Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Interview Ritania Wirht over de doorwerking van de slavernij

‘Baby’s werden voor een spiegeltje verkocht’

Door Peter Siebe

Het naamplaatje naast de bel zegt ‘R. Wirht’. Dat moet een vergissing zijn, denk ik; Ritania heet toch Wirth? Maar als ik binnen ben, brengt het naamplaatje me onmiddellijk bij de kern: slavernij. En bij de gevolgen ervan, tot op de dag van vandaag.

‘Onze naam is Duits. We zijn het eigendom van een Duitse plantagehouder geweest,’ vertelt Ritania, een gastvrije, openhartige dertiger die naar eigen zeggen ‘volop in ontwikkeling is’. Ze studeerde voor schrijfster, werkt bij de Stadsschouwburg Utrecht en werd in 2019 bekend als Miss Black Hair Nederland. ‘Degenen die in 1863 werden vrijgelaten, kregen de achternaam van hun plantagehouder. Het was gebruikelijk dat er dan letters of lettergrepen werden verwisseld of zelfs dat de naam werd omgedraaid.’

Geforceerde excuses

‘De excuses van premier Rutte over de slavernij verrasten me. Ik hoopte wel dat dit een keer zou gebeuren, maar had het niet verwacht. Dat het er snel doorheen werd gedrukt, maakte me argwanend. Was daar geen betere dag voor te vinden dan 19 december? En waarom gebeurde het midden op de dag? Ik was aan het werk en kon het dus niet zien. Terwijl de corona-persconferenties ’s avonds waren, zodat iedereen er live naar kon kijken. Het voelde niet hartelijk en niet oprecht, meer bedoeld voor de Nederlandse politiek dan voor de nazaten van de slachtoffers.

In het gezin waarin ik opgroeide, was Keti Koti altijd heel belangrijk. Mijn ouders kwamen in de jaren zeventig van de vorige eeuw naar Nederland en stichtten hier een gezin. Rond mijn tiende jaar emigreerden we naar Suriname en daar maakte ik de basisschool af. Anders dan in Nederland was er uitgebreid aandacht voor de slavernij, dus sinds die tijd wist ik wie Boni, Baron en Jolicoeur waren.’

Omdat het politieke klimaat in Suriname rond de eeuwwisseling niet stabiel was, ging het gezin terug naar Nederland, zodat Ritania en haar zus gewoon naar school konden.

Racisme

‘Ik was me al heel jong bewust van racisme, voordat we verhuisden naar Paramaribo. Op mijn christelijke basisschool in Purmerend zaten weinig gekleurde leerlingen. We moesten elk jaar naar Jesus Christ Superstar kijken, maar op een gegeven moment kon ik dat niet meer. Het stoorde me dat Judas werd gespeeld door een zwarte acteur. Ik zei: “Waarom moet uitgerekend Judas, de verrader, als enige zwart zijn en de rest, inclusief Jezus, wit?” Ook viel het me op dat zwarte kinderen bij het kerstspel altijd de rol van bijvoorbeeld een schaap of de ezel kregen. Je moest dan de voor- of achterkant zijn, in een ongemakkelijk kostuum. We kregen nooit de glansrollen. Ook kregen zwarte klasgenootjes vaker de schuld van een vechtpartijtje, vaker straf en vaker een lager schooladvies. Daar was ik toen al boos over. Helaas leidde mijn protest niet tot verbetering en werd het racisme niet onderkend.’

Oma op blote voeten

‘In de slavernijarchieven vind je wel gegevens over je stamboom, maar meestal geen verhalen. Gelukkig kent de familie van mijn moeder een verhaal over mijn betovergrootmoeder Rose Codrington. Zij behoorde tot de laatste generatie in slavernij. Ze mocht geen schoenen aan. Ze liep altijd op blote voeten, net als iedereen in slavernij. Ook na 1 juli 1863 bleef ze dat doen. Ze durfde geen schoenen te dragen.

Oma Rose was vroedvrouw. Ze zal op de plantage vreselijke dingen hebben meegemaakt, want in die tijd werden pasgeboren baby’s uit de armen van hun moeders gerukt en voor een spiegeltje verkocht aan andere slavenhouders. En vrouwen werden, pas bevallen, nog bloedend en wel, alweer aan het werk gejaagd. Rust en ruimte voor herstel werd hun niet gegund. Erover praten deed oma Rose niet, ze zong liever gospelliederen.’

Eén plaatje

Prent uit J.G. Stedman, Narrative of a five years' expedition against the revolted Negroes of Surinam, 1796. © Tropenmuseum
Prent uit J.G. Stedman, Narrative of a five years' expedition against the revolted Negroes of Surinam, 1796. © Tropenmuseum

‘Ik hield van geschiedenis. Maar toen ik op de middelbare school in Nederland dat vak kreeg, werd ik opnieuw boos. Want over Suriname en de slavernij stond in het boek alleen maar dit plaatje, van een vrouw die met een ketting vastgebonden stond aan een boom en met de zweep kreeg. Dat plaatje kende ik van de basisschool in Suriname. Het was het mildste slavernijplaatje dat ik gezien had. En dat terwijl er genoeg andere, vreselijke afbeeldingen zijn: over brandmerken, vierendelen, en over de marteling van Tula, de leider van de slavenopstand op Curaçao in 1795. Ik weet ook nog precies de drie regels waarmee mijn lesboek op de middelbare school de slavernij afdeed: dat er slavenhandel was, dat er plantages waren, en dat het een zwarte bladzijde was. Dat was alles. Toen ben ik van geschiedenisles weggebleven tot aan het eindexamen.’

Doorwerking van het verleden

Bij de nazaten van de daders ziet Ritania het slavernijverleden doorwerken in privileges. Gemiddeld hebben ze een hogere opleiding gevolgd en hebben ze meer geld dan gekleurde gezinnen. ‘Je kunt er niks aan doen dat je bij je geboorte voordelen hebt gekregen, maar het zou helpen als je het beseft en je inzet voor anderen met minder kansen.’

Ook bij de nazaten van de slachtoffers ziet Ritania gevolgen van het verleden. ‘De identiteit die wij, zwarte mensen, hadden, is ons met geweld afgepakt. Vóór de slavenhandel was Afrika een ontwikkeld continent. De Egyptische piramiden zijn gebouwd door gekleurde mensen met kennis van wiskunde. De gaper bij de drogist is een Moor: zwarten legden de basis voor de geneeskunde. Maar dat weet bijna niemand! Als zwarte Nederlander moet je nu je identiteit vormen zonder te weten waar je vandaan komt. En het ideaal dat je voorgehouden krijgt – naar mijn mening: leven zoals witte Nederlanders behaagt – is oneerlijk en onbereikbaar. Want jij zult nooit wit zijn, hoe hard je ook je best doet.’

Christelijk geloof

Ritania is christen, maar vecht ook met God: ‘Ik heb over wat er in de wereld gebeurt tegenwoordig meer vraagtekens dan voorheen. Ik maak ruzie met God, maar zoek Hem toch op.’ Haar geloof, beseft ze, is in zekere zin een opgedrongen, koloniaal geloof. ‘Wintirituelen worden in het ene deel van mijn familie gepraktiseerd, in een het andere deel niet. De kerk maakte mensen er bang voor en wilde er niet van weten. Ik ben er niet meer bang voor en durf ze te onderzoeken. Aan de andere kant: ik geloof in Jezus en heb momenten waarop ik God echt ervaar. Dat wil ik niet kwijt.’

Lees hier Ritania's favoriete Bijbelverhaal: de Babylonische spraakverwarring

Helingsproces

Tussen Nederlanders enerzijds en Surinamers en Antillianen anderzijds is een helingsproces nodig. Ritania: ‘Wie privileges hebben, moeten onderkennen dat dit zo is en dat ze onrechtmatig verkregen zijn. Ze moeten de andere partij die privileges ook gunnen (of anders ervan afzien), oprechte excuses aanbieden als ze fouten maken, en willen leren van fouten. Geef anderen de ruimte om zonder gestuurd te worden hun eigen identiteit te vinden. Ga naar de achtergrond en luister. Alleen zo kan de etterende wond genezen.’

Kan de kerk bij dat helingsproces helpen? Ritania twijfelt: ‘De kerk is mede-veroorzaker van het probleem. En dan is het lastig om ook deel van de oplossing te zijn. Wel kan de kerk helpen bij het onderdeel vergeving – want dat is een van de allermoeilijkste dingen om te doen. Daar zou de kerk expert in moeten zijn, met Jezus als boegbeeld. Ik denk hierbij aan Pasen. Hoewel ik zelf nog zoek naar de betekenis en de rol van Jezus’ dood en opstanding, is Pasen het ultieme verhaal over vergeving en een nieuw begin (zie bijvoorbeeld Matteüs 26:26-28, PS). Jezus werd onschuldig gedood voor andermans fouten – en juist daardoor is er genade voor mensen. Ik word daar wel stil van.’

Interview en tekst: Peter Siebe

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.8
Volg ons