De droom van Ezechiël
Ezechiël krijgt een bijzondere droom
1-3Ezechiël, de zoon van Buzi, was een priester. Hij woonde in Babylonië bij het Kebar-kanaal, bij de mensen uit Juda. Die waren vijf jaar eerder gevangengenomen en naar Babylonië gebracht, samen met hun koning Jojachin.
Op een dag, toen Ezechiël dertig jaar oud was, voelde hij opeens de macht van de Heer. Het was toen de vijfde dag van de vierde maand. Ezechiël zag de hemel opengaan, en God liet hem in een droom allerlei dingen zien.
Nu volgt alles wat Ezechiël gezien heeft.
Ezechiël ziet vier dieren
4Ik zag een storm aankomen vanuit het noorden. En ik zag een grote, donkere wolk waar bliksem uit kwam. Er was ook een fel, flitsend vuur. En midden in het vuur was iets dat glansde als goud.
5In het vuur zag ik vier dieren. Ze leken op mensen, 6maar elk dier had vier gezichten en vier vleugels. 7De dieren stonden rechtop. Hun voeten leken op de hoeven van een kalf, en ze glansden als koper. 8-10Onder hun vleugels waren handen te zien, onder elke vleugel één hand.
Het uiterlijk van de dieren
De dieren hadden aan elke kant een gezicht: voor, achter, links en rechts. Hun gezichten zagen er zo uit: Het gezicht aan de voorkant leek op het gezicht van een mens. Het gezicht aan de rechterkant leek op de kop van een leeuw. Het gezicht aan de linkerkant leek op de kop van een stier. En het gezicht aan de achterkant leek op de kop van een adelaar.
De dieren raakten elkaar met hun vleugels. Ze vormden samen een vierkant. Elk dier stond naar een andere kant toe gericht. Zo konden ze samen elke kant op bewegen, zonder dat ze zich hoefden om te draaien.
11Elk dier had dus vier vleugels. Twee vleugels hielden ze omhoog, zodat die de vleugels raakten van de dieren ernaast. Met de andere twee vleugels bedekten ze hun lichaam.
12De dieren gingen overal heen waar de geest van God hen bracht. Ze gingen steeds recht vooruit. Ze hoefden zich niet om te draaien als ze een andere kant op wilden gaan.
Tussen de dieren is een vuur
13Tussen de dieren ging een vuur heen en weer. Het was een fel vuur, en er kwam bliksem uit. Het leek wel alsof de dieren in brand stonden.
14De dieren flitsten heen en weer, zo snel als de bliksem.