11Ook verdiende mijn vrouw Anna in die tijd geld met spinnen en weven. 12Als ze haar werk af had bracht ze het naar haar opdrachtgevers, die haar dan betaalden. Toen ze eens, op de zevende dag van de maand dystros, iets afleverde, betaalden ze niet alleen haar volledige loon, maar gaven ze haar bovendien een jong geitje uit hun kudde mee naar huis. 13Toen ze ermee thuiskwam begon het te mekkeren. ‘Hoe kom je aan dat geitje?’ vroeg ik haar. ‘Je hebt het toch niet gestolen? Breng het terug naar de eigenaar; we mogen niets eten dat gestolen is.’ 14Ze antwoordde: ‘Ik heb het als geschenk gekregen, naast mijn loon.’ Maar ik geloofde haar niet en werd boos, en zei haar nogmaals dat ze het geitje naar de eigenaar moest terugbrengen. Toen riep ze uit: ‘Jij was toch altijd zo hulpvaardig en rechtschapen? Moet je zien wat er nu van je geworden is!’
Tobit 3
1Overmand door verdriet barstte ik in tranen uit, en snikkend bad ik: 2‘Heer, U bent rechtvaardig, alles wat U doet is rechtvaardig. Al uw daden getuigen van uw barmhartigheid en trouw. U bent rechter van de wereld. 3Vergeet mij toch niet, Heer, en vestig uw blik op mij. Straf mij niet voor mijn zonden en mijn onbezonnen daden, noch voor die van mijn voorouders. Ze hebben tegen U gezondigd 4en uw geboden niet in acht genomen. Daarom hebt U ons prijsgegeven aan plundering, ballingschap en dood, en worden we bespot, belasterd en beledigd door alle volken waaronder U ons hebt verstrooid. 5Ja, alle vonnissen die u over mij velt, zijn rechtvaardig, want ik heb gezondigd. We hebben uw geboden niet in acht genomen en zijn U niet trouw gebleven. 6Doe daarom met mij wat U wilt, gebied toch dat mijn levensadem wordt teruggenomen. Dan word ik tenminste verlost van dit aardse bestaan en verga ik tot stof. Ik kan maar beter sterven dan dat ik nog langer moet leven, want de leugenachtige beledigingen die ik heb moeten aanhoren, hebben me diep gegriefd. Ach Heer, gebied toch dat ik van deze ellende word bevrijd en laat me naar mijn eeuwige rustplaats gaan. Wend uw blik niet van mij af, Heer, want liever sterf ik dan dat ik in ellende moet leven en me moet laten beledigen.’