Wat betekent Pasen


The Passion trekt een miljoenenpubliek, kerken en concertzalen stromen vol als de Matthäus Passion wordt uitgevoerd. En allemaal wensen we elkaar bij het paasontbijt een vrolijk Pasen. Toch lijken steeds minder Nederlanders de religieuze betekenis van Pasen te kennen: het goede nieuws dat Jezus opstond uit de dood, nadat Hij was gestorven voor onze zonden.
Dat christelijke verhaal over Jezus’ dood en opstanding verdient een blijvende plaats in ons collectieve bewustzijn. Want het leert ons iets over onszelf. Pasen gaat niet alleen over ‘toen’, over gebeurtenissen van eeuwen geleden. Het gaat ook over onszelf en onze bestemming: we mogen bevrijd worden uit de duisternis en deel krijgen aan het licht. Het verhaal van Jezus van Nazaret onthult daarbij een bemoedigende waarheid: de offers die we brengen omwille van recht, trouw en liefde zijn geen nederlaag maar een overwinning.
In het Nieuwe Testament is de betekenis van Jezus’ dood en opstanding een van de belangrijkste thema’s; ze komt in bijna alle boeken van het Nieuwe Testament ter sprake. Over één ding zijn alle schrijvers het eens: Jezus’ dood en opstanding is doorslaggevend en brengt heil voor de wereld.
Opvallend is met hoeveel verschillende woorden en beelden de betekenis van Jezus’ dood en opstanding wordt uitgedrukt: loskoop, verzoening, redding, bevrijding, overwinning, en nog diverse andere. Twee opvallende, loskoop en bevrijding, bespreek ik hier.
Loskoop
Het Nieuwe Testament gebruikt termen van loskoop en vrijkoop om duidelijk te maken dat Jezus’ dood en opstanding mensen bevrijdt uit hun slavernij. Een voorbeeld:
Het beeld dat wordt opgeroepen is dat van slaven die worden vrijgekocht uit een uitzichtloos bestaan. Als mensen slaven zijn, wie is dan hun eigenaar? Daar is het Nieuwe Testament duidelijk over: dat zijn de kwade machten, de heersers van deze wereld. Zij voeren heerschappij over de mensen, ze hebben de mensen volledig in hun greep. Door Jezus’ dood en opstanding worden mensen vrijgekocht uit de macht van het kwaad; ze komen te staan aan de kant van God en zijn hemelse werkelijkheid. Christus eigent zich hen toe om hen te laten delen in zijn hemelse leven en ze dienstbaar te laten zijn voor Gods werkelijkheid die op aarde zal doorbreken.
Bevrijding
Een tweede opvallende manier van spreken is die van redding en bevrijding. Dit is het meest voorkomende beeld in het Nieuwe Testament: de dood en opstanding van Jezus brengt bevrijding. Het sluit direct aan bij het bovenstaande, want het gaat om redding en bevrijding uit de macht van kwaad en dood.
In het Nieuwe Testament worden Jezus’ dood en opstanding onlosmakelijk verbonden. Het is zijn opstanding die maakt dat zijn dood redding en bevrijding brengt. En we zien ook nog iets anders, vooral in de evangeliën: redding en bevrijding bracht Jezus niet alleen door zijn dood en opstanding, maar door heel zijn optreden. Hij nam het op tegen kwade geesten, ziekten, natuurgeweld, maatschappelijke uitsluiting, hypocrisie, en de hardnekkige neiging om ten koste van andere te willen scoren. Met belangeloze liefde als wapen brak Hij de macht van het kwaad, en Hij riep zijn volgelingen op hetzelfde te doen. Liever aanvaardde Hij de dood dan verraad te plegen aan de nieuwe werkelijkheid die Hij bracht.
Jezus’ dood als offer
Waarom moest Jezus sterven? Er zijn in de theologie allerlei antwoorden gegeven. Het bekendste is de traditionele verzoeningsleer: Jezus’ dood bracht genoegdoening voor de schuld van de mensen, Hij betaalde de prijs voor onze zonden. Als je die redenering volgt, dan wilde God dat Jezus stierf aan het kruis. Immers: God wilde bloed zien, als offer voor de menselijke schuld.
Dit antwoord – dat teruggaat op Anselmus van Canterbury; omstreeks 1100 na Christus – is volgens veel Bijbeluitleggers toch niet wat het Nieuwe Testament zegt.
Het Nieuwe Testament duidt Jezus’ dood als een offer in de strijd tegen de kwade machten die de wereld beheersen. Jezus is trouw aan de opdracht van God – Hij brengt Gods nieuwe wereld en bevrijdt mensen van de machten van deze wereld – en dat kost Hem zijn leven. Dat God ‘de beker van het lijden’ niet aan Hem voorbij laat gaan, betekent dat God zijn dood niet verhindert. Het kwaad moet overwonnen worden, daarom moet Christus zijn opdracht volbrengen, ook als Hij er voor moet sterven. Dus ja, er is zeker sprake van een offer, maar anders: Jezus offert zijn leven op voor de goede zaak.
Een voorbeeld (ontleend aan het boek van Ab Ridder) uit onze geschiedenis helpt om dit te verduidelijken: Kun je zeggen dat Churchill en Roosevelt wilden dat de mannen die zij in de strijd stuurden tegen nazi-Duitsland gedood zouden worden? Nee. Wel kun je zeggen dat ze ter wille van de bevrijding van Europa hun eigen mensen niet hebben gespaard. In vergelijkbare termen beschrijft de Bijbel Jezus’ dood: als een offer in de strijd voor onze bevrijding.
Overwinning van de dood
Jezus’ dood was niet het einde. Juist toen het kwaad leek te zegevieren, overwon Jezus de macht van de dood en verderf. Door dood en vernedering heen bracht God Hem in het leven terug en gaf Hem de hoogste hemelse positie. En wie bij Hem hoort deelt in zijn hemelse eer. Wie het goede nieuws gelooft gaat een diepe band met Jezus aan. De Bijbel typeert dat als een complete transformatie. Je laat je oude ‘ik’ achter en wordt ‘één met Christus’. Dat betreft een diepe verbintenis met de hemelse Christus en je medegelovigen én een verandering van je leven. Je oude leven heeft afgedaan – het leven voor jezelf, je succes en ambities. Je bent bevrijd van alles wat je onderdrukte, wat je onzuiver maakte, wat je klein hield en vastbond. In vrijheid leef je voor Gods nieuwe werkelijkheid. Christus’ leven, dood en opstanding zijn daarmee de weg geworden van elke gelovige.
Hét kenmerk van dit nieuwe leven is dat de Geest van Christus in je is. Dat betekent dat je in diepe verbondenheid leeft met Christus en met God, en dat je in alles Gods nieuwe werkelijkheid dient.
De strijd tegen het kwaad
De Bijbel spreekt over een doorgaande strijd tegen het kwaad. Dat is herkenbaar. Zelfzucht, machtsbelustheid, ziekte, angst, eenzaamheid en uitsluiting zijn er nog steeds. En wie kent niet het gevoel muurvast te zitten in een systeem dat niet deugt, maar je niet bij machte te voelen het te veranderen?
Wie zich verzet tegen het kwaad, betaalt daarvoor een hoge prijs. Dat is nu niet anders dan tweeduizend jaar geleden. Je eigen belang wegcijferen, anderen dienen, uitgestotenen, armen, verdrukten en vluchtelingen bijstaan, je uitspreken tegen het kwaad, bevrijding brengen: het staat op gespannen voet met onze hang naar een comfortabel leven. Ook wij zijn ongelooflijk goed in mooie woorden – ‘een menswaardig bestaan voor iedereen’, ‘goed voor natuur en milieu’, ‘een eerlijke samenleving’ – en ongelooflijk slecht in de zelfopoffering die daarvoor nodig is.
Toch is dat waartoe de Bijbel ons oproept. Pasen draait om het geloof dat Jezus uit de dood is opgestaan. Maar het staat niet los van de noodzaak van onze eigen innerlijke ‘opstanding’: de bevrijding uit je oude leven en je in vertrouwen overgeven aan Gods nieuwe wereld en alles wat je vraagt.
De Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges besluit zijn indrukwekkende gedicht ‘Christus aan het kruis’ met de vraag: ‘Wat kan het mij baten dat die man geleden heeft, als ik nu lijd?’
Ik beweer niet het antwoord te hebben op die vraag. Al eeuwenlang worstelen mensen met de vraag naar het waarom van het lijden. Maar ik zie in het paasverhaal wel een diepe bemoediging: dat de offers die we brengen omwille van recht, trouw en liefde geen nederlaag zijn maar een overwinning. Dat vertrouwen brengt ons dichter bij de betekenis van Pasen.
Prof. dr. Matthijs de Jong is hoofd vertalen en exegese bij het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap.


