Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 134 / Joz. 9-11, Ps. 64

Bijbeltekst(en)

List van de Chiwwieten uit Gibeon

1-2Toen de koningen ten westen van de Jordaan – die van het bergland, het heuvelland en het hele kustgebied bij de Grote Zee, tot aan de Libanon toe – van Israëls veroveringen hoorden, sloten ze een bondgenootschap. Zij, de koningen van de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten, besloten gezamenlijk tegen Jozua en Israël te strijden.

3Maar toen de Chiwwieten uit Gibeon te weten kwamen wat Jozua met Jericho en Ai had gedaan, 4namen die hun toevlucht tot een list: een aantal van hen ging naar Jozua onder de dekmantel van een gezantschap. Ze bepakten hun ezels met versleten zadeltassen en oude, gebarsten wijnzakken 5en trokken opgelapte sandalen en afgedragen kleren aan. Als proviand namen ze alleen uitgedroogd en verkruimeld brood mee. 6Zo gingen ze naar het kamp bij Gilgal, naar Jozua. Ze zeiden tegen hem en de Israëlieten: ‘We komen uit een ver land en willen een vredesverdrag met u sluiten.’ 7‘Dat kunnen we niet zomaar doen,’ antwoordden de Israëlieten. ‘Misschien woont u wel in dit gebied, hoe kunnen wij dan een verdrag met u sluiten?’ 8Hierop wendden de Chiwwieten zich tot Jozua. ‘We zijn bereid ons aan u te onderwerpen,’ zeiden ze. Jozua vroeg: ‘Wie bent u en waar komt u vandaan?’ 9‘Uw dienaren komen uit een zeer ver land,’ antwoordden ze. ‘De naam van de HEER, uw God, heeft ons hier gebracht, want zijn roem is tot bij ons doorgedrongen. We hebben gehoord wat Hij allemaal in Egypte heeft gedaan, 10en ook wat Hij met de twee Amoritische koningen ten oosten van de Jordaan heeft gedaan: koning Sichon van Chesbon en koning Og van Basan, die in Astarot zetelde. 11Onze oudsten en alle inwoners van ons land zeiden ons daarom proviand in te slaan en naar u op reis te gaan. Bij u aangekomen moesten we u onze onderwerping aanbieden en u vragen een vredesverdrag met ons te sluiten. 12Kijk, dit is ons brood. We hebben het op de dag van ons vertrek als verse proviand van huis meegenomen, maar nu is het uitgedroogd en verkruimeld. 13En kijkt u eens naar deze wijnzakken: ze waren nieuw toen we ze vulden, maar nu zijn ze gebarsten. En dit zijn onze kleren en sandalen: u ziet dat ze op onze lange tocht helemaal versleten zijn.’ 14De stamhoofden van Israël namen toen wat van de proviand aan, maar ze verzuimden de HEER om raad te vragen. 15Jozua sloot een vredesverdrag met hen en beloofde hun dat hun leven zou worden gespaard. De stamhoofden bekrachtigden dit met een eed.

16Maar drie dagen na het sluiten van dit verdrag ontdekten ze dat de Chiwwieten niet ver weg maar juist dichtbij woonden. 17De Israëlieten waren namelijk verder getrokken en al na drie dagen bij hun steden gekomen: Gibeon, Kefira, Beërot en Kirjat-Jearim. 18Maar ze doodden hen niet, want dat hadden de stamhoofden hun bij de HEER, de God van Israël, gezworen. De hele volksvergadering beklaagde zich hierover bij de stamhoofden, 19maar die zeiden: ‘We hebben het hun gezworen bij de HEER, de God van Israël, dus we kunnen ze niets doen. 20We kunnen niet anders dan hen in leven laten, anders roepen we de woede van de HEER over ons af omdat we onze eed hebben geschonden. 21Ze moeten dus in leven blijven. Maar,’ voegden de stamhoofden hieraan toe, ‘we kunnen ze voortaan voor heel Israël hout laten hakken en water laten putten.’ Aldus werd besloten. 22Jozua liet de Chiwwieten bij zich roepen en vroeg hun: ‘Waarom hebt u ons bedrogen door te zeggen dat uw woonplaats heel ver van ons vandaan is, terwijl u in dit gebied woont? 23Vervloekt bent u! U zult voor altijd onze slaven zijn, houthakkers en waterputters voor het heiligdom van mijn God.’ 24De Chiwwieten antwoordden Jozua: ‘We hoorden meer dan eens dat de HEER, uw God, zijn dienaar Mozes had opgedragen u het hele land in bezit te geven en alle inwoners uit te roeien. We vreesden voor ons leven, daarom hebben we het gedaan. 25Maar nu zijn we in uw macht. Doe met uw dienaren wat naar uw oordeel goed en rechtvaardig is.’ 26En Jozua deed dat. Hij nam hen in bescherming tegen de Israëlieten: hij doodde hen niet, 27maar verplichtte hen vanaf die dag om hout te hakken en water te putten voor het volk en voor het altaar van de HEER, dat op een plaats zou komen die de HEER zou kiezen. Dit doen ze tot op de dag van vandaag.

Slag bij Gibeon

1Toen Adonisedek, de koning van Jeruzalem, hoorde dat Jozua Ai had ingenomen en alle inwoners had gedood, dat hij met Ai en de koning van die stad hetzelfde had gedaan als met Jericho en zijn koning, en dat de inwoners van Gibeon een vredesverdrag met Israël hadden gesloten en in hun midden woonden, 2toen werden hij en zijn volk doodsbang. Gibeon was namelijk even groot als de koningssteden, zelfs nog groter dan Ai, en de mannen die er woonden waren buitengewoon dapper. 3Adonisedek stuurde boden naar koning Hoham van Hebron, koning Piram van Jarmut, koning Jafia van Lachis en koning Debir van Eglon. Hij vroeg hun: 4‘De inwoners van Gibeon hebben een vredesverdrag met Jozua en Israël gesloten. Kom me te hulp, dan kunnen we ze samen verslaan.’ 5De vijf Amoritische koningen sloten zich aaneen. Zij, de koningen van Jeruzalem, Hebron, Jarmut, Lachis en Eglon, trokken met hun legers ten strijde tegen Gibeon, sloegen het beleg voor de stad en voerden er aanvallen op uit. 6De inwoners van Gibeon stuurden toen een bode naar het kamp bij Gilgal. Ze smeekten Jozua: ‘Laat ons niet in de steek, kom snel naar ons toe om ons te helpen. Red ons, want de Amoritische koningen uit de bergen hebben zich allemaal tegen ons aaneengesloten.’

7Hierop trok Jozua met al het krijgsvolk, alle weerbare mannen, vanuit Gilgal ten strijde. 8De HEER zei tegen hem: ‘Je hoeft voor die koningen niet bang te zijn, want Ik lever ze aan je uit. Geen van hen zal tegen je kunnen standhouden.’ 9Jozua trok in de nacht op vanuit Gilgal en overviel de vijand bij verrassing. 10Toen de soldaten van de vijand de Israëlieten zagen naderen, zaaide de HEER paniek in hun gelederen, zodat de Israëlieten hun bij Gibeon een zware nederlaag konden toebrengen. Ze achtervolgden hen tot over de pas van Bet-Choron en dreven hen terug tot aan Azeka en Makkeda. 11En terwijl hun vijanden langs de helling bij Bet-Choron omlaag vluchtten, wierp de HEER vanuit de hemel grote hagelstenen op hen, tot aan Azeka toe. Er stierven meer soldaten door die hagelstenen dan door de zwaarden van de Israëlieten. 12Want op die dag, de dag dat de HEER de Amorieten aan Israël overleverde, had Jozua gebeden tot de HEER. In aanwezigheid van Israël sprak hij:

‘Zon, sta stil boven Gibeon,

maan, blijf staan boven de vlakte van Ajjalon.’

13En de zon stond stil

en de maan bleef staan,

tot Israël zijn vijanden had afgestraft.

Dit staat opgetekend in het Boek van de oprechte. De zon stond een volle dag stil aan het hoogste punt van de hemel zonder zich te haasten om onder te gaan. 14Het is voor noch na die dag ooit voorgekomen dat de HEER op die manier gehoor gaf aan het gebed van een mens, maar de HEER streed dan ook voor Israël. 15Na deze overwinning keerde Jozua met heel Israël terug naar het kamp bij Gilgal.

16De vijf koningen waren gevlucht en hadden zich in een grot bij Makkeda verscholen. 17Toen Jozua hoorde dat ze daar waren ontdekt, 18gaf hij bevel de grot met grote stenen af te sluiten en er een wachtpost bij te zetten. 19‘Maar het leger mag hier niet blijven,’ zei hij. ‘Ga de vijand achterna en vernietig wat er nog van over is. Laat ze niet ontkomen naar hun steden nu de HEER, jullie God, ze aan jullie heeft overgeleverd.’ 20-21En het leger van Israël keerde pas terug naar Jozua, naar het kamp bij Makkeda, nadat het de vijand vernietigend verslagen had, tot de laatste man, en nadat de paar Amorieten die nog konden vluchten, waren ontkomen in hun vestingsteden. Van de Israëlieten was niemand ook maar een haar gekrenkt.

22Nadat het leger was teruggekeerd, beval Jozua: ‘Haal die vijf koningen uit de grot en breng ze bij me.’ 23Zijn bevel werd uitgevoerd, de vijf koningen werden bij Jozua gebracht: de koningen van Jeruzalem, Hebron, Jarmut, Lachis en Eglon. 24Jozua liet alle manschappen aantreden en riep de aanvoerders naar voren, de mannen die hem in de strijd terzijde hadden gestaan. ‘Zet jullie voet op de nek van die koningen,’ beval hij hun. Nadat ze dit hadden gedaan, 25zei hij: ‘Wees niet bang en laat je door niets ontmoedigen, blijf vastberaden en standvastig. De HEER zal met alle vijanden die jullie nog moeten bevechten hetzelfde doen als met deze koningen.’ 26En met die woorden sloeg Jozua de vijf koningen dood, waarna hij hen aan vijf bomen liet ophangen. Daar hingen ze tot de avond. 27Bij zonsondergang gaf Jozua bevel hen van de bomen te halen, hen in de grot te gooien waarin ze zich hadden verscholen en die met grote stenen af te sluiten. Die stenen liggen er tot op de dag van vandaag.

28Op dezelfde dag had Jozua ook Makkeda ingenomen en de koning en alle inwoners gedood. Hij bracht iedereen die er woonde om, hij liet geen mens in leven. Met de koning van Makkeda deed hij hetzelfde als hij met de koning van Jericho had gedaan.

Verovering van het zuiden

29Van Makkeda trok Jozua met de Israëlieten naar Libna. Hij viel Libna aan, 30en de HEER leverde ook die stad en haar koning aan Israël uit. Jozua doodde iedereen die er woonde, hij liet geen mens in leven. Met de koning van Libna deed hij hetzelfde als hij met de koning van Jericho had gedaan.

31Van Libna trok Jozua met de Israëlieten naar Lachis. Hij sloeg het beleg voor de stad en viel haar aan. 32De HEER gaf Israël Lachis in handen; op de tweede dag van het beleg nam Jozua de stad in en hij doodde iedereen die er woonde, zoals hij in Libna had gedaan. 33Horam, de koning van Gezer, kwam Lachis te hulp, maar Jozua versloeg hem. Hij doodde hem en zijn soldaten tot er niemand meer over was.

34Van Lachis trok Jozua met de Israëlieten naar Eglon. Ze sloegen het beleg voor de stad en vielen haar aan. 35Ze namen Eglon in één dag in en doodden alle inwoners. Jozua bracht iedereen die er woonde om, zoals hij in Lachis had gedaan.

36Van Eglon trok Jozua met de Israëlieten naar Hebron. Ze vielen Hebron aan, 37namen de stad in en doodden er de koning en alle inwoners, zoals ze in Eglon hadden gedaan. Jozua liet ook van de omliggende steden geen mens in leven, hij bracht iedereen om.

38Op zijn terugtocht ging Jozua met de Israëlieten naar Debir. Hij viel de stad aan, 39nam haar in en veroverde ook de omliggende steden. Hij doodde de koning en alle inwoners. De Israëlieten brachten iedereen om, Jozua liet geen mens in leven. Wat hij met Hebron en Libna en de koningen ervan had gedaan, deed hij ook met Debir en zijn koning.

40Zo veroverde Jozua het volgende gebied: het bergland, de Negev, het heuvelland en de streek van de rotskloven. Hij liet geen enkele koning in leven en bracht iedereen die er woonde om, zoals de HEER, de God van Israël, had opgedragen. 41Jozua trok van Kades-Barnea tot aan Gaza en van het gebied rond Gosen tot aan Gibeon, en hij doodde er iedereen. 42Hij veroverde de gebieden van al die koningen op één veldtocht doordat de HEER, de God van Israël, voor Israël streed. 43Daarna keerde Jozua met heel Israël terug naar het kamp bij Gilgal.

Verovering van het noorden

1Toen Jabin, de koning van Hasor, van Israëls veroveringen hoorde, stuurde hij boden naar koning Jobab van Madon, naar de koningen van Simron en Achsaf 2en naar de overige koningen van het noorden: het bergland, de Jordaanvallei ten zuiden van het Meer van Kinneret, het heuvelland en het kustgebied van Dor in het westen. 3Het betrof de koningen van de Kanaänieten in het oosten en het westen, de Amorieten, de Hethieten, de Perizzieten, de Jebusieten in het bergland en de Chiwwieten aan de voet van de Hermon, in de streek van Mispa. 4Deze koningen trokken met hun legers ten strijde, met zo veel voetvolk als er zand is op het strand langs de zee en met een groot aantal paarden en strijdwagens. 5Al die koningen troffen elkaar bij de bronnen van Merom, waar ze hun kamp opsloegen. Daar kwamen ze samen om de strijd aan te binden tegen Israël.

6Maar de HEER zei tegen Jozua: ‘Je hoeft niet bang voor ze te zijn. Morgen om deze tijd liggen ze allemaal dood aan jullie voeten, daar zorg Ik voor. Dan moet je hun paarden de pezen doorsnijden en hun strijdwagens verbranden.’ 7Jozua deed met het krijgsvolk een verrassingsaanval en overrompelde hen bij de bronnen van Merom, 8en de HEER leverde hen uit aan de Israëlieten. Ze brachten hun een nederlaag toe en achtervolgden hen tot aan Groot-Sidon, Misrefot-Maïm en de Mispevallei in het oosten. Ze doodden hen tot de laatste man. 9En Jozua deed wat de HEER hem had opgedragen: hij liet hun paarden de pezen doorsnijden en hun strijdwagens verbranden.

10Op zijn terugtocht ging Jozua naar Hasor, destijds de machtigste van al die koningssteden. Hij nam de stad in en doodde de koning. 11Alle inwoners werden zonder uitzondering gedood, niemand bleef in leven, en de stad zelf werd in de as gelegd. 12Daarna nam hij de steden van de andere koningen in. Hij nam hen gevangen en doodde hen, en doodde eveneens alle inwoners. Hij bracht iedereen om, zoals Mozes, de dienaar van de HEER, had opgedragen. 13Maar Jozua legde alleen Hasor in de as; alle andere, nu nog bestaande steden lieten de Israëlieten niet in vlammen opgaan. 14Van deze steden maakten ze de goederen en het vee voor zichzelf buit, ze doodden echter alle mensen. Ze roeiden iedereen uit, niemand lieten ze in leven. 15De HEER had dit aan zijn dienaar Mozes opgedragen, en Mozes had het aan Jozua opgedragen, en Jozua voerde het uit. Hij liet niets achterwege van wat de HEER aan Mozes had opgedragen.

Overzicht van de veroveringen

16Zo veroverde Jozua het hele land: het bergland van Juda, de hele Negev, het hele gebied rond Gosen, het heuvelland, de Jordaanvallei en het bergland van Israël met zijn uitlopers. 17Dit is het gebied vanaf de Kale Bergen, die oplopen naar Seïr, tot aan Baäl-Gad in de Libanonvallei aan de voet van het Hermongebergte. Jozua nam alle koningen gevangen en doodde hen. 18Lange tijd voerde hij oorlog tegen hen, 19want er was geen enkele stad die een vredesverdrag met de Israëlieten had gesloten, behalve Gibeon, de stad van de Chiwwieten. Niets viel Israël zonder slag of stoot in handen. 20De HEER had die volken namelijk zo onverzettelijk gemaakt dat ze hoe dan ook oorlog tegen Israël wilden voeren, opdat de Israëlieten hen zouden doden zonder iemand te sparen en hen zouden uitroeien, zoals de HEER aan Mozes had opgedragen.

21Jozua roeide in die tijd ook de Enakieten uit die in het bergland van Juda woonden, in Hebron, Debir en Anab, en in het bergland van Israël. Hij doodde hen en vernietigde hun steden. 22Er bleven in het land van Israël geen Enakieten meer over, behalve in Gaza, Gat en Asdod.

23Nadat Jozua het hele land veroverd had, zoals de HEER aan Mozes had opgedragen, gaf hij het aan Israël als grondgebied, volgens de indeling in stammen. Hiermee eindigde de oorlog.

Jozua 9-11NBV21Open in de Bijbel

1Voor de koorleider. Een psalm van David.

2Hoor mijn stem, God, hoor mijn klacht,

behoed mij voor de dreiging van de vijand,

3verberg mij voor die misdadige bende,

voor die meute van boosdoeners.

4Ze scherpen hun tong als een zwaard,

ze richten hun pijl, een giftig woord,

5uit verborgen hoeken schieten ze op een onschuldige,

ze schieten onverhoeds, voor niemand bang.

6Ze wapenen zich met kwade woorden,

overwegen het zetten van een val,

en zeggen: ‘Wie zou het zien?’

7Ze zinnen op misdaden en denken:

We lijken onschuldig, zo verborgen is ons plan.

– Diep als een afgrond is het hart van de mens.

8Dan schiet God zijn pijl op hen af,

onverhoeds worden ze zwaar verwond,

9hun eigen tong heeft hen ten val gebracht,

wie hen ziet, schudt verbijsterd het hoofd.

10De mensen zijn van ontzag vervuld

en roemen wat God heeft gedaan,

zij beseffen dat het zijn werk is.

11De rechtvaardige verblijdt zich in de HEER

en zoekt bij Hem zijn toevlucht.

Wie oprecht van hart is, prijst zich gelukkig.

Psalmen 64NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons