33Korte tijd later kwamen de Midjanieten, de Amalekieten en de andere volken uit het oosten bij elkaar. Ze staken samen de Jordaan over, en maakten een kamp in het Jizreël-dal. 34Toen kwam de geest van de Heer in Gideon. Gideon blies op zijn trompet om de soldaten die afstamden van Abiëzer, bij zich te roepen. 35Ook alle soldaten uit de gebieden Manasse, Aser, Zebulon en Naftali liet hij bij zich komen.
Gideon vraagt weer om een teken
36Gideon zei: ‘God, u hebt gezegd dat ik Israël zal bevrijden. Geef mij een teken, zodat ik weet dat het waar is. 37Ik leg buiten een vacht van een schaap neer. Morgenochtend kom ik terug. Als de vacht nat wordt en de grond eromheen droog blijft, dan weet ik genoeg. Dan zal ik met uw hulp Israël bevrijden.’
38En dat gebeurde inderdaad. De volgende ochtend stond Gideon vroeg op, en ging kijken. De vacht was nat van de dauw. Hij kon er wel een hele kom water uit persen!
39Toen zei Gideon: ‘God, u moet niet boos op mij worden. Maar ik wil nog één teken vragen. Ik leg de vacht nog een keer neer. Nu moet de vacht morgenochtend droog zijn, en de grond eromheen nat.’ 40Die nacht deed God wat Gideon hem gevraagd had. De volgende ochtend was de vacht droog, en de grond eromheen was nat van de dauw.