Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 147 / Recht. 4-5, Ps. 71

Bijbeltekst(en)

Debora en Barak

1Na de dood van Ehud deden de Israëlieten weer wat slecht is in de ogen van de HEER. 2Daarom leverde de HEER hen uit aan koning Jabin van Kanaän, die regeerde in Hasor. De bevelhebber van diens leger heette Sisera; hij had zijn legerkamp in Charoset-Haggojim. 3Jabin beschikte over negenhonderd ijzeren strijdwagens en heerste met harde hand over Israël, wel twintig jaar lang. Daarom riepen de Israëlieten de HEER te hulp.

4In die tijd was de profetes Debora degene die Israël als rechter leidde; zij was de vrouw van Lappidot. 5Ze hield zitting onder de Deborapalm tussen Rama en Betel, in het bergland van Efraïm, en daar kwamen de Israëlieten haar hun rechtsgeschillen voorleggen. 6Debora liet Barak, de zoon van Abinoam, afkomstig uit Kedes in Naftali, bij zich komen en zei tegen hem: ‘De HEER, de God van Israël, gebiedt u: “Trek met tienduizend man uit de stammen Naftali en Zebulon op naar de Tabor. 7Dan zal Ik Jabins bevelhebber Sisera met al zijn strijdwagens en soldaten laten optrekken tot in het dal van de Kison en hem aan je uitleveren.”’ 8‘Als u meegaat, zal ik gaan,’ antwoordde Barak, ‘maar als u niet meegaat, ga ik niet.’ 9‘Goed,’ zei Debora, ‘ik zal met u meegaan. Maar let wel, u zult geen eer behalen aan deze veldtocht, want de HEER zal Sisera uitleveren aan een vrouw.’ Zo besloot Debora met Barak mee te gaan naar Kedes. 10Barak riep de mannen van Zebulon en Naftali onder de wapenen in Kedes en trok op aan het hoofd van tienduizend man. Debora ging met hem mee.

11In de buurt van Kedes had een zekere Cheber zijn tenten opgeslagen bij de eik in Saänannim. Deze Cheber was een Keniet die zich had afgescheiden van zijn stamgenoten, nakomelingen van Mozes’ schoonvader Chobab.

12Sisera kreeg bericht dat Barak de Tabor op gegaan was. 13Daarom riep hij zijn soldaten onder de wapenen en trok met al zijn negenhonderd ijzeren strijdwagens en zijn hele leger vanuit Charoset-Haggojim op naar het dal van de Kison. 14Debora spoorde Barak aan: ‘Vooruit! Vandaag levert de HEER Sisera aan u uit. Hij zal voor u uit gaan.’ Toen kwam Barak de Tabor af met tienduizend man achter zich aan. 15Op het moment dat de manschappen van Sisera Barak zagen verschijnen, zaaide de HEER paniek onder hen en ontstond er grote verwarring. Sisera sprong van zijn wagen en maakte zich uit de voeten. 16Barak achtervolgde de strijdwagens en de soldaten tot in Charoset-Haggojim. Alle soldaten van Sisera sneuvelden; niet een bleef er in leven.

17Sisera vluchtte te voet naar de tent van Jaël, de vrouw van de Keniet Cheber, want hij wist dat de familie van Cheber op goede voet stond met koning Jabin van Hasor. 18Jaël kwam hem tegemoet en zei: ‘Kom binnen, heer, kom binnen. Wees niet bang.’ Hij ging bij haar de tent binnen en zij verborg hem onder een deken. 19‘Geef me wat water te drinken,’ vroeg hij, ‘ik heb zo’n dorst.’ Jaël opende een melkzak, gaf hem te drinken en dekte hem weer toe. 20Toen zei hij: ‘Ga in de tentopening staan. Als er dan iemand komt vragen of er een man bij u is, moet u zeggen: “Nee, er is hier niemand.”’ 21Jaël nam een tentpin en een hamer en sloop de tent binnen. Ze sloeg, terwijl hij daar uitgeput in slaap lag, de tentpin dwars door zijn hoofd de grond in, zodat hij stierf. 22Op dat moment kwam Barak eraan, op jacht naar Sisera. Jaël ging hem tegemoet en zei: ‘Kom, ik zal u de man laten zien die u zoekt.’ Barak ging met haar naar binnen – en daar lag Sisera, dood, met de tentpin door zijn hoofd.

23Zo bracht God koning Jabin van Kanaän in zijn strijd met de Israëlieten een zware nederlaag toe. 24Daarna wist Israël koning Jabin steeds verder terug te dringen, totdat ze hem hadden vernietigd.

1Die dag zongen Debora en Barak, de zoon van Abinoam, dit lied:

2‘Loof de HEER, omdat Israël zijn haren dreigend loswierp,

loof de HEER, omdat Israël zich meldde voor de strijd.

3Koningen en vorsten, luister en hoor toe hoe ik de HEER bezing,

een lied zing voor de HEER, de God van Israël.

4HEER, de aarde beefde toen U voortschreed vanuit Seïr;

toen U optrok vanuit Edom stortte water uit de hemel en de wolken neer.

5Voor de HEER die verscheen op de Sinai, wankelden de bergen,

voor U, HEER, U, de God van Israël.

6Onder Samgar, de zoon van Anat, in de tijd van Jaël,

begaf geen karavaan zich nog op weg.

Wie toch op reis moest, nam de kronkelpaden.

7Aanvoerders ontbraken, het land kende geen leiding

totdat jij, Debora, Israël leidde als een moeder.

8Verkoos men andere goden, dan stond de vijand voor de poorten;

ons leger telde veertigduizend man, maar van schild of speer geen spoor.

9Loof de HEER!

Ik dank hen die niet aarzelden de strijders aan te voeren.

10Reizigers, gezeten op gezadelde ezelinnen,

en ook jullie die te voet moeten gaan,

11overstem met je verhalen het geklets bij de bronnen

en laat ieder bij het drenken zingen van de HEER die overwon,

van de overwinning door zijn aanvoerders voor Israël behaald.

Daar trok het volk van de HEER ten strijde, voorwaarts vanuit de steden.

12Ga voorop, Debora, vuur ons aan en zing een lied!

Barak, val aan! Grijp de vijand, jij zoon van Abinoam!

13Daar trok wie ontkomen was mee met de aanvoerders,

het volk van de HEER kwam naar mij, met zijn helden.

14Uit Efraïm kwamen zij die in Amalek wonen,

ze voegden zich bij jou en je verwanten, Benjamin.

Uit Machir kwamen aanvoerders, uit Zebulon de leiders van het leger.

15Uit Issachar sloten de vorsten zich bij Debora aan.

Na Issachar kwam Barak; hij ging het volk voor in de vlakte.

Maar de stam Ruben bleef steeds maar overleggen.

16Wat hield je bij je schaapskooi en het fluitspel van je herders?

Ruben bleef maar overleggen,

17Gilead kwam de Jordaan niet over, Dan bleef bij zijn schepen,

Aser bleef aan zee en verliet zijn havens niet,

18maar Zebulon en Naftali waagden hun leven op de heuvels.

19Daar kwamen de koningen, de stadsvorsten van Kanaän.

Zij streden bij Taänach, bij Megiddo, aan de oever van de stroom,

maar er viel voor hen geen zilver buit te maken.

20De sterren aan de hemel streden mee tegen de vijand,

zij hadden in hun baan zich tegen Sisera gekeerd.

21Vorsten werden meegesleurd door het water van de Kison,

de Kison, die aloude en snelstromende rivier.

Ga voort, mijn ziel, ga voort!

22Dreunend klonk de hoefslag van zijn wegstormende paarden,

van zijn schitterende paarden, in onstuimige galop.

23Vervloekt zij Meroz, dat de HEER geen hulp bood,

vervloekt – zo spreekt de engel van de HEER –,

vervloekt zijn inwoners, zij sloten zich niet bij de helden aan.

24Gezegend zij Jaël, boven alle vrouwen,

Jaël, de vrouw van Cheber, de Keniet.

Was ooit een tent gezegend met een vrouw als zij?

25Sisera vroeg om water en zij gaf hem melk te drinken,

room bracht ze hem te drinken, in een rijk versierde schaal.

26Met één hand vatte ze een tentpin, met de andere een hamer.

Ze dreef de tentpin door zijn slaap, spleet met een hamerslag zijn hoofd.

27Aan haar voeten viel hij neer, bezweek hij en bleef liggen.

Aan haar voeten bezweek hij, daar viel hij neer.

Waar hij bezweek, daar bleef hij liggen, verpletterend verslagen.

28Aan haar venster stond zijn moeder, ze tuurde en ze klaagde:

“Waar blijft zijn wagen toch? Klinkt het geratel van de wielen al?”

29De wijste van haar vrouwen gaf haar antwoord

en zei haar wat zij zelf reeds had bedacht:

30“Wellicht zijn ze nog bezig om hun schatten te verdelen:

elke man een meisje, of misschien wel twee.

En voor Sisera gekleurde stoffen met borduursel,

stoffen met borduursel waarmee hij zijn schatjes tooit.”

31HEER, laat zo al uw vijanden ten onder gaan,

en maak wie U liefhebben onstuitbaar als de opgaande zon.’

Veertig jaar had het land rust.

Rechters 4-5NBV21Open in de Bijbel

1Bij U, HEER, schuil ik,

maak mij nooit te schande,

2red en bevrijd mij, doe mij recht,

hoor mij en kom mij te hulp.

3Wees de rots waarop ik kan wonen,

waar ik altijd heen kan gaan.

U hebt mijn redding bevolen,

mijn rots en mijn burcht, dat bent U.

4Mijn God, bevrijd mij uit de hand van schurken,

uit de greep van wrede onderdrukkers.

5U bent mijn enige hoop,

HEER, mijn God,

van jongs af vertrouw ik op U.

6Al vanaf mijn geboorte steun ik op U,

al in de moederschoot was U het die mij droeg,

U wil ik altijd loven.

7Voor velen ben ik een teken:

U bent mijn veilige schuilplaats.

8Heel de dag is mijn mond

vervuld van uw lof en uw luister.

9Verstoot mij niet nu ik oud word,

verlaat mij niet nu mijn kracht bezwijkt.

10Mijn vijanden spreken over mij,

ze loeren op mij en spannen samen,

11ze zeggen: ‘God heeft hem verlaten,

jaag hem op, grijp hem, niemand die hem redt.’

12God, blijf niet ver van mij,

mijn God, kom mij haastig te hulp,

13laat mijn tegenstanders van schaamte bezwijken,

wie mijn ongeluk zoeken, met schande worden bedekt.

14Ik blijf naar U uitzien, altijd,

U lof brengen, meer en meer.

15Mijn mond verhaalt van uw gerechtigheid,

van uw reddende daden, dag aan dag,

hun aantal kan ik niet tellen.

16Spreken zal ik over uw macht, HEER, mijn God,

de rechtvaardigheid roemen van U alleen.

17God, U onderwees mij van jongs af aan,

en steeds nog vertel ik uw wonderen.

18Nu ik oud en grijs ben,

verlaat mij niet, o God,

zodat ik het nageslacht, elk nieuw kind,

kan verhalen van de macht van uw arm.

19Uw gerechtigheid rijst hoog op, o God,

U hebt grootse daden verricht.

God, wie is aan U gelijk?

20U hebt mij doen zien

veel ellende en nood –

laat mij nu herleven,

laat mij herrijzen

uit de diepten van de aarde.

21Verhoog mij in aanzien,

omgeef mij met uw troost.

22Dan zal ik U loven bij het spel op de harp,

U en uw trouw, mijn God.

Ik zal voor U zingen bij de lier,

Heilige van Israël.

23Mijn lippen zullen juichen wanneer ik voor U zing,

ik zal jubelen omdat U mij hebt verlost.

24Mijn tong zal heel de dag van uw gerechtigheid spreken.

Wie mijn ongeluk zoekt, zal te schande staan.

Psalmen 71NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.8
Volg ons