De Heer zal Israël bevrijden
De Heer zal niet langer zwijgen
14De Heer zegt: ‘Ik heb al heel lang niets gezegd. Ik zweeg, ik hield me in. Maar nu schreeuw ik! Ik schreeuw het uit als een vrouw die een kind krijgt.
15-16Er zal niets meer groeien op de bergen en de heuvels. Rivieren laat ik verdwijnen, meren zullen opdrogen.
Zo zal ik voor mijn volk een weg maken. Ze weten niet waar ze heen moeten, maar ik zal hun de weg wijzen. Ik zal met hen meegaan over onbekende paden. Overal waar het donker is, zal ik zorgen voor licht. En als een pad te steil is, zal ik het vlak maken.
Dat zal ik allemaal doen! 17En dan zullen de mensen zich schamen, omdat ze godenbeelden vereerden en daarop vertrouwden.’
Israël lijkt wel doof en blind
18De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Israël, je lijkt wel doof. Luister toch eens goed! Je lijkt wel blind. Doe je ogen toch eens open! 19Niemand is zo doof en blind als jij, mijn dienaar Israël. Nee, niemand is zo doof als de dienaar die ik gestuurd heb. Niemand is zo blind als het volk dat ik gestraft heb. Niemand is zo blind als jij, mijn dienaar Israël. 20Je ogen zien veel, maar je onthoudt niets. Je oren zijn open, maar je hoort niets.’
Israël wil niet luisteren
21De Heer wilde zijn volk iets leren. Hij wilde dat ze naar zijn wetten en lessen zouden luisteren. Dan zouden ze bevrijd kunnen worden.
22Maar zijn volk wilde niet luisteren. Nu zijn ze alles kwijt, hun land is leeggeroofd door hun vijanden. De Israëlieten zitten gevangen. Ze zijn door vijanden meegenomen en opgesloten. Maar niemand haalt hen terug, niemand wil hen bevrijden.
Jesaja wil dat Israël nadenkt
23Volk van Israël, denk hier goed over na, en leer ervan! 24Wie heeft ervoor gezorgd dat jullie meegenomen werden? En dat de steden leeggeroofd zijn? Dat was de Heer. Dat deed hij omdat jullie je tegen hem verzet hadden. Jullie deden niet wat hij zei. Jullie wilden niet luisteren naar zijn lessen.
25De Heer was woedend, daarom heeft hij jullie gestraft. Er kwam oorlog en geweld, jullie werden bedreigd door vuur en vlammen. Maar jullie begrepen niet waarom. Jullie hebben er niets van geleerd.