Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

26-4-2026

HOMILETIEK (preekvoorbeeld en inspiratie)

Met twee beelden beschrijft Jezus zichzelf: de herder en de deur. Het eerste is ons bekend, misschien wel zo bekend bij Jezus, dat we er niets nieuws meer in horen. Het tweede beeld is ons minder vertrouwd. Reden om bij beide beelden eens mijmerend stil te staan. Wat vertelt Jezus ons over zichzelf? Wat hebben die beelden ons te vertellen?

De herder en zijn schapen zijn vertrouwd met elkaar. De herder weet welke schapen in de omheinde ruimte, de kraal, tot zijn kudde behoren, en de schapen kennen hun herder. Het beeld roept vertrouwdheid op, intimiteit, geborgenheid, veiligheid.
Maar de situatie, waarin Jezus over deze vertrouwdheid spreekt, is allerminst veilig en vertrouwd. Niet voor niets heeft Jezus het behalve over een herder ook over een dief en een rover. Juist tevoren heeft Jezus een blinde man genezen, op de sabbat. De genezen man wordt door de farizeeën zonder pardon uit de synagoge gegooid. Dat gebeurt, nadat hij getuigd heeft over Jezus: ‘Zo iemand moet wel van God komen, want naar zondaars luistert God niet.’ De farizeeën willen iedereen uit de synagoge bannen, die Jezus als messias erkent!

Op dat moment spreekt Jezus over de dief en de herder en zegt over de laatste: ‘De schapen volgen hem omdat ze zijn stem kennen. Een vreemde echter zullen ze niet volgen. Ze zullen eerder van hem wegvluchten.’ De toehoorders, zeer waarschijnlijk waren dat de farizeeën, begrijpen niets van wat Hij bedoelt met deze gelijkenis…

Jezus wil hen zeggen: ‘Degenen die mij volgen en in mij geloven, zoals die blindgeborene, doen dat niet zomaar. Vreemden volgen ze niet. Ze doen het, omdat ze iets fundamenteels in mij herkennen. Wij hebben samen al iets gemeenschappelijks.’
Maar hoe kan Jezus dat zeggen, terwijl toch velen die in Hem begonnen te geloven en Hem wilden volgen, Hem voor het eerst zagen en hoorden. Wat werd er herkend, wat riep zo’n vertrouwen op, wat maakte, dat veel mensen bij Hem als een herder veiligheid zochten?

Het is de genezen blinde die hierop het antwoord weet. Hij zegt: ‘Is het niet merkwaardig, dat mensen niet weten, waar Hij vandaan komt?’ Het is zo duidelijk voor de blinde: het is de Schepper die via Jezus tot zijn schepsel spreekt en het roept. De Schepper kun je herkennen aan de opbouwende dingen die Hij doet, leven dat Hij herstelt of geeft, mensen die Hij hoedt, ruimte geeft; en dat doet Jezus. Vandaar dat vertrouwen.

Maar dit herkennen vraagt een zekere openheid, een zekere ontvankelijkheid en aandacht. Anders ontgaat je het teken of de stem, die jou aanspreekt. In het Evangelie zijn het meestal zieken, armen en uitgestotenen, die die aandacht en ontvankelijkheid bezitten: zij hebben weinig te verliezen, zij kijken anders tegen de gewone dingen aan dan rijke, gevestigde en gezonde mensen, en vinden daardoor heel andere dingen belangrijk in het leven.
De farizeeën behoren volgens de Evangelist tot de gevestigde mensen, ze verstaan Jezus niet…
Jezus gaat nog een stap verder. Voor degenen die Hem verstaan, intiem met Hem zijn, heeft Hij nog een ander beeld. ‘Ik ben de deur,’ zegt Hij.

Een deur is de verbinding tussen binnen en buiten. En aan allebei de kanten is er iets waardevols te vinden, zowel binnen als buiten. Wat dat betekent, kun je je misschien indenken, wanneer je je de ingang van een ziekenhuis voorstelt. Wanneer je werkelijk iets mankeert, en geholpen wilt worden, dan wil je naar binnen: daar is verlossing van je pijn, je kwaal, misschien zelfs redding van je leven. Maar wanneer je behandeld bent, dan wil je ook graag weer naar buiten, want daar ben je niet opgesloten, daar zijn je geliefden, daar is het leven. De deur is het symbool voor redding, verlossing en bevrijding, beide kanten op.

‘Ik ben de deur,’ zegt Jezus. ‘Je kan door mij vrij in en uitgaan en weidegrond vinden.’
Binnen is er veiligheid en buiten voedsel, voor schapen in beide gevallen iets kostbaars en redding gevends. Anders dan dieven en rovers die willen vernietigen, slachten en roven, is Jezus de redder waardoor de kudde leven heeft en krijgt.
En voor mensen? Door Jezus, de deur, kunnen mensen God bereiken.
En door Jezus, de deur, kan God de mensen bereiken.

Door de deur, die Jezus, is kunnen mensen God bereiken. Niemand heeft ooit God gezien. Hij lijkt zo vreemd, ver, afstandelijk, onbegrijpelijk soms in zijn daden. Bij zo’n God kun je je eenzaam voelen. Maar als Hij in Jezus dichtbij komt, blijkt Hij een mens, die je bij je naam kent; die zijn leven voor je in de waagschaal wil stellen, als dat nodig is. Die je aanraakt, zoals een herder zijn schaap, zoals een vertrouwd persoon.

Door de deur die Jezus is, kan God de mensen bereiken. Want ook voor God is die deur nodig. Hij wil de mensen bereiken, werkelijk met hen verbonden zijn. En dan is Jezus zijn weg, zijn poort naar de mensen. God heeft het nodig om in de wereld te zijn, want dan voelt Hij zich werkelijk God van de mensen. Voor God is Jezus zijn redding, redding uit zijn opgeslotenheid.
En zo hebben we allebei Jezus, de deur, nodig: God en mensen. God toont zich aan ons in Hem en de mensen van Judea raakten in Hem aan God, en wij, wij raken nog steeds in Hem aan God.

Het is goed dit erbij te bedenken. Je bent niet in staat om een deur aan twee kanten tegelijk te zien, zo gaat het ook met dit beeld. Je kunt het mysterie, waar Jezus op doelt, nooit volledig met je verstand bevatten. Maar je kunt je er wel met aandacht en ontvankelijkheid voor open proberen te stellen.
Die deur staat altijd open, zowel voor jou, als voor God. Je mag er vrij in- en uitgaan en geborgenheid, vrijheid en voedsel zoeken voor je ziel.

door: Marian Wisse
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-02

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.41.0
Volg ons