8Juda, jou zullen je broers bejubelen,
voor jou buigt de vijand de nek,
voor jou zullen mijn zonen zich buigen.
9Sterk als een jonge leeuw ben jij,
je verovert je prooi, mijn zoon,
en keert naar je leger terug.
Juda gaat liggen als een leeuw,
vol majesteit vlijt hij zich neer –
wie zou hem durven wekken?
10In Juda’s handen zal de scepter blijven,
tussen zijn voeten de heersersstaf,
totdat hij komt die er recht op heeft;
hem zullen de volken gehoorzaam zijn.
11Aan een wijnstok bindt hij zijn ezel,
aan een wingerd het jong van zijn ezelin,
in wijn wast hij zijn gewaad,
in druivenbloed zijn bovenkleed.
12Zijn ogen glanzen dieper dan wijn,
zijn tanden zijn witter dan melk.