21De Heer zegt tegen zijn volk: āIsraĆ«l, jij bent mijn dienaar. Onthoud dat goed! Ik heb je gemaakt, je bent van mij. Ik zal jou nooit vergeten. 22Ik heb je al je misdaden vergeven. Ze zijn verdwenen, zoals de wolken verdwijnen door de zon. IsraĆ«l, kom bij mij terug. Ik zal je bevrijden.ā
23Iedereen moet juichen, want de Heer zal zijn volk bevrijden. Juich allemaal! Alles in de hemel moet juichen, en alles diep in de aarde moet juichen. En ook de bergen en de bossen, ja, alle bomen! De Heer zal Israƫl bevrijden. Zo laat hij zien hoe machtig hij is.
De Heer kiest koning Cyrus uit
De Heer zal zijn volk bevrijden
24De Heer zegt tegen zijn volk: āIsraĆ«l, ik zal je bevrijden. Want ik heb je gemaakt. Ik heb je het leven gegeven, nog voordat je geboren was. Ik, de Heer, heb alles gemaakt. Ik alleen heb de aarde gemaakt. En ik heb ook de hemel gemaakt, als een koepel boven de aarde.
25Priesters en waarzeggers zeggen van alles over de toekomst. Maar ik zorg ervoor dat hun voorspellingen niet uitkomen. Iedereen zal zien dat hun uitspraken belachelijk zijn.
26Maar alles wat mijn dienaren zeggen, is waar. Alles wat mijn profeten voorspeld hebben, zal echt gebeuren. Ik zal weer mensen laten wonen in Jeruzalem. De steden van Juda zullen weer opgebouwd worden. Ja, alle steden die verwoest waren, zullen weer opgebouwd worden. Daar zal ik voor zorgen. 27Want ik ben de Heer. Ik kan de diepste zee laten opdrogen, ik kan al het water uit de rivieren laten verdwijnen.
28Ik zeg tegen koning Cyrus: āJij zult mijn volk leiden. Jij zult mijn plannen uitvoeren.ā Cyrus zal ervoor zorgen dat Jeruzalem weer opgebouwd wordt. En dat er in die stad een nieuwe tempel komt.ā