Geen Bijbeluitleg zonder inzicht in de Joodse achtergrond


Iedere theoloog weet dat Jezus en Paulus Joden waren. Maar beseft ook iedere theoloog dat er teksten in de Bijbel staan die christelijke antisemitisme gevoed hebben? En dat je met zulke teksten wijs moet omgaan? Toen ik als vertaler werkte aan Het Nieuwe Testament met Joodse toelichtingen (NTJT)
Er zijn namelijk nog steeds blinde vlekken. In Bijbeluitleg en preken komen Joden en hun godsdienst er geregeld slecht vanaf. Er is dan sprake van wat ik noem ‘retorisch anti-judaïsme’. Met retorisch anti-judaïsme bedoel ik dat de uitlegger een nieuwtestamentische persoon of idee positief laat uitkomen ten koste van de Joodse achtergrond.
Vooroordelen
Die Joodse context wordt dan extra donker aangezet, of zelfs vervormd. Praat Jezus in het openbaar met een vrouw (Johannes 4:27)? Dan wordt Hij neergezet als feministisch of progressief ten opzichte van zijn Joodse tijdgenoten. Raakt Jezus iemand met een huidziekte aan die onrein maakt (Marcus 1:41)? Dan overtreedt Hij de Joodse reinheidswetten. Roept Jezus op tot vergeving en barmhartigheid (Matteüs 18:22; Lucas 6:36)? Dan brengt Hij God dichtbij in plaats van Gods vergeving te belemmeren met moeilijke wetten. Gooit Jezus de tafels van de geldwisselaars in de tempel om (Marcus 11:15)? Dan was de tempeldienst vast gecorrumpeerd tot een handeltje.
Al dat soort typeringen, de ene subtieler dan de andere, zijn historisch aanvechtbaar. Ze voeden vooroordelen over Joden en hun godsdienst. Soms denk je na een preek: ‘Het is maar goed dat er vandaag geen Joden in de kerk zaten.’ De oproep van Amy-Jill Levine, een van de redacteuren van het NTJT, om als prediker altijd rekening te houden met een (imaginaire) Joodse bezoeker, is ook voor Nederland en Vlaanderen heel toepasselijk.
Nieuwe versus ingesleten kennis
Het is geen kwade wil, maar tekort aan kennis en begrip. Met name de cultische wetgeving en de regels rondom rituele reinheid zijn onvoldoende bekend bij christelijke uitleggers. Geen wonder, want voor christenen is die wetgeving irrelevant. Alleen specialisten kunnen zich de luxe veroorloven om hieraan genoeg tijd te besteden.
Bovendien sijpelen nieuwe inzichten uit de laatste halve eeuw maar langzaam door. Ze moeten het opnemen tegen ingesleten, vaak onbewuste uitlegpatronen. Het achterhaalde beeld dat het Jodendom in Jezus’ tijd zou zijn vastgelopen in wetticisme en uiterlijkheid, spookt nog steeds rond.
In de laatste halve eeuw is er veel veranderd in de Bijbelwetenschap. De theologie na de Sjoa heeft de Bijbeluitleg bijgestuurd. De vondst van de Dode Zeerollen leidde tot een grondige update van de kennis van de Joodse godsdienst rond het begin van de jaartelling. En in de wetenschap zijn Joodse nieuwtestamentici tegenwoordig geen grote uitzondering meer. De toegenomen kennis en diversiteit voorkomt blikvernauwing.
Wat de discussie over antijudaïsme complex maakt, is dat er in het Nieuwe Testament ook teksten te vinden zijn die Joden en hun godsdienst negatief neerzetten. Maar als de ene Jood uitvaart tegen de opvatting en het gedrag van een andere Jood, is dat heel anders dan wanneer een christen generaliserend over Joden spreekt. Het is in elk geval erg onverstandig om die negatieve retoriek in het Nieuwe Testament nog eens te versterken.
Streng of nauwkeurig?
Soms is het lastig om te bepalen of een nieuwtestamentische schrijver zelf negatief is over (opvattingen van) andere Joden, of dat uitleggers en vertalers dat erin hebben gelegd. Ik kwam een voorbeeld tegen in de NBV21 en de Willibrordvertaling. Daar staat dat Paulus zegt dat hij ‘volgens de strengste richting van onze godsdienst’ heeft geleefd (Handelingen 26:5). De vraag is of deze zelfaanbeveling de vooroordelen van ons als vertalers weerspiegelt: namelijk dat farizeeën ‘streng’ zijn. Het Griekse woord dat hier met ‘streng’ is vertaald, kan ook met ‘nauwkeurig’ of ‘precies’ vertaald worden (zie Lucas 1:3; Handelingen 18:26).
Historisch gezien is ‘nauwkeurig’ waarschijnlijk een betere typering. Farizeeën stonden erom bekend dat ze niet vanuit de natuurwet maar vanuit het positieve recht dachten, zo heb ik geleerd uit het NTJT. Vandaar dat farizeeën bijvoorbeeld positief stonden tegenover proselieten. De juridische status van ‘Jood’ woog zwaarder dan de niet-Joodse herkomst van deze mensen. De nauwkeurige, waterdichte uitleg die de Farizeeën gaven van de Tora riep een nieuwe werkelijkheid op: de proseliet ging bij het Joodse volk horen.
Nader onderzoek moet uitwijzen of de vertaalkeuze van de NBG-vertaling 1951 en de HSV beter is: ‘de meest nauwgezette partij/richting’. Het gaat immers niet om de tegenstelling streng-liberaal, maar om de manier waarop godsdienstige opvattingen gevormd worden.
Onderscheidingsvermogen
Afgelopen najaar, tijdens de presentatie van het NTJT,benadrukte Amy-Jill Levine: als je de geschiedenis niet goed begrijpt, kun je teksten uit het verleden ook niet goed begrijpen. Goede kennis van eerste-eeuwse Joden en hun godsdienst is wezenlijk voor een goed verstaan van het Nieuwe Testament. Dat is immers zelf onderdeel van de Joodse geschiedenis.
Bijbellezen is bovendien niet alleen een intellectuele zaak, maar ook een morele. Beter begrip van het Nieuwe Testament kan leiden tot beter begrip tussen mensen onderling. Onze manier van Bijbellezen zou daarom, om met Paulus te spreken, opbouwend moeten zijn en niet afbrekend (2 Korintiërs 10:8).
Het NTJT helpt mij om mijn onderscheidingsvermogen aan te scherpen. Het is mogelijk de unieke betekenis van Jezus en zijn bevrijdende optreden over te brengen zonder het Jodendom van zijn tijd in een negatief daglicht te stellen.
Deze blog verscheen ook in het Friesch Dagblad van 7 juni 2025.


