Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap
29 maart 2026Rolinka Klein Kranenburg

Navigeren ‘met zonder God’

1Vanuit de woestijn van Sin trok het hele volk van Israël verder, van de ene pleisterplaats naar de andere, volgens de aanwijzingen van de HEER. Toen ze hun tenten opsloegen in Refidim, bleek daar geen water te zijn om te drinken. 2Ze maakten Mozes verwijten. ‘Geef ons te drinken, geef ons water!’ zeiden ze. Mozes zei: ‘Waarom maakt u mij verwijten? Waarom stelt u de HEER op de proef?’ 3Maar omdat het volk daar hevige dorst leed, bleef het klagen. ‘Waarom hebt u ons weggehaald uit Egypte?’ zeiden ze tegen Mozes. ‘Om ons van dorst te laten sterven, met onze kinderen en ons vee?’

4Mozes riep luid de HEER aan. ‘Wat moet ik met dit volk beginnen?’ vroeg hij. ‘Er hoeft niet veel meer te gebeuren of ze stenigen mij!’ 5De HEER antwoordde Mozes: ‘Ga samen met een aantal van de oudsten van Israël voor het volk uit. Neem de staf waarmee je op de Nijl hebt geslagen in je hand en ga op weg. 6Ik zal je opwachten op de rots bij de Horeb. Als je op de rots slaat, zal er water uit stromen, zodat het volk te drinken heeft.’ Mozes deed dit, in het bijzijn van de oudsten van Israël. 7Hij noemde die plaats Massa en Meriba, omdat de Israëlieten Mozes daar verwijten hadden gemaakt en omdat ze daar de HEER op de proef hadden gesteld door te vragen: ‘Is de HEER nu in ons midden of niet?’

Strijd tegen Amalek

8In Refidim werd Israël aangevallen door de Amalekieten. 9Toen zei Mozes tegen Jozua: ‘Kies een aantal mannen uit en trek met hen tegen Amalek ten strijde. Ikzelf zal morgen op de top van de heuvel gaan staan, met in mijn hand de staf van God.’ 10Jozua deed wat Mozes hem had opgedragen en trok tegen Amalek ten strijde, en Mozes ging naar de top van de heuvel, samen met Aäron en Chur. 11Zolang Mozes zijn arm opgeheven hield, was Israël de sterkste partij, maar liet hij zijn arm zakken, dan was Amalek de sterkste. 12Toen Mozes’ armen zwaar werden, legden Aäron en Chur een steen bij hem neer, zodat hij daarop kon gaan zitten. Zelf gingen ze aan weerszijden van hem staan, om zijn armen te ondersteunen. Daardoor konden zijn armen opgeheven blijven totdat de zon onderging. 13Zo versloeg Jozua het leger van Amalek tot de laatste man.

14De HEER zei tegen Mozes: ‘Leg deze overwinning in een oorkonde vast, zodat niemand die ooit zal vergeten, en overtuig Jozua ervan dat Ik ervoor zal zorgen dat niets onder de hemel nog aan het volk van Amalek herinnert.’ 15Toen bouwde Mozes een altaar, en hij noemde het ‘De HEER is mijn banier’. 16Hij zei: ‘Omdat Amalek de hand heeft durven opheffen tegen de troon van de HEER, zal de HEER strijd voeren tegen Amalek, in alle komende generaties.’

Exodus 17:1-16NBV21Open in de Bijbel

Je ziet het soms bij gekooide dieren. Wanneer ze vrijgelaten worden, blijven ze toch liever in de kooi zitten. Die kennen ze, daar voelen ze zich veilig. Terwijl het een schijnveiligheid is, want een wild dier hoort niet in een kooi. Een leeuw komt pas tot zijn recht in zijn natuurlijke leefomgeving. Dat geldt ook voor mensen: pas als bevrijd mens kom je tot je bestemming, word je zoals je bedoeld bent. Maar als je niet weet wat dat is, vrijheid, wat dán?

Dan wordt het lastig om vrij te leven. Want hoe kom je erachter hoe je bedoeld bent? Dat je bedoeld bent om te leven in een open verbinding met God, om te leven in liefde en in vrede? Om te leven in vertrouwen, wetend dat God je niet loslaat in leven en sterven? Ik heb het hier over je binnenkant, je innerlijke wereld. Als die ‘klopt’, kun je veel dragen en verdragen. Maar als je de ervaring van vrijheid en vertrouwen niet hebt opgedaan, kun je zomaar denken: ‘Je weet je wat je hebt, maar niet wat je krijgt.’ En dan ben je op je hoede. Dat kan je belemmeren om belangrijke stappen te zetten. Stappen naar het onbekende, naar een leven met meer ruimte om tot je bestemming te komen.

Sleutelverhaal

Het verhaal uit Exodus 17 over de strijd tegen Amalek is volgens rabbijn Jonathan Sachs een sleutelverhaal uit Exodus. Vanaf Exodus 16 bevonden de Israëlieten zich in de woestijn. Ze waren door de Rietzee heen gegaan en nu op nieuwe grond, geografisch, maar ook existentieel. Om te begrijpen wat dit betekent, maak ik onderscheid tussen het gevecht vóór en het gevecht ná de overtocht door de Rietzee. De strijd ervoor, dat was de strijd tegen de Egyptische strijdwagens van de farao. Wat waren die zeshonderd strijdwagens angstaanjagend geweest! Het volk had zijn angst en wanhoop Mozes om z’n oren geslingerd. Maar Mozes had geantwoord: Wees niet bang, wacht rustig af, dan zul je zien hoe de Heer de overwinning voor jullie behaalt. Doe niets, God zal het voor jullie doen. Die strijd tegen de Egyptenaren was dus zogezegd een goddelijke strijd.

Hoe anders ging het in dat gevecht tegen de Amalekieten in hoofdstuk 17. Daar gebeurde geen wonder van hogerhand, behalve dan dat de naar de hemel opgeheven armen van Mozes de sleutel waren tot de overwinning. De Joodse uitleg daarvan, de Misjna, zegt:

‘Zijn het de handen van Mozes die strijd geleverd hebben of de vijand verslagen hebben? Nee, dat niet. De tekst geeft aan dat zolang de Israëlieten hun gedachten opwaarts richtten en zich overgaven aan hun hemelse Vader, ze aan de winnende hand waren. Anders niet.’

Het verschil dat God maakt, zo wil de Misjna zeggen, vindt niet buiten ons plaats, maar in ons. Mozes’ handen verrichtten geen wonder, maar ze wezen naar boven, om de Israëlieten erop te wijzen met hun gedachten bij God te zijn. Daar zijn moed, hoop en geloof vandaan te halen. En deze strijd tegen Amalek vond plaats nadat de Israëlieten zich hadden afgevraagd: ‘Is God nou wel of niet in ons midden?’ Het leuke is dat deze zin in het Hebreeuws twee dingen kan betekenen: ‘in ons midden’ in ruimtelijke zin, maar ook: ‘in ons binnenste’, in psychologische zin. In ons hart, in onze gezindheid. Deze strijd tegen de Amalekieten laat wat mij betreft de innerlijke, emotionele dimensie van Gods aanwezigheid zien.

Partnerschap

De Israëlieten wonnen niet omdat God voor hen streed, maar omdat ze de kracht ontvingen van God om hun eigen strijd te voeren. God was niet ‘in hun midden’, maar ‘in hen’. Dat was de grote verandering tussen de situatie voor en na het oversteken van de Rietzee. Voor de Rietzee verrichtte God het wonder en was de mens passief. Na de Rietzee ging het om een partnerschap tussen God en mens. Na de Rietzee was de mens actief, de mens die zogezegd samenwerkt met wie God is. Dat is lastig te bevatten. Ik moet denken aan mezelf als kind; als het mooi weer was vroeg ik aan mijn moeder: ‘Mag ik met zonder jas naar buiten?’ Zo zou je in dit geval kunnen zeggen: Israël moest ‘met zonder God’ deze strijd voeren.

In Exodus 17 lees ik dat God de strijd niet voor ons voert, maar ons in staat stelt om zelf onze strijd aan te kunnen. Alleen, dat vraagt om vertrouwen. En juist in een niemandsland is vertrouwen op een onzienbare God best een opgave. Want, kun je denken, wat brengt die God me? Nou, wat dacht je van water, in een dorre omgeving? Ik kan niet voor je bepalen hoe te navigeren in voor jou onbekend gebied. Ik kan je alleen aanzeggen dat een beetje vertrouwen – dat het ergens, hoe dan ook, goed zal komen – helpt. Want vertrouwen opent je hart voor verbondenheid, bijvoorbeeld met anderen die er voor je zijn. Leven vanuit vertrouwen is niet passief. Je zult wat er op je afkomt aan moeten gaan, net als de Israëlieten. En dat doe je ‘met zonder God’, met de onzienbare God, Die er toch is en Die met jou wil zijn.

Het kan zijn dat je momenteel in onbekend gebied navigeert. Weet dan dat je – hoe dan ook – onderweg bent naar een land met leven in overvloed. Maar daar kom je niet zomaar. Je moet er, net als het volk Israël, kennelijk eerst klaar voor zijn, voordat je het kunt betreden. Je moet oefenen en eigenschappen ontwikkelen als vertrouwen, moed, besluitvaardigheid en wilskracht. Alleen zo zul je tot je bestemming kunnen komen als mens, geschapen naar Gods beeld.

Rolinka Klein Kranenburg - Protestants predikant in de Veenkerk (Amersfoort-Vathorst)

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.42.0
Volg ons