Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 149 / Recht. 9-10, Ps. 74

Bijbeltekst(en)

1Abimelech, de zoon van Jerubbaäl, ging naar Sichem, waar de familie van zijn moeder woonde, en zei tegen zijn ooms en zijn neven: 2‘Leg de burgers van Sichem de vraag voor wie ze liever als heerser hebben: de zeventig zonen van Jerubbaäl gezamenlijk of één man, die bovendien hun bloedverwant is.’ 3Toen zijn ooms zijn vraag voorlegden aan de burgers van Sichem, spraken die hun voorkeur uit voor Abimelech, met als argument dat hij familie van hen was. 4Ze gaven hem zeventig sjekel uit de tempel van Baäl-Berit. Met dat geld huurde Abimelech een stel gewetenloze schurken. 5Daarmee ging hij naar Ofra, naar het huis van zijn vader, waar hij zijn broers, de zeventig zonen van Jerubbaäl, stuk voor stuk ter dood bracht op een en dezelfde steen. Alleen Jotam, de jongste, wist te ontkomen, want hij had zich verstopt. 6Daarop kwamen de burgers van Sichem en Bet-Millo bij de eik bij het gedenkteken in Sichem bijeen en riepen Abimelech tot koning uit.

7Toen Jotam dit vernam, ging hij de Gerizim op en riep met stemverheffing vanaf de top: ‘Hoor mij aan, burgers van Sichem, en God zal u verhoren! 8Eens gingen de bomen eropuit om een van hen tot koning te zalven. Ze vroegen de olijfboom: “Wilt u onze koning zijn?” 9Maar de olijfboom antwoordde: “Zou ik ophouden mijn olie af te staan, waarmee goden en mensen worden vereerd, om wat te wuiven boven de andere bomen uit?” 10Toen vroegen ze het aan de vijgenboom: “En u, wilt u onze koning zijn?” 11Maar de vijgenboom antwoordde: “Zou ik ophouden mijn zoete vruchten af te staan, om wat te wuiven boven de andere bomen uit?” 12Toen vroegen ze het aan de wijnstok: “En u, wilt u onze koning zijn?” 13Maar de wijnstok antwoordde: “Zou ik ophouden mijn sap af te staan, dat goden en mensen verblijdt, om wat te wuiven boven de andere bomen uit?” 14Ten slotte vroegen de bomen aan de doornstruik: “En u, wilt u onze koning zijn?” 15En de doornstruik antwoordde: “Als u mij werkelijk tot uw koning wilt zalven, kom dan maar hier, in mijn schaduw is het goed toeven. Maar zo niet, dan zal er uit mijn takken een vuur komen dat de ceders van de Libanon zal verteren.” 16Welnu, burgers van Sichem, als u te goeder trouw gehandeld hebt toen u Abimelech tot koning uitriep, als u Jerubbaäl en zijn familie goed hebt behandeld, als u mijn vader naar zijn verdienste hebt beloond 17– hij is immers voor u ten strijde getrokken, hij heeft voor u zijn leven op het spel gezet, hij heeft u bevrijd uit de greep van Midjan, 18maar u bent vandaag tegen mijn familie in opstand gekomen, u hebt de zonen van mijn vader, zeventig man, op een en dezelfde steen ter dood gebracht, u hebt Abimelech, de zoon van zijn slavin, tot uw koning uitgeroepen omdat hij familie van u is –, 19als u kortom vandaag te goeder trouw gehandeld hebt ten opzichte van Jerubbaäl en zijn familie, dan wens ik u veel geluk met Abimelech en hem met u! 20Maar zo niet, dan zal er uit Abimelech een vuur komen dat de burgers van Sichem en Bet-Millo zal verteren, en er zal uit de burgers van Sichem en Bet-Millo een vuur komen dat Abimelech zal verteren.’ 21Daarop nam Jotam de vlucht. Hij week uit naar Beër en bleef daar wonen, buiten bereik van zijn broer Abimelech.

22Drie jaar had Abimelech het in Israël voor het zeggen. 23Toen zaaide God onenigheid tussen Abimelech en de burgers van Sichem, zodat de burgers van Sichem hun belofte van trouw aan Abimelech braken. 24Dat was om de gewelddadige dood van de zeventig zonen van Jerubbaäl te wreken op hun broer Abimelech, die hen had vermoord, en op de burgers van Sichem, die hem daarbij hadden geholpen. 25Om Abimelech te benadelen, lieten de burgers van Sichem een groep mannen zich hoog in de bergen verdekt opstellen; vanuit hun hinderlaag beroofden die iedereen die daarlangs kwam. Dit kwam Abimelech ter ore.

26In diezelfde tijd kwam Gaäl, de zoon van Ebed, met zijn verwanten in Sichem aan, en de burgers van Sichem schonken hem hun vertrouwen. 27Ze gingen weer naar hun wijngaarden, plukten de druiven en persten die uit. Daarna hielden ze een oogstfeest, en tijdens het feestmaal in de tempel van hun god begonnen ze Abimelech te beschimpen. 28Gaäl zei: ‘Wie is die Abimelech eigenlijk? Waarom zou een stad als Sichem onderworpen zijn aan de zoon van Jerubbaäl en Zebul, zijn gevolmachtigde? Zouden wij er niet beter aan doen de nakomelingen van Chamor, de vader van Sichem, te dienen? 29Als ik het hier voor het zeggen had, zou ik Abimelech afzetten. Ik zou tegen hem zeggen: “Kom maar op met je leger, hoe groot het ook is!”’ 30Zebul, de stadscommandant van Sichem, werd woedend bij het horen van deze woorden. 31Heimelijk stuurde hij boden naar Abimelech om hem te zeggen: ‘Gaäl, de zoon van Ebed, is met zijn verwanten naar Sichem gekomen, en nu stoken zij de stad tegen u op! 32Kom daarom vannacht nog met uw leger hierheen en stel u verdekt op in het veld. 33Doe morgen bij zonsopgang een aanval op de stad. Als hij dan met zijn manschappen een uitval naar u doet, kunt u uw kans grijpen.’ 34Diezelfde nacht betrok Abimelech met zijn leger vier verdekte stellingen in de buurt van Sichem. 35Toen Gaäl de volgende morgen in de stadspoort verscheen, kwamen Abimelech en zijn soldaten uit hun stellingen tevoorschijn. 36Gaäl zag hen en zei tegen Zebul: ‘Kijk, daar komt een leger aan vanuit de bergen.’ Zebul antwoordde: ‘Dat is de schaduw van de bergen, die u voor een mensenmassa aanziet.’ 37Maar Gaäl hield vol: ‘Nee, kijk maar, er komt een leger aanzetten vanaf de berg in het midden van het land, en daarginds komt nog een eenheid aan van de kant van de Waarzeggerseik.’ 38Toen zei Zebul tegen hem: ‘U moest toch zo nodig zeggen: “Wie is die Abimelech eigenlijk, dat wij aan hem onderworpen zouden zijn?” Hier is het leger waarover u zo laatdunkend hebt gesproken. Vooruit, bind nu de strijd maar met hem aan!’ 39Gaäl rukte uit aan het hoofd van de burgers van Sichem en bond de strijd aan met Abimelech. 40Abimelech sloeg hem terug en joeg hem op de vlucht. Het slagveld was tot aan de stadspoort toe met lijken bezaaid. 41Abimelech woonde in Aruma; Gaäl en zijn verwanten werden door Zebul uit Sichem verbannen.

42De volgende dag gingen de inwoners van Sichem weer aan het werk op het land. Toen Abimelech hiervan op de hoogte werd gesteld, 43verdeelde hij zijn leger in drie groepen en stelde zich verdekt op in het veld. Zodra hij de mensen de stad uit zag komen, overviel hij hen. 44Terwijl Abimelech met zijn groep een aanval op de stadspoort deed en die bezette, overweldigden de twee andere groepen de mensen op het land. 45Na een dag van strijd nam Abimelech de stad in. Hij doodde er iedereen, maakte de stad met de grond gelijk en bestrooide de resten met zout. 46Toen de inwoners van Migdal-Sichem dit vernamen, trokken zij zich terug in de gewelven onder de tempel van El-Berit. 47Abimelech werd ervan op de hoogte gesteld dat de inwoners van Migdal-Sichem zich hadden verschanst. 48Hij ging met al zijn manschappen de Salmon op. Daar kapte hij met zijn bijl wat kreupelhout, legde de takken op zijn schouder en gaf zijn soldaten bevel vlug zijn voorbeeld te volgen. 49Ook de soldaten kapten allemaal een bos takken en volgden Abimelech terug naar beneden. Ze plaatsten hun takkenbossen bij de ingang van de gewelven en staken die in brand, zodat de mensen daarbinnen in de vlammen omkwamen. Zo vonden ook alle inwoners van Migdal-Sichem de dood, ongeveer duizend mannen en vrouwen.

50Enige tijd later trok Abimelech op tegen Tebes. Hij belegerde de stad en nam haar in. 51In het midden van de stad stond een versterkte toren, en daarin namen de burgers van de stad hun toevlucht, zowel mannen als vrouwen. Ze vergrendelden de poort en klommen naar het dak. 52Abimelech bestookte de toren van dichtbij. Toen hij de poort naderde om de toren in brand te steken, 53gooide een vrouw een maalsteen op zijn hoofd, waardoor zijn schedel werd verbrijzeld. 54Hij kon nog net zijn wapendrager roepen en vragen: ‘Trek je zwaard en dood mij, zodat er niet van mij gezegd zal worden: “Een vrouw heeft hem gedood.”’ Zijn wapendrager doorstak hem, en hij stierf. 55Toen het leger van Israël zag dat Abimelech dood was, keerden de soldaten naar huis terug.

56Zo vergold God Abimelech het kwaad dat hij tegen zijn vader had begaan door zijn zeventig broers te doden, 57en liet Hij ook het kwaad van de burgers van Sichem op hun eigen hoofd neerkomen. Zo werd de vloek van Jotam, de zoon van Jerubbaäl, aan hen voltrokken.

Tola en Jaïr

1Na Abimelech kwam Tola, die optrad als bevrijder van Israël. Hij was een zoon van Pua, de zoon van Dodo, en behoorde tot de stam Issachar. Maar hij woonde in Samir, in het bergland van Efraïm. 2Drieëntwintig jaar leidde hij Israël als rechter. Toen stierf hij en werd begraven in Samir.

3Na hem kwam Jaïr uit Gilead. Tweeëntwintig jaar leidde hij Israël als rechter. 4Hij had dertig zonen, die allemaal een ezelshengst als rijdier hadden en aan het hoofd van een nederzetting stonden. Tot op de dag van vandaag worden deze dorpen in Gilead de Dorpen van Jaïr genoemd. 5Na zijn dood werd Jaïr begraven in Kamon.

Jefta als leider aangezocht

6Weer deden de Israëlieten wat slecht is in de ogen van de HEER: weer begonnen ze de Baäls en Astartes te vereren, en ook de goden van Aram, Sidon en Moab en de goden van de Ammonieten en de Filistijnen. Ze keerden de HEER de rug toe en dienden Hem niet meer. 7De HEER ontstak in woede en leverde hen uit aan de Filistijnen en de Ammonieten. 8Nog datzelfde jaar begonnen zij Israël te knechten en te knevelen: achttien jaar lang onderdrukten ze de Israëlieten die aan de overkant van de Jordaan woonden, in Gilead, het gebied dat ooit aan de Amorieten had toebehoord. 9Uiteindelijk staken de Ammonieten zelfs de Jordaan over om de strijd aan te binden met Juda, Benjamin en Efraïm. De Israëlieten kregen het zo zwaar te verduren 10dat ze de HEER te hulp riepen en zeiden: ‘We hebben tegen U, onze God, gezondigd door U de rug toe te keren en de Baäls te dienen.’ 11De HEER antwoordde: ‘Ik heb jullie vaak genoeg gered: van de Egyptenaren en de Amorieten, en van de Ammonieten en de Filistijnen. 12Ook toen jullie onderdrukt werden door de Sidoniërs, de Amalekieten en de Maonieten hebben jullie Mij te hulp geroepen en heb Ik jullie uit hun greep bevrijd. 13Maar telkens keren jullie Mij weer de rug toe om andere goden te dienen. Daarom bevrijd Ik jullie niet meer. 14Roep die goden maar te hulp aan wie jullie de voorkeur hebben gegeven. Laten zij jullie maar redden in deze tijd van nood!’ 15Toen zeiden de Israëlieten tegen de HEER: ‘Wij hebben gezondigd. Doe met ons wat U goeddunkt, alleen, bevrijd ons nog deze ene keer.’ 16En ze deden de vreemde goden weg en dienden de HEER. Toen kon de HEER niet langer aanzien hoe moeilijk Israël het had.

17De Ammonieten brachten een leger op de been en sloegen hun kamp op in Gilead. De Israëlieten verzamelden zich en sloegen hun kamp op in Mispa. 18De leiders van Gilead zeiden tegen elkaar: ‘Degene die als eerste de strijd durft aan te binden met de Ammonieten, komt aan het hoofd te staan van heel Gilead.’

Rechters 9-10NBV21Open in de Bijbel

1Een kunstig lied van Asaf.

Waarom, God, hebt U ons voor altijd verstoten,

brandt uw woede tegen de schapen die U hoedt?

2Denk aan het volk dat U ooit hebt verworven,

de stam die U hebt vrijgekocht, uw eigen bezit,

de Sionsberg waar U ging wonen.

3Kom naar de stad die voor altijd in puin ligt,

de vijand liet niets van het heiligdom heel.

4In het hart van uw huis brulden uw tegenstanders,

zij zetten er hun zegetekens neer.

5Zoals met kapmessen wordt ingehakt

op struikgewas en kreupelhout,

6zo sloegen zij met bijl en breekijzer

al het snijwerk kort en klein.

7Ze hebben uw heiligdom in de as gelegd,

de plaats waar uw naam woont, verwoest en ontwijd.

8‘We vagen alles weg,’ zeiden ze,

en alle godshuizen in het land hebben zij verbrand.

9Een gunstig teken zien wij niet, niet één profeet meer,

en geen van ons weet voor hoe lang.

10Hoe lang nog, God, zal de tegenstander U bespotten?

Zal de vijand uw naam voor altijd beschimpen?

11Waarom houdt uw hand zich in bedwang?

Hef uw machtige hand en sla toe,

12God, mijn koning van oudsher,

die verlossing brengt in het hart van het land!

13U hebt door uw kracht de zee gespleten

en de koppen van monsters op het water verpletterd,

14U hebt de schedels van Leviatan verbrijzeld,

hem als voedsel gegeven aan de dieren in de woestijn,

15U hebt bronnen en beken laten ontspringen,

altijd stromende rivieren drooggelegd.

16Van U is de dag, van U is de nacht,

U hebt maan en zon een vaste plaats gegeven,

17U hebt de grenzen van de aarde bepaald,

zomer en winter, U hebt ze gevormd.

18Bedenk, HEER, hoe de vijand U bespot

en dwazen uw naam beschimpen.

19Geef uw duifje niet prijs aan de wilde dieren,

vergeet uw vernederd volk niet voorgoed.

20Houd uw verbond voor ogen – vol is het land

met duistere oorden, holen van geweld.

21Laat verdrukten niet teleurgesteld heengaan,

laat zwakken en armen uw naam loven.

22Sta op, God, verdedig uw zaak,

bedenk dat dwazen U dag na dag bespotten,

23vergeet het razen van uw tegenstanders niet,

het tieren van uw vijanden, het klinkt voortdurend op.

Psalmen 74NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.8
Volg ons