Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap
Dagvers | Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Uitgebuit - Exodus 1:8-14

Bijbeltekst(en)

Exodus 1

Het volk moet voor de farao werken

8Toen kwam er in Egypte een nieuwe farao. Die farao wist niets over Jozef. 9Hij zei tegen de Egyptenaren: ‘Er zijn te veel Israëlieten. En ze zijn sterker dan wij. 10We moeten verstandig zijn en zorgen dat er niet nog meer Israëlieten bij komen. Want stel dat er oorlog komt. Dan vechten ze misschien met onze vijanden mee, en daarna zouden ze weg kunnen vluchten uit ons land.’

11Toen moesten de Israëlieten voor de farao gaan werken. Ze moesten twee steden bouwen: Pitom en Raämses. Daar wilde de farao zijn voorraden bewaren. De Israëlieten werden gedwongen om heel hard te werken. En er kwamen bewakers die hen als slaven behandelden.

12Maar hoe hard de Israëlieten ook moesten werken, er werden toch steeds meer kinderen geboren. Er kwamen zo veel Israëlieten, dat de Egyptenaren een vreselijke hekel aan hen kregen. 13-14De Israëlieten moesten daarom steeds harder werken. Ze moesten stenen bakken van klei en zwaar werk doen op het land. Ze werden als slaven behandeld, en ze werden geslagen en geschopt.

Exodus 1:8-14BGTOpen in de Bijbel

Misschien ken je het bekende gedeelte uit Genesis 12 wel: Abram krijgt van God de belofte dat hij de vader zal zijn van een groot volk, en dat zij in een eigen land zullen wonen. Aan het begin van het boek Exodus lezen we dat de Israëlieten nu het hele land Egypte bevolken. Maar het volk krijgt te maken met een heerser die het slechtste met hen voorheeft. In plaats van een leven in vrijheid krijgen ze een slavenbestaan. Ze worden afgebeuld en hun leven wordt ondraaglijk gemaakt. Een eigen land, een eigen bestaan en daarmee de vervulling van Gods belofte lijken nog ver weg…

Welke belofte van God lijkt voor jou op dit moment ver weg?

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.43.0
Volg ons