9Is er iemand onder jullie die zijn kind, als het om brood vraagt, een steen zou geven? 10Of een slang, als het om vis vraagt? 11Als jullie dus, slecht als jullie zijn, je kinderen al goede gaven kunnen schenken, hoeveel te meer zal jullie Vader in de hemel dan niet het goede geven aan wie Hem daarom vragen!