen hij dat hoorde, werd hij gegrepen door de geest van God en ontstak hij in hevige woede. 7Hij greep een span ossen en hieuw de dieren aan stukken. Hij gaf de stukken vlees aan de boden mee en liet in heel Israël rondzeggen: ‘Zo zal het de runderen vergaan van ieder die niet met Saul en Samuel ten strijde trekt!’ Beducht voor de HEER trokken de Israëlieten als één man ten strijde. 8In Bezek monsterde Saul de troepen: er waren driehonderdduizend Israëlieten en dertigduizend Judeeërs. 9Aan de boden werd het volgende bericht meegegeven: ‘Zeg tegen de bevolking van Jabes in Gilead dat ze morgen, op het heetst van de dag, zullen worden ontzet.’ De inwoners van Jabes waren zeer opgelucht bij het horen van deze boodschap. 10Tegen Nachas zeiden ze: ‘Morgen komen we naar u toe, dan kunt u met ons doen wat u goeddunkt.’ 11De volgende morgen verdeelde Saul het leger in drie eenheden. Tijdens de morgenwake vielen ze het kamp binnen en tot aan het middaguur leverden ze slag met de Ammonieten. Degenen die het overleefden werden uiteengeslagen, zodat er geen twee man bij elkaar bleven.

12Na afloop zeiden de Israëlieten tegen Samuel: ‘Wie heeft gezegd: “Moet Saul onze koning zijn?” Lever die mannen aan ons uit, dan zullen we ze ter dood brengen.’ 13Maar Saul antwoordde: ‘Vandaag wordt er niemand ter dood gebracht, want vandaag heeft de HEER Israël de overwinning geschonken.’

Samuel spreekt het volk voor het laatst toe

14Samuel riep de Israëlieten op om naar Gilgal te gaan en daar het koningschap plechtig te bevestigen. 15Heel het volk ging naar Gilgal, waar Saul ten overstaan van de HEER als koning werd ingehuldigd. Ze slachtten dieren voor een vredeoffer ter ere van de HEER en Saul vierde uitbundig feest met alle Israëlieten.

1Toen sprak Samuel het volk als volgt toe: ‘Ik heb uw verzoek ingewilligd en gedaan wat u hebt gevraagd: ik heb een koning over u aangesteld. 2Hier is de koning die u voortaan voor zal gaan. Ik ben oud en grijs geworden en mijn zonen staan hier voor u. Zelf ben ik u vanaf mijn vroegste jeugd tot op de dag van vandaag voorgegaan. 3Hier sta ik. Zeg mij nu ten overstaan van de HEER en zijn gezalfde: Heb ik ooit iemand zijn rund afgenomen? Heb ik ooit iemand zijn ezel afgenomen? Heb ik ooit iemand uitgebuit of mishandeld? Heb ik me ooit door iemand laten omkopen om oogluikend iets toe te staan? Mocht dat zo zijn, dan zal ik het u vergoeden.’ 4Maar het volk antwoordde: ‘U hebt ons niet uitgebuit, u hebt ons niet mishandeld en u hebt nooit iets van iemand aangenomen.’ 5Toen zei Samuel: ‘De HEER en zijn gezalfde zijn er vandaag getuige van dat u mij niets te verwijten hebt.’ Het volk antwoordde: ‘Zo is het!’ 6‘Ja,’ vulde Samuel aan, ‘de HEER die Mozes en Aäron heeft aangesteld en uw voorouders uit Egypte heeft geleid. 7En nu wil ik u rekenschap vragen. Sta op, dan houd ik u hier ten overstaan van de HEER de weldaden voor die Hij u en uw voorouders heeft bewezen. 8Toen uw voorouders na Jakobs komst naar Egypte de HEER te hulp riepen, stuurde Hij hun Mozes en Aäron. Zij leidden hen weg uit Egypte en bezorgden hun hier een woonplaats. 9Maar later vergaten uw voorouders de HEER, hun God, en daarom leverde Hij ze uit aan Sisera, de bevelhebber van het leger van Hasor, en aan de Filistijnen en de koning van Moab. Toen die oorlog tegen hen voerden, 10riepen ze de HEER te hulp en zeiden: “We hebben gezondigd! We hebben de HEER de rug toegekeerd om de Baäls en Astartes te vereren. Bevrijd ons uit de greep van onze vijanden, dan zullen we U weer dienen.” 11En de HEER stuurde Jerubbaäl, Bedan, Jefta en mij, Samuel. Zo bevrijdde Hij u uit de greep van de vijanden die u omringden; en u kon hier onbezorgd wonen. 12Maar toen u zag dat koning Nachas van Ammon u aanviel, zei u tegen mij: “Nee, we willen een koning!” En dat terwijl toch de HEER, uw God, uw koning is. 13Welnu, hier is de koning die u gekozen hebt, de koning waar u om hebt gevraagd; de HEER heeft u een koning gegeven. 14Als u de HEER dan maar ontzag en toewijding blijft tonen, Hem blijft gehoorzamen en u niet verzet tegen zijn bevelen! Als u en de koning die over u is aangesteld de HEER, uw God, dan maar trouw blijven. 15Maar als u de HEER niet gehoorzaamt en u tegen zijn bevelen verzet, zal Hij zich tegen u keren, zoals Hij zich ook tegen uw voorouders heeft gekeerd. 16Blijf staan en wees getuige van het wonder dat de HEER voor uw ogen gaat verrichten. 17Het is toch de tijd van de tarweoogst? Ik zal de HEER aanroepen en Hij zal het laten onweren en regenen. Dan zult u eindelijk inzien dat de HEER het volstrekt ontoelaatbaar vindt dat u om een koning hebt gevraagd.’

18Samuel riep de HEER aan, en meteen liet de HEER het onweren en regenen, zodat het volk vervuld werd van angst voor de HEER en Samuel. 19Ze vroegen Samuel: ‘Bid voor ons, uw dienaren, tot de HEER, uw God, dat we niet hoeven te sterven. Want we hebben opnieuw ernstig gezondigd door om een koning te vragen.’ 20‘Ook al hebt u gezondigd,’ antwoordde Samuel, ‘u hoeft niet bang te zijn zolang u de HEER maar trouw blijft en Hem dient met heel uw hart. 21Dwaal niet af om achter iets aan te lopen dat niets oplevert en niet bevrijdt, omdat het niets is. 22Ter wille van zijn grote naam zal de HEER zijn volk immers niet in de steek laten, want Hij heeft zelf besloten om u tot zijn volk te maken. 23En hetzelfde geldt voor mij: ook ik moet niet zondigen tegen de HEER en ik moet zeker niet ophouden voor u te bidden en u het goede en rechte pad te wijzen. 24Dus: heb ontzag voor de HEER en dien Hem oprecht, met heel uw hart. U hebt immers zelf ervaren welke grootse daden Hij voor u heeft verricht. 25Maar als u volhardt in het kwaad, zullen u en uw koning te gronde gaan.’

1 Samuel 11-12NBV21Open in de Bijbel

1Voor de koorleider. Bij snarenspel. Een psalm van David.

2Antwoord mij als ik roep,

God die mij recht doet.

Geef mij ruimte als ik belaagd word,

wees genadig, hoor mijn gebed.

3Machtigen, hoe lang nog maakt u mij te schande,

is de schijn u lief, de leugen uw leidraad? sela

4De HEER schenkt zijn gunst aan wie Hem trouw is,

de HEER luistert als ik tot Hem roep.

5Beef voor Hem en zondig niet,

bezin u in de nacht en zwijg. sela

6Breng de juiste offers,

heb vertrouwen in de HEER.

7Velen zeggen: ‘Wie maakt ons gelukkig?’ –

HEER, laat het licht van uw gelaat over ons schijnen.

8In U vindt mijn hart meer vreugde

dan zij in hun koren en wijn.

9In vrede leg ik mij neer

en meteen slaap ik in,

want U, HEER, laat mij wonen

in een vertrouwd en veilig huis.

Psalmen 4NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.19.1
Volg ons