Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap
20 april 2026Anne-Mareike Schol-Wetter

Wat doet een nette profeet met pornografie?

Er zijn Bijbelteksten waarvan je je afvraagt waarom ze in de Bijbel staan. Geen beloftes van genade en een hoopvolle toekomst, maar geweld, uitsluiting, soms zelfs beelden die aan pornografie doen denken. Er wordt zelden gepreekt over dit soort teksten, en dat is misschien maar goed ook, zeker als er kinderen in de zaal zitten. Tegelijkertijd is het jammer, want wie deze passages zonder tekst en uitleg tegenkomt, bijvoorbeeld tijdens persoonlijke Bijbelstudie, schrikt er vaak van. Toch vertellen ze in al hun afschrikwekkende ruwheid iets over de worstelingen van het volk Israël met zichzelf en hun God, en uiteindelijk ook over mensen van alle tijden. Daarom vanaf vandaag een nieuwe miniserie, over teksten die direct of indirect tot het grootste trauma van het Bijbelse Israël te herleiden zijn: de Babylonische ballingschap.

Ohola en Oholiba

Vandaag Ezechiël 23, over de zusters Ohola (Samaria) en Oholiba (Jeruzalem). Zelden kom je in de Bijbel twee zusters tegen die zo eensgezind zijn als zij. Beiden gedragen ze zich vanaf schrikbarend jonge leeftijd als hoeren, en daar gaan ze ook mee door nadat God zelf hen tot vrouw heeft genomen. De profeet meet hun wandaden breed uit, in niet mis te verstane, afschuwwekkende bewoordingen. Daarbij is er steeds sprake van drie partijen: de zusters, die symbool staan voor het noordrijk Israël en het zuidrijk Juda, hun minnaars: Egypte, Assyrië en Babylonië, de grootmachten van die tijd, en ten slotte God, die zich hier en eerder (bijvoorbeeld in Ezechiël 16) eerst als liefdevolle echtgenoot laat zien, maar uiteindelijk zijn handen van de zusters aftrekt.

Het historische verhaal dat hieraan ten grondslag ligt, luidt als volgt: Israël en Juda liepen door hun geografische ligging tussen Egypte en Mesopotamië regelmatig het risico om dan weer door de ene, dan weer door de andere grootmacht opgeslokt te worden. Hun leiders probeerden daarom met wisselend succes bescherming af te kopen door loyaliteit te beloven aan de op dat moment meest opportune partner. Uiteindelijk kwam het politieke spel beide rijken duur te staan: Samaria werd in 722/21 voor Christus door de Assyriërs ingenomen en het volk in ballingschap weggeleid (2 Koningen 17:1-6). Jeruzalem overkwam in 598 een soortgelijk lot. In 586 werd bij een tweede aanval de stad volledig verwoest, inclusief de tempel (2 Koningen 25).

Loverboys

Tot zover het verhaal zoals je dat in een geschiedenisboek zou lezen. In de woorden van de profeet klinkt het ietsje anders … Volgens Ezechiël 23:1-4 begon het drama in Egypte, in de tijd nog voordat God het volk uit de slavernij bevrijdde en een verbond met hen sloot. In een misselijkmakende vorm van horigheid staan de jonge zussen toe dat hun onderdrukkers handelingen met hen uitvoeren die eerder in een bordeel dan in een kinderkamer thuishoren. En met die gewoonte zullen ze nooit meer breken. Het doet denken aan de verhalen over de slachtoffers van loverboys, onzekere meisjes die dusdanig afhankelijk worden gemaakt dat ze tot alles bereid zijn voor het gevoel van een beetje waardering.

Victim blaming?

De beelden in Ezechiël 23 zijn problematisch. We zijn – terecht – erg alert op taal die suggereert dat bij grensoverschrijdend gedrag (een deel van) de schuld bij het (vaak vrouwelijke) slachtoffer ligt, of die vrouwen in het algemeen als verleidsters of erger afschildert. Is zoiets hier ook aan de hand?

Ja en nee. Ja: de profeet windt er geen doeken om dat Samaria en Jeruzalem hun traumatische vernedering grotendeels aan zichzelf te danken hebben. Natuurlijk, het gedrag van de grootmachten, de loverboys in deze verziekte driehoeksverhouding, verdraagt het daglicht ook niet. Maar Samaria en Jeruzalem waren gewaarschuwd, ze hadden beter kunnen weten dan achter de ‘zwaargeschapen Egyptenaren’ aan te lopen! Op z’n minst een deel van de schuld ligt dus inderdaad bij de zussen – en dat dit soort teksten de neiging hebben een eigen leven als het gaat om ons beeld van vrouwen, weten we helaas maar al te goed.

Maar het is belangrijk te beseffen dat de profeet hier niet werkelijk over vrouwen spreekt. Hij gebruikt dezelfde techniek als Natan wanneer hij David confronteert met zijn overspel met Batseba (2 Samuel 12:1-15), maar dan vermenigvuldigd tot de tiende macht. De beoogde toehoorders van Ezechiël zijn de (mannelijke) leiders van het volk. Zij hebben ervoor gekozen op de macht van Egypte, Assyrië en Babylonië te vertrouwen, zij waren bereid om hun eigen integriteit en die van het volk op te geven in ruil voor lege beloftes van bescherming en welvaart. Alleen het beeld van overspel en prostitutie is sterk genoeg om Ezechiëls afschuw van die praktijken uit te drukken. Een beeld dat in die tijd, waarin mannelijkheid nog sterker dan nu werd gedefinieerd via zelfcontrole en zelfbeschikking, nog meer afgrijzen opwekte dan nu. Dat is ook precies de bedoeling: de boodschap moet overkomen, wil er ooit nog sprake zijn van berouw en herstel. En dat gebeurt: wie Ezechiël leest, kan zich niet onttrekken aan de verontwaardiging en de haast lichamelijke weerzin die de beelden oproepen, en die uiteindelijk tegen de lezer (of toehoorder) zelf gericht is.

Het zal nog decennia duren voordat er weer toenadering plaatsvindt tussen God en zijn verstoten ‘echtgenote’. Maar uiteindelijk zet het herstel in – op initiatief van God, maar voorbereid door de woorden van Ezechiël en al die andere profeten.

Anne-Mareike Schol-Wetter is Hoofd Bijbelgebruik bij het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Deze blog verscheen eerder in de rubriek Leerhuis in het Friesch Dagblad op 15 oktober 2022.

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.42.5
Volg ons