Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 12 / Gen. 33-36, Ps. 120

Bijbeltekst(en)

1Toen Jakob zag dat Esau met vierhonderd man op hem afkwam, verdeelde hij de kinderen over Lea, Rachel en zijn twee bijvrouwen. 2De bijvrouwen en hun kinderen liet hij vooropgaan, Lea en haar kinderen daarachter, en Rachel en Jozef achteraan. 3Zelf liep hij voor iedereen uit, en terwijl hij zijn broer naderde boog hij zevenmaal diep voorover. 4Esau rende hem tegemoet, sloot hem in zijn armen en kuste hem; beiden huilden. 5Toen Esau opkeek en de vrouwen en kinderen zag, vroeg hij: ‘Wie heb je daar bij je?’ Jakob antwoordde: ‘Dat zijn de kinderen die God in zijn goedheid aan mij, je dienaar, heeft geschonken.’ 6Toen kwamen de bijvrouwen met hun kinderen dichterbij, en zij bogen diep. 7Daarna kwam Lea met haar kinderen, en ook zij bogen diep. Ten slotte kwamen Jozef en Rachel, die eveneens diep bogen. 8‘En wat is de bedoeling van die hele schare die ik ben tegengekomen?’ vroeg Esau. Jakob antwoordde: ‘Die was bedoeld om mijn heer gunstig te stemmen.’ 9Maar Esau zei: ‘Ik bezit genoeg, broer, houd jij maar wat je hebt.’ 10‘Nee,’ zei Jakob, ‘als je mij goedgezind bent, neem dat geschenk dan alsjeblieft van mij aan, want oog in oog staan met jou is niets anders dan oog in oog staan met God, en toch ontvang je mij welwillend. 11Neem toch aan wat ik je heb laten brengen en waarmee God mij heeft gezegend, want God is mij goedgezind geweest en ik heb alles.’ Omdat hij bleef aandringen nam Esau het aan.

12Hierna zei Esau: ‘Laten we verdergaan, ik zal je vergezellen.’ 13Maar Jakob antwoordde: ‘Mijn heer weet hoe zwak kinderen zijn, en ik heb de zorg voor zogende schapen, geiten en runderen. Als die ook maar één dag worden opgejaagd, gaan ze allemaal dood. 14Laat mijn heer toch voor zijn dienaar uit trekken, dan zal ik hem op mijn gemak naar Seïr volgen en mij aanpassen aan het tempo van het vee dat ik bij me heb en aan dat van de kinderen.’ 15Esau zei: ‘Laat me dan tenminste een paar van mijn mannen bij je achterlaten.’ Maar Jakob sloeg dat af: ‘Waarom al die moeite? Het is mij voldoende dat mijn heer mij goedgezind is.’

16Diezelfde dag nog keerde Esau terug naar Seïr. 17Jakob echter reisde naar Sukkot en bouwde er een huis. Ook maakte hij hutten voor zijn vee; vandaar dat die plaats Sukkot heet.

Dina en Sichem

18Op zijn tocht vanuit Paddan-Aram kwam Jakob ook in Sichem, een stad in Kanaän. Toen hij daar behouden aangekomen was, sloeg hij ten oosten van die stad zijn kamp op. 19Het stuk land waarop zijn tenten stonden, kocht hij voor honderd kesita van de zonen van Chamor, van wie Sichem er een was. 20Hij richtte daar een altaar op, dat hij ‘El is de God van Israël’ noemde.

1Op een dag ging Dina, de dochter van Lea en Jakob, eens kijken bij de meisjes van dat land. 2Zij werd opgemerkt door Sichem, een van de zonen van de Chiwwiet Chamor, die over dat gebied heerste. Hij overweldigde en verkrachtte haar. 3Maar omdat hij zich onweerstaanbaar tot Jakobs dochter Dina aangetrokken voelde en verliefd op haar was, deed hij zijn best om het meisje voor zich te winnen. 4‘Zorg ervoor dat dat kind mijn vrouw wordt,’ zei hij tegen zijn vader Chamor.

5Het was Jakob wel ter ore gekomen dat Sichem zijn dochter had onteerd, maar zijn zonen waren op dat moment in het veld bij het vee, en hij ondernam niets zolang zij niet thuis waren. 6Chamor, Sichems vader, kwam bij Jakob om met hem te praten. 7Zodra Jakobs zonen van het gebeurde hoorden, kwamen zij naar huis. Ze voelden zich diep gekrenkt en waren woedend omdat Sichem gemeenschap had gehad met hun zus en zich schuldig had gemaakt aan iets dat voor Israëlieten een schandelijk en ontoelaatbaar vergrijp is. 8Chamor deed hun een voorstel: ‘Sichem, mijn zoon, houdt zielsveel van uw zus. Daarom verzoek ik u haar aan hem tot vrouw te geven. 9En verbind u ook door andere huwelijken met ons: geef ons uw dochters en trouw zelf met die van ons. 10En blijf dan bij ons, het land ligt voor u open: u kunt er wonen, er vrij in rondtrekken en er grond kopen.’ 11Sichem zelf zei tegen Dina’s vader en broers: ‘Als u mij goedgezind bent, geef ik u wat u maar wenst. 12Vraag gerust een hoge bruidsprijs van me en grote geschenken, ik geef u alles wat u verlangt, als u mij het meisje maar tot vrouw wilt geven.’ 13Jakobs zonen gaven Sichem en zijn vader een listig antwoord; dat deden ze omdat Sichem hun zus Dina had onteerd. 14‘Dat kunnen we niet doen,’ zeiden ze, ‘onze zus aan iemand geven die niet besneden is, dat zou voor ons een schande zijn. 15Wij kunnen uw verzoek alleen inwilligen op voorwaarde dat u net zo wordt als wij, dat iedereen van het mannelijk geslacht bij u wordt besneden. 16Dan geven wij onze dochters aan u en trouwen wij met uw dochters, en dan blijven we bij u wonen en kunnen wij één volk worden. 17Maar als u geen gehoor geeft aan deze eis, als u zich niet laat besnijden, halen we onze zus terug en vertrekken.’ 18Met dat voorstel konden Chamor en zijn zoon Sichem instemmen.

19De jongeman wilde geen moment wachten met de uitvoering ervan, want hij begeerde Jakobs dochter vurig. Hij genoot meer aanzien dan wie ook van zijn familieleden. 20Samen met zijn vader Chamor ging hij naar de stadspoort. Tegen de mannen die daar bijeen waren, zeiden ze: 21‘Die mensen hebben vredelievende bedoelingen. Laat hen daarom hier wonen en vrij in ons land rondtrekken; er is immers ruimte genoeg voor hen in ons land. Wij kunnen met hun dochters trouwen, en onze dochters kunnen we aan hen geven. 22Maar ze stellen één voorwaarde voordat ze bereid zijn om bij ons te wonen en één volk met ons te worden: al onze mannen en jongens moeten worden besneden, net als zij. 23Denk u eens in: hun hele veestapel en al hun bezittingen zijn dan van ons! Laten we hun daarom ter wille zijn, dan blijven ze bij ons.’ 24Allen die in de stadspoort bijeen waren gekomen gaven gehoor aan de oproep van Chamor en Sichem, en zo werden allen van het mannelijk geslacht die daar bijeen waren, besneden.

25Drie dagen later, toen de mannen van Sichem hevige pijn leden, pakten twee van Jakobs zonen, Simeon en Levi, die volle broers van Dina waren, hun zwaard en overvielen de stad, waar niemand op onraad bedacht was. Ze doodden alle mannen. 26Ook Chamor en zijn zoon Sichem brachten ze om het leven. Ze haalden Dina uit Sichems huis en vertrokken. 27Daarop beroofden Jakobs andere zonen de slachtoffers en plunderden de stad, omdat hun zus onteerd was. 28Schapen, geiten, runderen, ezels, en alles wat er in de stad of op het veld te vinden was maakten ze buit. 29Alle bezittingen namen ze mee, en de vrouwen en kinderen voerden ze als gevangenen weg; ze roofden de huizen helemaal leeg.

30Jakob maakte Simeon en Levi verwijten. ‘Jullie hebben mij in het ongeluk gestort,’ zei hij, ‘want jullie hebben mij een slechte naam bezorgd bij de inwoners van dit land: de Kanaänieten en de Perizzieten. Ik heb maar een handjevol mannen, dus als ze met zijn allen tegen mij optrekken, zullen ze me verslaan en word ik met mijn hele familie vermoord.’ 31Maar zij antwoordden: ‘Moesten we onze zus dan als een hoer laten behandelen?’

Jakob opnieuw in Betel

1God zei tegen Jakob: ‘Ga naar Betel. Blijf daar en bouw er een altaar voor de God die daar aan jou verschenen is toen je op de vlucht was voor je broer Esau.’ 2Toen zei Jakob tegen zijn familieleden en tegen alle anderen die bij hem waren: ‘Doe de vreemde goden die jullie hebben weg, reinig je en trek schone kleren aan. 3Laten we naar Betel gaan: daar wil ik een altaar bouwen voor de God die naar mij heeft omgezien in tijden van nood en die mij op mijn hele reis terzijde heeft gestaan.’ 4Ze gaven Jakob alle afgodsbeelden die ze in hun bezit hadden, en ook hun oorringen, en Jakob begroef alles onder de terebint bij Sichem. 5Daarna braken ze op. God joeg de inwoners van de steden in de omtrek zo’n angst aan dat ze het niet waagden Jakobs zonen te achtervolgen.

6Toen Jakob met alle mensen die met hem meetrokken in Luz was aangekomen, het huidige Betel, in Kanaän, 7bouwde hij er een altaar; hij noemde die plaats El-Betel, omdat God zich daar aan hem geopenbaard had toen hij op de vlucht was voor zijn broer. 8(De voedster van Rebekka, Debora, stierf daar. Ze werd ten zuiden van Betel begraven, onder een eik die daarom Eik van geween werd genoemd.) 9Nu Jakob was teruggekeerd uit Paddan-Aram, verscheen God hem opnieuw, en Hij zegende hem. 10Hij zei: ‘Tot nu toe heette je Jakob. Die naam zul je niet langer dragen: Israël is je nieuwe naam.’ Zo gaf God hem de naam Israël. 11En Hij vervolgde: ‘Ik ben God, de Ontzagwekkende. Wees vruchtbaar en word talrijk; je zult uitgroeien tot een volk, tot een hele menigte volken, en er zullen koningen uit je voortkomen. 12Ik geef jou het land dat Ik aan Abraham en aan Isaak heb gegeven; ook aan je nakomelingen geef Ik dit land.’ 13Hierna ging God weg van de plaats waar Hij met Jakob had gesproken. 14Daar, op die plaats, zette Jakob een steen rechtop, en hij wijdde hem door er een wijnoffer op te brengen en er olie over uit te gieten. 15Hij noemde die plaats, waar God met hem had gesproken, Betel.

16-17Toen ze weer uit Betel waren vertrokken en nog maar een uur of twee van Efrat verwijderd waren, moest Rachel bevallen. Het was een moeizame bevalling en ze had het erg zwaar, maar de vroedvrouw zei tegen haar: ‘Wees gerust: je hebt er een zoon bij!’ 18En terwijl het leven al uit haar week – want ze stierf – gaf zij hem de naam Ben-Oni. Maar zijn vader noemde hem Benjamin. 19Toen Rachel overleden was, werd ze begraven langs de weg naar Efrat, het tegenwoordige Betlehem. 20Op haar graf plaatste Jakob een gedenksteen, die tot op de dag van vandaag de plaats van Rachels graf aangeeft.

21Israël reisde verder en sloeg zijn tent op even voorbij Migdal-Eder. 22Tijdens Israëls verblijf in deze streek sliep Ruben eens met Bilha, zijn vaders bijvrouw. Israël hoorde ervan.

Twaalf zonen had Jakob. 23Zonen van Lea: Ruben, Jakobs eerstgeborene, en verder Simeon, Levi, Juda, Issachar en Zebulon. 24Zonen van Rachel: Jozef en Benjamin. 25Zonen van Rachels slavin Bilha: Dan en Naftali. 26Zonen van Lea’s slavin Zilpa: Gad en Aser. Dit waren de zonen van Jakob, die hij in Paddan-Aram kreeg.

27Ten slotte kwam Jakob terug bij zijn vader Isaak in Mamre, bij Kirjat-Arba, dat nu Hebron heet, de plaats waar Abraham en Isaak als vreemdeling gewoond hadden. 28Isaak leefde honderdtachtig jaar. 29Toen blies hij de laatste adem uit en werd hij met zijn voorouders verenigd, na een lang leven. Hij werd begraven door zijn zonen Esau en Jakob.

Nakomelingen van Esau

1Dit zijn de nakomelingen van Esau, ook Edom genoemd.

2Esau trouwde met vrouwen uit Kanaän: met Ada, de dochter van de Hethiet Elon, met Oholibama, die een dochter was van Ana en een kleindochter van de Chiwwiet Sibon, 3en met Basemat, de dochter van Ismaël en de zus van Nebajot. 4Ada baarde hem Elifaz, Basemat baarde Reüel, 5en Oholibama baarde Jeüs, Jalam en Korach. Dit waren de zonen van Esau, die hij in Kanaän kreeg.

6Met zijn vrouwen, zijn zonen en dochters en al zijn slaven en slavinnen, met zijn hele veestapel en alle bezittingen die hij in Kanaän verworven had, trok Esau naar een ander land, weg van zijn broer Jakob. 7Beiden bezaten namelijk zo veel vee dat het land waar zij toen als vreemdeling woonden niet groot genoeg was om bij elkaar te blijven. 8Esau, ook Edom genoemd, vestigde zich in het Seïrgebergte.

9Dit zijn de nakomelingen die Esau, de stamvader van de Edomieten, in het Seïrgebergte kreeg. 10Hier volgen de namen van Esaus zonen: Elifaz, de zoon van zijn vrouw Ada, en Reüel, de zoon van zijn vrouw Basemat. 11Zonen van Elifaz: Teman, Omar, Sefo, Gatam en Kenaz. 12Timna, een bijvrouw van Esaus zoon Elifaz, baarde hem Amalek. Dit waren de nakomelingen van Esaus vrouw Ada. 13Zonen van Reüel: Nachat, Zerach, Samma en Mizza. Dit waren de nakomelingen van Esaus vrouw Basemat. 14Zonen die Esaus vrouw Oholibama, die een dochter was van Ana en een kleindochter van Sibon, hem baarde: Jeüs, Jalam en Korach.

15Hier volgen de stamvorsten die van Esau afstamden. Zonen van Elifaz, Esaus eerstgeborene: de stamvorsten Teman, Omar, Sefo, Kenaz, 16Korach, Gatam en Amalek. Dit waren de stamvorsten in Edom die van Elifaz afstamden, nakomelingen van Ada. 17Zonen van Esaus zoon Reüel: de stamvorsten Nachat, Zerach, Samma en Mizza. Dit waren de stamvorsten in Edom die van Reüel afstamden, nakomelingen van Esaus vrouw Basemat. 18Zonen van Esaus vrouw Oholibama: de stamvorsten Jeüs, Jalam en Korach. Dit waren de stamvorsten die afstamden van Esaus vrouw Oholibama, de dochter van Ana. 19Dit waren de zonen van Esau, ofwel Edom, en dit waren de stamvorsten die van hen afstamden.

20Dit zijn de zonen van Seïr, de Chorieten, die de bewoners van dat land waren: Lotan, Sobal, Sibon, Ana, 21Dison, Eser en Disan; dit zijn de stamvorsten van de Chorieten, de zonen van Seïr, in Edom. 22Zonen van Lotan: Chori en Hemam; de zus van Lotan was Timna. 23Zonen van Sobal: Alwan, Manachat, Ebal, Sefo en Onam. 24Zonen van Sibon: Ajja en Ana (de Ana die de warmwaterbronnen in de woestijn heeft ontdekt toen hij de ezels van zijn vader Sibon hoedde). 25Nakomelingen van Ana: Dison en een dochter, Oholibama. 26Zonen van Dison: Chemdan, Esban, Jitran en Keran. 27Zonen van Eser: Bilhan, Zaäwan en Akan. 28Zonen van Disan: Us en Aran.

29Hier volgen de stamvorsten van de Chorieten: Lotan, Sobal, Sibon, Ana, 30Dison, Eser en Disan. Dit waren de stamvorsten van de Chorieten in Seïr.

31Dit zijn de koningen die in Edom geregeerd hebben nog voordat er een koning over de Israëlieten regeerde. 32Over Edom regeerde eerst Bela, de zoon van Beor; de stad waar hij zetelde heette Dinhaba. 33Na de dood van Bela werd Jobab uit Bosra koning; hij was de zoon van Zerach. 34Na de dood van Jobab werd Chusam uit het land van de Temanieten koning. 35Na de dood van Chusam werd Hadad, de zoon van Bedad, koning. Hij versloeg de Midjanieten in Moab; de stad waar hij zetelde heette Awit. 36Na de dood van Hadad werd Samla uit Masreka koning. 37Na de dood van Samla werd Saül uit Rechobot aan de rivier koning. 38Na de dood van Saül werd Baäl-Chanan, de zoon van Achbor, koning. 39Na de dood van Baäl-Chanan, de zoon van Achbor, werd Hadar koning; de stad waar hij zetelde heette Paü, en zijn vrouw was Mehetabel, die een dochter was van Matred, de dochter van Me-Zahab.

40Dit zijn de namen van de stamvorsten die van Esau afstamden, ieder aan het hoofd van zijn eigen familie en met zijn eigen gebied: Timna, Alwa, Jetet, 41Oholibama, Ela, Pinon, 42Kenaz, Teman, Mibsar, 43Magdiël en Iram. Dit waren de stamvorsten van Edom, ieder met zijn eigen woongebied in het land dat zij in bezit hadden genomen. Esau was de stamvader van de Edomieten.

Genesis 33-36NBV21Open in de Bijbel

1Een pelgrimslied.

Roep ik in mijn nood tot de HEER,

Hij geeft mij antwoord.

2Bevrijd mijn ziel, HEER,

van lippen die liegen,

van de tong die bedriegt.

3Wat zal je straf zijn,

bedrieglijke tong,

en wat je straf nog verzwaren?

4Pijlen, gescherpt voor de strijd,

en dan gloeiende houtskool van brem!

5Ach, dat ik moet wonen in Mesech,

ver van huis bij de tenten van Kedar.

6Te lang al woont mijn ziel

bij mensen die vrede haten.

7Spreek ik woorden van vrede,

zij willen oorlog.

Psalmen 120NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.16
Volg ons