26Daarna zei de Heer tegen Mozes en Aäron: 27‘Hoe lang zal dit slechte volk nog tegen mij blijven klagen? Ik heb er genoeg van!
28Vertel de Israëlieten dat ik gezegd heb: ‘Mijn besluit staat vast. Ik zal zeker doen wat jullie gevraagd hebben. Dat beloof ik plechtig! Jullie wilden toch sterven in de woestijn? 29Dan zal ik jullie laten sterven in de woestijn! Jullie hebben tegen mij geklaagd. Daarom zal iedereen sterven van wie de naam opgeschreven is, iedereen van twintig jaar en ouder. 30Jullie zullen niet in het land komen dat ik aan jullie beloofd heb. Alleen Kaleb en Jozua zullen in dat land wonen.
31Jullie zeiden dat jullie kinderen gevangengenomen zouden worden. Maar hen zal ik juist wel naar dat land brengen. Zij zullen weten hoe het land is waar jullie niet naartoe wilden. 32Maar jullie zullen sterven in deze woestijn. 33En jullie kinderen zullen veertig jaar lang door de woestijn zwerven. Zo lang duurt het voordat jullie allemaal gestorven zijn. Zo zullen jullie kinderen gestraft worden voor jullie ontrouw.
34Veertig dagen hebben de mannen in het land Kanaän rondgekeken. Daarom worden jullie veertig jaar gestraft, één jaar voor elke dag. Dan zullen jullie begrijpen hoe woedend ik op jullie ben.’
35Dat zal ik, de Heer, doen met dit slechte volk. Mijn besluit staat vast! Ze zullen in de woestijn sterven, omdat ze zich tegen mij verzet hebben.’
36-37De mannen die het land Kanaän bekeken hadden, werden doodziek. Ze stierven, dicht bij de heilige tent. Want ze hadden het volk allerlei vreselijke dingen over Kanaän verteld. Door hun verhalen was het volk gaan klagen.
38Alleen Jozua en Kaleb stierven niet. Zij waren ook in Kanaän geweest, maar zij bleven in leven.