23Dit zegt de engel van de Heer:
‘De inwoners van Meroz zijn vervloekt,
want zij wilden de Heer niet helpen.
Zij wilden niet meevechten met Israëls helden.’
Jaël doodt Sisera
24Zing voor Jaël, de vrouw van Cheber, de Keniet.
Nergens woont zo’n goede vrouw als zij!
25Sisera vroeg haar om water,
en zij gaf hem melk in een prachtige schaal.
26Toen greep ze met haar linkerhand een tentpin,
en met haar rechterhand een hamer.
Ze sloeg de pin door het hoofd van Sisera.
Ze sloeg hem dwars door zijn hoofd,
en zijn hoofd brak in stukken.
27Sisera zakte in elkaar,
hij viel neer tussen haar voeten,
en bleef dood liggen.
Sisera’s moeder wacht op haar zoon
28Sisera’s moeder keek naar buiten en riep:
‘Waar blijft Sisera toch?
Waarom hoor ik zijn wagen nog niet komen?’
29Een wijze dienares gaf haar antwoord,
en zei wat de moeder zelf ook had bedacht:
30‘Ze zijn vast hun schatten nog aan het verdelen:
één of twee meisjes voor elke soldaat,
en prachtige kleding voor Sisera en zijn vriendinnen.’
De vijanden zullen sterven
31Heer, al uw vijanden zullen sterven zoals Sisera.
Maar wie van u houdt, zal altijd overwinnen,
net zoals de zon elke dag opkomt.’
Na de overwinning van Debora en Barak was er veertig jaar vrede in het land.