Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 113 / Deut. 12-14, Spr. 28

Bijbeltekst(en)

1Dit zijn de wetten en regels waaraan u zich moet houden zolang u leeft in het land dat de HEER, de God van uw voorouders, u in bezit geeft.

Eén plaats om te offeren

2De volken die u zult verdrijven, vereren hun goden op heuveltoppen en hoge bergen en onder bladerrijke bomen. U moet hun gewijde plaatsen met de grond gelijkmaken, 3hun altaren slopen en hun gewijde stenen verbrijzelen; hun Asjerapalen moet u verbranden en hun godenbeelden in stukken hakken. Alles wat aan die goden herinnert moet u wegvagen. 4Het is u verboden om de HEER, uw God, op allerlei plaatsen te vereren. 5U mag u daarvoor alleen naar de plaats begeven die Hij in een van uw stamgebieden zal kiezen om er zijn naam te laten wonen. Ga dus naar de plaats waar Hij woont 6en neem de dieren mee die u voor de brandoffers en vredeoffers hebt bestemd, en ook uw tienden en andere heffingen, de offers die u brengt ter nakoming van een gelofte en uw vrijwillige gaven, en uw eerstgeboren runderen, schapen en geiten. 7Richt daar ten overstaan van de HEER, uw God, een feestmaal aan en geniet met uw familie van de zegeningen waarmee Hij uw inspanningen heeft beloond.

8Wij zijn hier nu gewend dat iedereen offert naar het hem goeddunkt, maar dat mag niet zo blijven. 9Weliswaar bent u nu nog niet binnen de veilige grenzen van het gebied dat de HEER, uw God, u zal geven, 10maar straks steekt u de Jordaan over om u in het land dat de HEER u in eigendom geeft, te vestigen. Als Hij u eenmaal rust heeft gegeven door u te verlossen van de vijanden die u omringen, en u leeft er onbezorgd, 11dan mag u zich alleen maar naar de ene plaats begeven die de HEER, uw God, zal uitkiezen om er zijn naam te laten wonen. Ga daar met alles wat u moet afdragen heen: de dieren voor uw brandoffers en vredeoffers, uw tienden en andere heffingen, en de bijzondere offers die u ter nakoming van een gelofte aan de HEER brengt. 12En vier dan feest ten overstaan van de HEER, samen met uw zonen en dochters, uw slaven, uw slavinnen, en de Levieten bij u in de stad, die immers geen grondgebied hebben zoals u.

13Denk erom dat u geen brandoffers brengt op een willekeurige plaats. 14Alleen op de plaats die de HEER in een van uw stamgebieden kiest mag u offers brengen en aan uw andere verplichtingen voldoen. 15Maar verder mag u, naar de mate waarin de HEER, uw God, u zal zegenen, dieren slachten en vlees eten wanneer u maar wilt, overal waar u woont. Iedereen mag dat, rein of onrein, zoals dat ook geldt voor het eten van gazellen of herten. 16Onthoud u alleen wel van het bloed; laat dat als water op de grond weglopen. 17Het is niet toegestaan om in uw eigen woonplaats een feestmaal aan te richten van de tienden van uw graan, wijn en olie, of van uw eerstgeboren runderen, schapen en geiten, van uw gelofteoffers, uw vrijwillige gaven en de andere heffingen. 18Want dat mag alleen gebeuren ten overstaan van de HEER, uw God, op de plaats die Hij uitkiest. Dat geldt voor ieder van u, voor uw zonen en dochters, uw slaven, uw slavinnen, en voor de Levieten die bij u in de stad wonen. Ten overstaan van de HEER, uw God, zult u genieten van de vrucht van uw arbeid. 19Maar let erop dat u, zolang u in dat land woont, de Levieten niet vergeet.

20-21Wanneer de HEER, uw God, u de beschikking heeft gegeven over het hele gebied dat Hij u beloofd heeft, ligt de plaats die Hij zal kiezen om er zijn naam te laten wonen misschien te ver weg. Toch kunt u dan, wanneer u dat wilt, gewoon vlees eten. U mag runderen, schapen of geiten die u van de HEER hebt gekregen, slachten zoals ik u heb voorgeschreven, en het vlees eten wanneer u wilt, overal waar u woont. 22Net zoals u gazellen of herten mag eten, mag dat ook met zulk vlees, en dat geldt voor iedereen, rein of onrein. 23Maar wees er wel op bedacht dat u zich van het bloed onthoudt, want bloed is leven; vlees met leven erin mag u niet eten. 24Nogmaals, onthoud u van bloed, laat het als water op de grond weglopen. 25Als u dit ter harte neemt, zal het u en uw nageslacht goed gaan, want dan doet u wat goed is in de ogen van de HEER. 26Maar alle gaven die de HEER toekomen en alles wat u Hem hebt toegezegd, moet u meenemen naar de plaats die Hij zal uitkiezen. 27Van de brandoffers moet u zowel het vlees als het bloed offeren op het altaar van de HEER, uw God. Bij uw vredeoffers moet alleen het bloed tegen het altaar worden gegoten, en mag het vlees gegeten worden. 28Ga zorgvuldig te werk in alles wat ik u vandaag heb voorgehouden. Dan zal het u en uw nageslacht tot in lengte van dagen goed gaan, omdat u dan doet wat goed is in de ogen van de HEER, uw God.

Tegen verleiding tot afgodendienst

29Straks zal de HEER, uw God, voor u de volken uitroeien die nu nog het land bewonen dat voor u bestemd is. Als u het eenmaal in bezit hebt gekregen en er bent gaan wonen, 30zorg er dan voor dat die volken, die voor u zijn uitgeroeid, niet alsnog uw ondergang worden. Wees niet nieuwsgierig naar hun goden en vraag u niet af: Hoe hebben die volken hun goden vereerd? Zo willen wij het ook doen! 31Nee, de HEER, uw God, verbiedt u dat. Want zij hebben voor hun goden alles gedaan wat de HEER verafschuwt; ze hebben zelfs hun zonen en dochters als offer voor hen verbrand.

1U moet alles wat ik u gebied strikt naleven; voeg er niets aan toe en doe er ook niets van af.

2Wanneer een profeet of een droomuitlegger uit uw midden een teken of een wonder voorspelt, 3dat vervolgens uitkomt, en hij verbindt daaraan een oproep om andere, u onbekende goden te volgen en te dienen – 4luister dan niet naar wat hij zegt. Want de HEER, uw God, wil u daarmee op de proef stellen, om te ontdekken of u Hem wel met hart en ziel liefhebt. 5Blijf de HEER, uw God, volgen en heb alleen voor Hem ontzag. Leef zijn geboden na en luister naar Hem; dien alleen Hem en blijf Hem toegedaan. 6En die profeet of droomuitlegger moet ter dood gebracht worden omdat hij u wilde opzetten tegen de HEER, uw God, die u uit Egypte heeft weggehaald en u uit de slavernij heeft bevrijd. Die man heeft immers geprobeerd u af te brengen van de weg die de HEER, uw God, u had gewezen. Zo moet u het kwaad uit uw midden verwijderen.

7Wanneer iemand – uw volle broer, uw zoon of uw dochter, of de vrouw die u bemint, of uw beste vriend – u in het geheim probeert over te halen om andere goden te dienen, goden die u nog niet kende en ook uw voorouders niet, 8goden van de omringende volken, vlakbij of ver weg of waar ook ter wereld, 9luister dan niet naar zo iemand en geef niet toe; wees onverbiddelijk, heb geen medelijden met hem en houd hem niet de hand boven het hoofd. 10-11U moet hem ter dood brengen; samen met uw volksgenoten moet u hem stenigen tot de dood erop volgt, en zelf moet u de eerste steen werpen. Dat is zijn straf, want hij heeft geprobeerd u te vervreemden van de HEER, uw God, die u uit de slavernij in Egypte heeft bevrijd. 12Het hele volk van Israël moet daardoor worden afgeschrikt, zodat dergelijke wandaden zich niet herhalen.

13Wanneer in een van de steden die u van de HEER, uw God, krijgt om u daar te vestigen, het gerucht de ronde doet 14dat er onder uw volk nietswaardige figuren zijn opgestaan die de andere inwoners van hun stad tot ontrouw hebben aangezet en hen naar andere goden hebben laten overlopen – goden die u onbekend zijn –, 15dan moet u navraag doen, een onderzoek instellen en de zaak tot op de bodem uitzoeken. Als blijkt dat het waar is, als onomstotelijk vaststaat dat zoiets afschuwelijks bij u heeft plaatsgevonden, 16dan moet u de inwoners van die stad ter dood brengen. De hele stad, iedereen die er woont, en alle dieren moeten onvoorwaardelijk aan de HEER worden gewijd en gedood worden, 17en alle goederen van de stad moeten op het plein bijeengebracht worden. Daarna moet u de stad en de goederen in brand steken, als een brandoffer voor de HEER, uw God. De stad wordt zo voor eeuwig tot een ruïne gemaakt, ze mag nooit meer herbouwd worden. 18Van de goederen waarop de ban van de HEER rust mag u niets verduisteren. Als u zo handelt zal de woede van de HEER bekoelen en zal Hij u genadig zijn. Hij zal zich over u ontfermen en u in aantal doen toenemen, zoals Hij uw voorouders onder ede heeft beloofd. 19Want dan bent u de HEER, uw God, gehoorzaam: u leeft de geboden na die ik u vandaag voorhoud en u doet wat goed is in zijn ogen.

Verboden rouwgebruiken; over reine en onreine dieren

1Omdat u kinderen van de HEER, uw God, bent is het u niet geoorloofd als teken van rouw uw lichaam te kerven of het haar op uw voorhoofd weg te scheren. 2Want u bent een volk dat aan de HEER, uw God, is gewijd: u heeft Hij uitgekozen om, anders dan alle andere volken op aarde, zijn kostbaar bezit te zijn.

3U mag niets eten dat door de HEER wordt verafschuwd.

4De volgende dieren mag u eten: runderen, schapen, geiten, 5herten, gazellen, reeën, steenbokken, spiesbokken, antilopen, wilde schapen, 6en alle andere dieren die gespleten hoeven hebben – dus hoeven die helemaal gedeeld zijn – en bovendien hun voedsel herkauwen. Dat zijn de dieren die u wel mag eten. 7Maar dieren die alleen herkauwen of alleen gespleten hoeven hebben, mag u niet eten. Kamelen, hazen en klipdassen zijn herkauwers, maar hebben geen gespleten hoeven; daarom gelden ze voor u als onrein. 8En zwijnen hebben wel gespleten hoeven, maar herkauwen niet; daarom moet u ook die als onrein beschouwen. Eet geen vlees dat van zulke dieren afkomstig is en raak hun kadavers niet aan.

9Alles wat in het water leeft en vinnen en schubben heeft mag u eten, 10maar dieren zonder vinnen of schubben niet; die gelden voor u als onrein.

11Alle vogelsoorten die rein zijn mag u eten. 12De volgende vogels mag u niet eten: de vale gier, de lammergier, de monniksgier, 13de rode en de zwarte wouw, de verschillende soorten buizerds, 14alle soorten kraaien en raven, 15de struisvogel, de velduil, de bosuil, alle soorten valken, 16de steenuil, de ransuil, de kerkuil, 17de dwergooruil, de visarend, de aalscholver, 18de ooievaar, de verschillende soorten reigers, de hop en de vleermuis. 19Ook gevleugelde insecten moet u als onreine dieren beschouwen, die u niet mag eten, 20met uitzondering van enkele reine soorten.

21U mag geen vlees eten van dieren die dood gevonden zijn. Laat het aan de vreemdelingen die bij u in de stad wonen, of verkoop het aan een buitenlander. Want u bent een volk dat aan de HEER, zijn God, gewijd is.

U mag een geitenbokje niet koken in de melk van zijn moeder.

Over plichten op gezette tijden

22Ieder jaar moet u het tiende deel van de opbrengst van uw akkers afdragen. 23Van de tienden van uw graan, wijn en olie en uw eerstgeboren runderen, schapen en geiten moet u een feestmaal aanrichten ten overstaan van de HEER, uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen om er zijn naam te laten wonen. Zo leert u steeds opnieuw te leven in ontzag voor de HEER, uw God. 24Voor het geval u niet in staat bent om uw tienden en uw offergaven die hele afstand mee te nemen – zeker wanneer de HEER u rijk gezegend heeft – omdat de plaats die Hij uitkiest te ver weg is, 25moet u uw afdracht te gelde maken en met dat geld in een buidel naar de plaats van zijn keuze gaan. 26Daar mag u het uitgeven aan alles wat u maar wilt: runderen, schapen en geiten, wijn en bier en wat maar in u opkomt, en daarvan richt u dan, ten overstaan van de HEER, uw God, een feestmaal aan met uw hele familie. 27En vergeet daarbij de Levieten die bij u in de stad wonen niet, want zij bezitten geen eigen grond zoals u.

28Elk derde jaar moet u het tiende deel van de opbrengst in zijn geheel afstaan en het opslaan in de stad. 29De Levieten, die geen grond bezitten zoals u, en de vreemdelingen, de weduwen en de wezen die bij u in de stad wonen, mogen daarvan dan eten tot ze verzadigd zijn. De HEER, uw God, zal u erom zegenen in alles wat u onderneemt.

Deuteronomium 12-14NBV21Open in de Bijbel

1Een goddeloze vlucht, zelfs als niemand hem opjaagt,

een rechtvaardige voelt zich veilig als een leeuw.

2Als een land in opstand komt, werpen velen zich op als leider,

slechts iemand met kennis en inzicht zorgt voor blijvende rust.

3Een arme die andere armen onderdrukt

is als regen die de oogst wegspoelt.

4Wie zelf de wet niet naleeft, prijst de wettelozen,

wie de wet in acht neemt, trotseert hen.

5Een kwaadaardig mens begrijpt niets van het recht,

wie de HEER zoekt, kan alles begrijpen.

6Beter een arme die onberispelijk leeft

dan een rijkaard die op kronkelpaden gaat.

7Een zoon met inzicht houdt zich aan wat hem is geleerd,

wie met brassers omgaat, maakt zijn vader te schande.

8Wie zijn bezit vergroot door woekerrente

vergroot het voor wie zich bekommert om de armen.

9Als je geen gehoor geeft aan de wet,

is zelfs je gebed de HEER een gruwel.

10Wie oprechte mensen op het slechte pad brengt

komt in zijn eigen val terecht;

wie onberispelijk is, vindt geluk.

11Een rijkaard dicht zichzelf veel wijsheid toe,

een arme met inzicht doorziet hem.

12Als rechtvaardigen triomferen, heeft het leven glans,

als goddelozen de macht grijpen, houdt elk mens zich schuil.

13Wie zijn fouten verbergt, zal geen voorspoed kennen,

wie ze toegeeft en vermijdt, krijgt vergeving.

14Gelukkig is de mens die siddert voor de HEER,

wie eigenzinnig is, stort zichzelf in het verderf.

15Een goddeloze die een arm volk in zijn macht heeft

is als een brullende leeuw, een ziedende beer.

16Een heerser zonder inzicht onderdrukt op grote schaal,

wie winstbejag haat, zal lang regeren.

17Een mens die bloed vergoten heeft,

zal het graf in vluchten;

laat niemand hem daarvan weerhouden.

18Wie onberispelijk leeft, zal worden gered,

wie kromme wegen gaat, komt plotseling ten val.

19Wie zijn grond bewerkt, heeft genoeg te eten,

wie lucht najaagt, wordt gevoed met armoede.

20Een eerlijk mens wordt rijkelijk gezegend,

wie snel rijk wil worden, blijft niet ongestraft.

21Partijdig zijn is slecht,

maar men is het al voor een stuk brood.

22Een hebzuchtig mens jaagt rijkdom na,

hij weet niet dat gebrek hem wacht.

23Wie een ander terechtwijst, zal uiteindelijk waardering krijgen,

meer dan iemand die een ander vleit.

24Wie zijn vader en moeder berooft en zegt:

‘Daar steekt geen kwaad in,’

is niet beter dan een moordenaar.

25Wie zelfzuchtig is, ontketent ruzie,

wie op de HEER vertrouwt, leeft in voorspoed.

26Wie op zijn eigen verstand vertrouwt is een dwaas,

wie wijsheid als leidraad heeft, ontsnapt aan alle gevaar.

27Wie aan de armen geeft, lijdt nooit gebrek,

wie zijn ogen afwendt, wordt door veel vervloekingen getroffen.

28Komen goddelozen aan de macht, dan zoekt ieder mens een schuilplaats,

gaan ze ten onder, dan zullen rechtvaardigen heersen.

Spreuken 28NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons