Het motief van de herder loopt als een rode draad door de lezingen van deze zondag. In Psalm 23 noemt de psalmist God vol vertrouwen ‘mijn herder’; de brief van Petrus heeft het over de ronddwalende schapen die de weg naar de herder hebben teruggevonden; in de lezing uit het Johannesevangelie identificeert Jezus zich met de herder; en ook al ontbreekt de term er, ook in de toespraak van Petrus in Handelingen, klinkt het motief door: zoals een herder roept God allen tot zich.
Handelingen 2,40 – ‘Laat u redden…’
Na het Pinkstergebeuren, waarover Handelingen 2,1-13 verhaalde, spreekt Petrus, samen met de elf andere apostelen – Judas was intussen vervangen door Mattias –, de samengestroomde joodse menigte toe in Jeruzalem. Vers 36, waarmee de lezing van vandaag begint, bevat de laatste woorden van deze toespraak van Petrus. Het is een ware geloofsbelijdenis: ‘Jezus, die u gekruisigd hebt, is door God tot Heer en messias aangesteld’.
Petrus’ toespraak raakt de toehoorders. Ze willen weten wat hen nu te doen staat. Petrus’ antwoord is eenvoudig en moeilijk tegelijkertijd. Ze moeten zich bekeren en laten dopen; dan zal Gods Geest ook over hen komen. Drieduizend mensen laten zich dopen, en worden zo leerling van de verrezen Jezus. Ook al ontbreekt de herdersmetafoor, de vermelding dat God eenieder tot zich roept (v.39), doet ongetwijfeld denken aan de metafoor van de herder en de schapen, die de stem van hun meester volgen en zo in veiligheid kunnen leven – ‘gered’ worden.
Psalm 23,1 – ‘De HEER is mijn herder’
Psalm 23 is ongetwijfeld een van de bekendste gedichten uit het boek Psalmen. Na Psalm 22, waarin de Psalmist zijn godsverlatenheid uitschreeuwde – ‘Mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’ – ademt Psalm 23 vertrouwen.
In het opschrift is vermeld dat Psalm 23 een ‘psalm van David’ is. Er is veel onzekerheid over het auteurschap van de Psalmen, en over de vraag of de bijbelse koning David – als hij al een historische figuur was – effectief de auteur was van deze psalm (en andere psalmen die aan hem worden toegeschreven).
In ieder geval sluit Psalm 23 duidelijk aan bij de verhalen die over David in het Oude Testament zijn overgeleverd. De beeldspraak van de herder (v. 1) past goed bij David, die, blijkens 1 Samuel 16,11, een herdersjongen was.
Psalm 23 geniet dankzij de bucolische beelden vooral en terecht bekendheid als een psalm waarin God wordt beschreven als een herder (v. 1) – ook de rest van de terminologie in de eerste verzen van de psalm evoceren de wereld van de herder: ‘groene weiden’ (v. 2), ‘vredig water’ (v. 2), ‘veilige paden’ (v. 3), ‘donkere dalen’ (v. 4) en ‘stok en staf’ (v. 4). Het is een van de zeldzame teksten uit het boek Psalmen waar God als herder van een individu wordt benoemd. Het beeld van God als degene die het volk hoedt komt meer voor (zie bijvoorbeeld Ps. 28,9; 74,1; 79,13; 80,2).
Hoewel de herdersmetafoor typerend is voor Psalm 23, mag men niet uit het oog verliezen dat er nog een ander beeld aan bod komt. Immers, in de verzen 5-6 geldt God veeleer als gastheer dan als herder. Zoals een ideale gastheer zalft Hij het hoofd van zijn gasten – die Hij nota bene uitnodigt voor het oog van de vijand – met olie (v. 5).
In vers 6 verlaat de psalmist de beeldtaal, en benoemt hij waar het in werkelijkheid over gaat: ‘geluk en genade’ voor wie op God vertrouwt. Het vervolg van het vers maakt het nog concreter: Psalm 23 sluit af met de wens voor altijd in Gods huis – de tempel – te mogen vertoeven. Dit suggereert misschien dat de auteur van deze psalm iemand was die nauw bij de tempeldienst was betrokken.
De algemene teneur van Psalm 23 – ook al is hij misschien ooit voor een concrete situatie geschreven – maakt dat hij, als een lied van vertrouwen op God, breed toepasselijk is.
1 Petrus 2,25 – ‘U bent naar uw herder teruggekeerd’
1 Petrus 2,20b-25 bekleedt een centrale plaats in de brief, die een pseudepigrafisch geschrift is dat op naam van Petrus is gezet. Zoals blijkt uit het eerste vers van de perikoop (v. 18), dat evenwel geen deel is van de lezing op deze zondag, richt de tekst zich tot de ‘huisslaven.’ Van hen wordt verwacht dat ze ontzag hebben voor hun meester, hoe deze zich ook gedraagt. Het is zelfs een teken van Gods genade wanneer men onverdiend leed kan verdragen, zo betoogt de auteur van de brief. Daarin is Christus hen voorgegaan. Net zoals Jezus moeten derhalve ook zijn volgelingen bereid zijn onverdiend leed te verdragen en in zijn voetsporen te treden (v. 21).
De auteur van deze passage heeft duidelijk het vierde lied van de Lijdende Dienaar (Jes. 52,13–53,12) voor ogen. Dat blijkt uit het feit dat hij er verschillende motieven en uitdrukkingen uit opneemt. Jezus Christus leed, zoals de lijdende dienaar leed. Tegelijkertijd bracht zijn lijden redding. Ook de thematiek van de ronddwalende schapen aan het einde van de perikoop (1 Petr. 2,25) refereert aan deze tekst uit Jesaja: ‘Wij dwaalden rond als schapen’ (Jes. 53,4). Maar dankzij de herder kwamen zij – en komen wij – van zonde tot gerechtigheid (1 Petr. 2,24v).
Zie: dr. P. van Veldhuizen, ‘De eerste brief van Petrus. In de wereld staan’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok. Petrus in de Evangelies, Handelingen en brieven, Vught 2017, 94-103
Johannes 10,11 – ‘Ik ben de goede herder’
Met de woorden ‘Werkelijk, ik verzeker u’ (Joh. 10,1) vervolgt Jezus zijn redevoering van Johannes 9. Nadat de farizeeën de genezen blindgeborene het vuur aan de schenen hadden gelegd, openbaart Jezus zichzelf als de ‘Mensenzoon’ (Joh. 9,35) – een titel waarmee Jezus in het Johannesevangelie naar zichzelf als de Messias verwijst.
In Johannes 10,1-10 gaat Jezus in op de verschillen tussen een dief en een herder. Vooreerst benadrukt Hij dat er een verschil is in de wijze waarop een dief of een herder een kraal binnengaat (veelal vertaalt men de Griekse term aulè ten onrechte als schaapskooi, waarmee een soort gesloten stal wordt bedoeld; een kraal daarentegen is een open, omheinde ruimte). Vooreerst gaat een herder recht op de deur af; een dief daarentegen zal niet langs de deur proberen binnen te gaan, maar over de omheining trachten te klauteren. Daarnaast herkent de bewaker de herder, en zal hij de deur voor hem openmaken, wat hij trouwens voor iemand die hij niet kent niet zou doen. Tenslotte herkennen ook de schapen de stem van de herder, en volgen ze hem naar buiten, hetgeen ze met een dief die ze niet kennen niet zouden doen; integendeel, ze zouden veeleer van hem wegvluchten.
Jezus karakteriseert zijn woorden als een paroimia (Joh. 10,6) – wellicht kan de term hier het best als ‘gelijkenis’ of ‘allegorie’ worden geïnterpreteerd. Waarschijnlijk richtte Hij ze tot de farizeeën, die Hij ook reeds in Johannes 9,40 had toegesproken (vgl. Joh. 10,6: ‘Hij vertelde hun deze gelijkenis’). Echter, ze begrepen de gelijkenis niet (Joh. 10,6). In het vervolg van de perikoop belichaamt Jezus de deur van de schaapskraal (Joh. 10,7): een deur beschermt niet alleen tegen indringers, maar biedt ook toegang voor wie het goed voorheeft met de kudde. In de nauwe opening van de kraal gaat de herder wijdbeens op twee stenen staan, de schapen gaan één voor één onder hem door naar binnen, hij is de deur, onderwijl telt hij ze.
Door de uitspraak ‘Zij die vóór mij kwamen waren allemaal dieven en rovers’, naar wie ‘de schapen niet hebben geluisterd’ (Joh. 10,8) profileert Jezus zich vervolgens ook als de herder, waarop Hij in het vervolg van de perikoop – die geen deel meer uitmaakt van de evangelielezing – verder focust (Joh. 10,11-16). Anders dan dieven en rovers die willen vernietigen, slachten en roven, is Jezus de redder waardoor de kudde leven heeft en krijgt.
door: prof. dr. Hans Ausloos
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-02
