Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 13 / Gen. 37-39, Ps. 7

Bijbeltekst(en)

Jozef verkocht en naar Egypte gebracht

1Jakob vestigde zich in Kanaän, het land waar ook zijn vader als vreemdeling gewoond had. 2Dit is de geschiedenis van Jakob en zijn nakomelingen.

Jozef, die inmiddels zeventien jaar was, weidde gewoonlijk samen met zijn broers de schapen en geiten; hij hielp de zonen van zijn vaders vrouwen Bilha en Zilpa, en de kwade geruchten die over zijn broers de ronde deden vertelde hij aan hun vader door. 3Omdat Israël al oud was toen Jozef werd geboren, hield hij meer van Jozef dan van zijn andere zonen, en hij had een prachtig bovenkleed voor hem laten maken in allerlei kleuren. 4De broers zagen wel dat hun vader het meest van Jozef hield. Daarom konden ze Jozef niet uitstaan en hadden geen goed woord meer voor hem over.

5Op een keer had Jozef een droom. Toen hij die aan zijn broers vertelde, kregen ze een nog grotere hekel aan hem. 6‘Moeten jullie nu eens horen wat ik heb gedroomd,’ zei hij. 7‘We waren op het land schoven aan het binden, en toen kwam mijn schoof overeind en bleef rechtop staan. En jullie schoven gingen om die van mij heen staan en bogen daarvoor.’ 8Zijn broers zeiden: ‘Dacht je soms koning over ons te worden? Wil je over ons heersen?’ Vanwege dat gepraat over zijn dromen gingen ze hem hoe langer hoe meer haten. 9Opnieuw kreeg hij een droom die hij aan zijn broers vertelde. ‘Ik heb alweer een droom gehad,’ zei hij. ‘Nu bogen de zon, de maan en elf sterren zich voor mij neer.’ 10Toen hij dit aan zijn vader en zijn broers vertelde, wees zijn vader hem terecht: ‘Zeg, wat is dat voor een droom! Moeten ik, je moeder en je broers ons soms voor jou komen neerbuigen?’ 11Jozefs broers werden verteerd door jaloezie, maar zijn vader bleef nadenken over wat er gebeurd was.

12Toen Jozefs broers eropuit getrokken waren om de kudden van hun vader bij Sichem te laten grazen, 13zei Israël tegen Jozef: ‘Zoals je weet zijn je broers het vee aan het weiden bij Sichem. Ik wil dat jij naar hen toe gaat.’ ‘Dat doe ik,’ zei Jozef, 14en Jakob vervolgde: ‘Kijk of het goed gaat met je broers en met het vee, en breng mij dan verslag uit.’ Zo stuurde Jakob hem vanuit de Hebronvallei naar Sichem. 15Toen Jozef daar in het veld ronddwaalde, kwam er iemand op hem af die vroeg wat hij zocht. 16‘Ik ben op zoek naar mijn broers,’ antwoordde hij. ‘Kunt u me zeggen waar zij het vee aan het weiden zijn?’ 17‘Ze zijn al van hier vertrokken,’ zei de ander, ‘ik hoorde hen zeggen dat ze naar Dotan zouden gaan.’ Jozef ging zijn broers achterna en trof hen in Dotan aan.

18Zijn broers zagen hem al van ver, en nog voordat hij hen had bereikt, hadden ze een plan beraamd om hem te doden. 19‘Kijk daar eens,’ zeiden ze tegen elkaar, ‘daar komt die meesterdromer aan. 20Dit is onze kans! Laten we hem vermoorden en hem ergens in een put gooien. We zeggen gewoon dat hij door een roofdier is verslonden. Dan zullen we eens zien wat er van zijn dromen uitkomt.’ 21Toen Ruben dat hoorde, wilde hij proberen Jozef te redden. ‘Nee, laten we hem niet om het leven brengen,’ zei hij, 22‘we mogen geen bloed vergieten! Gooi hem in deze put, hier in de woestijn, maar breng hem niet om.’ Zo wilde hij Jozef uit hun handen redden en hem terugbrengen naar zijn vader. 23Zodra Jozef bij zijn broers was gekomen, trokken ze hem zijn bovenkleed uit, dat veelkleurige gewaad, 24en gooiden hem in de put; de put was leeg, er stond geen water in. 25Daarna gingen ze zitten eten.

Opeens zagen ze een karavaan naderen. Het waren Ismaëlieten, die uit de richting van Gilead kwamen en op weg waren naar Egypte. De kamelen waren beladen met gom, balsem en cistushars. 26Toen zei Juda tegen zijn broers: ‘Wat hebben we eraan om onze broer te vermoorden? Dan moeten we ook de bloedsporen weer zien uit te wissen. 27Laten we hem aan die Ismaëlieten verkopen in plaats van hem om te brengen; hij is tenslotte onze broer, ons eigen vlees en bloed.’ De anderen stemden hiermee in. 28Toen er Midjanitische kooplieden uit de karavaan voorbijkwamen, trokken de broers Jozef uit de put en verkochten hem voor twintig sjekel, en die Ismaëlieten namen Jozef mee naar Egypte.

29Toen Ruben weer bij de put kwam en ontdekte dat Jozef er niet meer in zat, scheurde hij zijn kleren. 30Hij ging naar zijn broers terug. ‘De jongen is weg!’ riep hij. ‘Wat nu, waar moet ik heen?’ 31Toen slachtten ze een bokje, pakten Jozefs veelkleurige gewaad en dompelden dat in het bloed. 32Daarna lieten ze het naar hun vader brengen met de boodschap: ‘Dit hebben we gevonden. Kijk eens goed, is dit niet het bovenkleed van uw zoon?’ 33Jakob herkende het en riep uit: ‘Het kleed van mijn zoon! Hij moet verslonden zijn door een roofdier! Hij is verscheurd, Jozef is verscheurd!’ 34Jakob scheurde zijn kleren, deed een rouwkleed om en rouwde over zijn zoon, dagenlang. 35Al zijn zonen en dochters deden hun best om hem te troosten, maar hij wilde niet getroost worden en zei: ‘Ik zal rouw dragen totdat ik naar mijn zoon in het dodenrijk afdaal.’ Zo treurde Jakob om zijn zoon.

36De Midjanieten brachten Jozef naar Egypte en verkochten hem aan Potifar, een hoveling van de farao en commandant van zijn lijfwacht.

Juda en Tamar

1In diezelfde tijd verliet Juda zijn broers en sloot hij zich aan bij een zekere Chira, een man die in Adullam woonde. 2Daar viel zijn oog op de dochter van de Kanaäniet Sua. Hij trouwde haar en sliep met haar. 3Ze werd zwanger en bracht een zoon ter wereld, die Er werd genoemd. 4Daarna werd ze opnieuw zwanger en kreeg weer een zoon, aan wie ze de naam Onan gaf. 5Ze werd voor de derde keer zwanger en bracht een zoon ter wereld, die ze Sela noemde; toen Sela geboren werd bevond Juda zich in Kezib.

6Voor Er, zijn eerstgeborene, koos Juda een vrouw die Tamar heette. 7Er was slecht in de ogen van de HEER, en daarom liet de HEER hem sterven. 8Toen zei Juda tegen Onan: ‘Vervul je zwagerplicht: slaap met de vrouw van je broer en verwek voor je broer nakomelingen bij haar.’ 9Maar omdat Onan wist dat zo’n kind niet als zijn nageslacht zou gelden, liet hij telkens als hij met de vrouw van zijn broer gemeenschap had zijn zaad op de grond terechtkomen, zodat hij geen nakomelingen voor zijn broer zou verwekken. 10Wat hij deed was slecht in de ogen van de HEER, en daarom liet de HEER ook hem sterven. 11Toen zei Juda tegen zijn schoondochter Tamar: ‘Je moet als weduwe maar weer bij je vader gaan wonen, totdat mijn zoon Sela volwassen is.’ Hij dacht namelijk: Ik moet voorkomen dat hij ook sterft, net als zijn broers. En Tamar ging weer bij haar vader wonen.

12Geruime tijd later stierf Juda’s vrouw, de dochter van Sua. Toen Juda troost gevonden had voor zijn verdriet, begaf hij zich naar Timna, samen met zijn vriend Chira uit Adullam, om bij zijn schaapscheerders te gaan kijken. 13Zodra Tamar hoorde dat haar schoonvader op weg was naar Timna om zijn schapen te scheren, 14legde ze haar weduwedracht af, vermomde zich door zich met een sluier te bedekken, en ging langs de weg naar Enaïm zitten, een zijweg van de weg naar Timna. Want ze besefte dat ze nog steeds niet aan Sela tot vrouw was gegeven, hoewel die inmiddels volwassen geworden was. 15Toen Juda haar zag hield hij haar voor een hoer, want haar gezicht was bedekt. 16Hij sloeg de zijweg in en ging naar haar toe. ‘Ik wil van je diensten gebruikmaken,’ zei hij, niet wetend dat het zijn schoondochter was. ‘Wat staat daar van uw kant tegenover?’ vroeg ze. 17‘Ik zal je een geitenbokje uit mijn kudde laten brengen,’ antwoordde hij. ‘Goed,’ zei ze, ‘maar geeft u mij dan zolang iets als onderpand.’ 18En op zijn vraag wat ze als onderpand van hem wilde, antwoordde ze: ‘Het snoer met uw zegel en de staf die u in uw hand hebt.’ Hij gaf het haar en had gemeenschap met haar, en zij werd zwanger van hem. 19Daarna ging ze terug naar huis, deed haar sluier af en nam haar weduwedracht weer aan.

20Juda vroeg zijn vriend uit Adullam een geitenbokje naar de vrouw te brengen om het onderpand weer op te halen, maar hij kon haar niet vinden. 21Hij informeerde bij de mensen daar in de buurt: ‘Ik ben op zoek naar de vrouw die onlangs bij de weg naar Enaïm haar gunsten aanbood.’ ‘Zo’n vrouw is hier niet geweest,’ antwoordden ze. 22Dus ging hij naar Juda terug. ‘Ik heb haar niet kunnen vinden,’ zei hij. ‘Sterker nog, de mensen daar beweren dat er nooit zo’n vrouw is geweest.’ 23Toen zei Juda: ‘Laat haar alles dan maar houden, anders maken we onszelf nog belachelijk. Ik heb het beloofde bokje gestuurd, maar je hebt haar nu eenmaal niet kunnen vinden.’

24Ongeveer drie maanden later kwam men Juda vertellen dat Tamar, zijn schoondochter, zich als een hoer had gedragen en daardoor zwanger was. ‘Breng haar de stad uit,’ zei Juda, ‘ze moet verbrand worden.’ 25Maar terwijl ze de stad uit werd gebracht, liet ze haar schoonvader deze boodschap brengen: ‘Ik ben zwanger van de eigenaar van deze voorwerpen. Kijkt u eens goed van wie dit zegel, dit snoer en deze staf zijn.’ 26Juda herkende ze en zei: ‘Niet zij is schuldig, maar ik, want ik heb haar niet aan mijn zoon Sela tot vrouw gegeven.’ Hij had geen tweede keer gemeenschap met haar.

27Toen de tijd van de bevalling was gekomen, bracht ze een tweeling ter wereld. 28Tijdens de bevalling stak een van de twee zijn hand naar buiten. De vroedvrouw bond een rode draad om zijn hand ten teken dat hij zich het eerst had laten zien. 29Maar hij trok zijn hand weer terug, en daar kwam zijn broer tevoorschijn. ‘Wat een baanbreker ben jij!’ zei ze. Hij kreeg de naam Peres. 30Daarna kwam zijn broer, met om zijn hand de rode draad. Hij werd Zerach genoemd.

Jozef en de vrouw van Potifar

1Jozef was dus door de Ismaëlieten meegenomen naar Egypte, en daar was hij gekocht door Potifar, een Egyptenaar die tot de hovelingen van de farao behoorde en het bevel voerde over zijn lijfwacht. 2De HEER stond Jozef terzijde, zodat hij in alles slaagde. Hij werkte in het huis van zijn Egyptische meester. 3Omdat zijn meester zag dat de HEER Jozef terzijde stond en alles wat hij ter hand nam liet slagen, 4was hij Jozef goedgezind: hij maakte hem tot zijn persoonlijke bediende, liet de gang van zaken in huis aan hem over en gaf hem het beheer over alles wat hij bezat. 5En vanaf het ogenblik dat hij hem belastte met het toezicht op zijn huis en zijn bezittingen, zegende de HEER het huis van die Egyptenaar omwille van Jozef. De zegen van de HEER rustte op alles wat hij bezat, in huis en daarbuiten. 6Daarom vertrouwde hij alles volledig aan Jozef toe; nu Jozef er was, bekommerde hij zich alleen nog om zijn eigen eten en drinken.

Jozef was knap en aantrekkelijk. 7Na verloop van tijd liet de vrouw van zijn meester haar oog op hem vallen. ‘Kom bij me liggen,’ zei ze. 8Maar dat weigerde hij. ‘Sinds ik hier ben,’ zei hij, ‘hoeft mijn meester zich hier in huis nergens meer om te bekommeren, en hij heeft mij het beheer gegeven over al zijn bezittingen. 9Er is niemand hier in huis belangrijker dan ik, en hij heeft mij niets onthouden behalve u, omdat u zijn vrouw bent. Hoe zou ik dan zo’n grote wandaad kunnen begaan en zo kunnen zondigen tegen God?’ 10Dag in dag uit probeerde ze Jozef over te halen, maar hij gaf niet toe, hij wilde niet bij haar gaan liggen. 11Maar op zekere dag, toen hij het huis binnenkwam om zijn werk te doen en geen van de bedienden daar aanwezig was, 12greep ze hem bij zijn kleed. ‘Kom bij me liggen,’ drong ze aan, maar hij vluchtte naar buiten; zijn kleed liet hij in haar handen achter. 13Toen ze besefte dat hij gevlucht was en zijn kleed bij haar had achtergelaten, 14riep ze haar bedienden en zei tegen hen: ‘Moet je nou zien! Hij moest zo nodig een Hebreeër in huis halen – zeker om zich met ons te kunnen vermaken! Die man is bij me gekomen en wilde bij me liggen, maar ik begon luid te roepen. 15Toen hij me zo hoorde schreeuwen, ging hij ervandoor en liet zijn kleed hier bij mij achter.’ 16Ze liet het kleed naast zich liggen totdat Jozefs meester thuiskwam, 17en vertelde hem hetzelfde verhaal: ‘Die Hebreeuwse slaaf die jij in huis hebt gehaald, is bij me gekomen om zich met me te vermaken. 18En toen ik begon te schreeuwen, ging hij ervandoor en liet zijn kleed hier bij mij achter.’ 19Toen Jozefs meester zijn vrouw hoorde vertellen dat ze zo door zijn slaaf was behandeld, werd hij woedend. 20Hij liet Jozef oppakken en in de gevangenis zetten die bestemd was voor de gevangenen van de koning.

De dromen van schenker en bakker

Zo kwam Jozef in de gevangenis terecht. 21Maar de HEER stond hem terzijde en bewees hem zijn goedheid door ervoor te zorgen dat Jozef bij de gevangenbewaarder in de gunst kwam. 22Deze gaf Jozef de verantwoordelijkheid voor alle gevangenen; er gebeurde niets buiten hem om. 23De gevangenbewaarder had geen omkijken naar wat aan Jozef was toevertrouwd, omdat de HEER hem terzijde stond en alles wat Jozef ter hand nam liet slagen.

Genesis 37-39NBV21Open in de Bijbel

1Een klaaglied van David, dat hij voor de HEER gezongen heeft over de Benjaminiet Kus.

2HEER, mijn God, bij U schuil ik,

bevrijd mij van mijn vervolgers, red mij,

3ze zullen mij nog verscheuren als leeuwen,

mij meesleuren zonder dat iemand mij redt.

4HEER, mijn God, als ik iets heb misdaan,

als er onrecht kleeft aan mijn handen,

5als ik goed met kwaad heb vergolden,

of mijn belager zonder reden heb beroofd –

6laat dan de vijand mij achtervolgen, mij inhalen,

vertreden en vertrappen in het stof,

mij beroven van mijn eer en mijn leven. sela

7Sta op, HEER, laat uw toorn ontbranden,

keer u tegen de razernij van mijn belagers,

kom mij te hulp, gebieder van het recht.

8Laat u omringen door de raad van de volken

en bestijg hoog boven hen uw troon,

9HEER, rechter van de wereld.

Doe mij recht, HEER, ik ben onschuldig,

mij treft geen blaam.

10Roep de goddelozen een halt toe

en wees de rechtvaardige tot steun.

U die hart en nieren doorgrondt

bent een rechtvaardige God.

11God is het schild dat mij beschermt,

Hij bevrijdt de oprechten van hart.

12God is een rechtvaardige rechter,

Hij bestraft het kwaad, elke dag.

13Maar de vijand scherpt opnieuw zijn zwaard,

hij spant zijn boog en legt aan,

14hij richt zijn wapens om te doden,

zijn pijlen zijn schichten van vuur.

15Hij draagt verderf onder het hart,

zwanger van onheil baart hij bedrog.

16Hij delft een put en diept hem uit,

maar valt in de kuil die hij zelf heeft gegraven.

17Het onheil keert zich tegen hem,

het geweld komt neer op zijn eigen hoofd.

18Ik zal de HEER om zijn rechtvaardigheid loven,

de naam van de HEER, de Allerhoogste, bezingen.

Psalmen 7NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons