21Toen riep Mozes de leiders van de Israëlieten bij elkaar. Hij zei: ‘Elk gezin moet een schaap of een geit uit de kudde halen en slachten voor de paasmaaltijd. 22Het bloed van het dier moeten jullie opvangen in een schaal. Dan moet het bloed met een bos kruidentakjes op de deurposten gesmeerd worden, en op de balk boven de deur. Daarna moeten jullie binnenblijven, tot morgenochtend. 23Want de Heer zal door het land gaan om de Egyptenaren te straffen. Maar als hij bloed aan de deur van een huis ziet, gaat hij dat huis voorbij. In jullie huizen zal de dood niet komen.
24Jullie en je nakomelingen moeten je altijd aan die regels houden. 25Ook als jullie in het land zijn dat de Heer jullie beloofd heeft. 26Jullie kinderen zullen dan vragen: ‘Waarom doen jullie dat?’ 27Dan moet je antwoorden: ‘Het is een paasoffer voor de Heer. Want hij is in Egypte de huizen van de Israëlieten voorbijgegaan. Hij doodde de Egyptenaren, maar hij liet ons leven.’’
Toen knielden de Israëlieten. 28Daarna deden ze wat Mozes en Aäron gezegd hadden.