Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

9 september - Ezechiël 14:1-11

Bijbeltekst(en)

Ezechiël 14

1Een aantal van de oudsten van Israël kwam bij me, en toen ze tegenover mij hadden plaatsgenomen 2richtte de HEER zich tot mij: 3‘Mensenkind, deze mannen koesteren hun afgoden en hebben niets anders voor ogen dan wat hen ten val brengt. Moet Ik me dan door hen laten raadplegen? 4Zeg tegen hen: “Dit zegt God, de HEER: Elke Israëliet die bij een profeet komt en intussen zijn afgoden koestert en niets anders voor ogen heeft dan wat hem ten val brengt, zal Ik het antwoord geven dat hij met zijn afgoderij verdient. 5Ik zal het volk van Israël laten voelen dat het zich met al zijn afgoderij van Mij heeft afgewend.” 6Zeg daarom tegen het volk van Israël: “Dit zegt God, de HEER: Kom terug bij Mij, keer die afgoden van jullie de rug toe en houd op met je gruwelijk gedrag! 7Alle Israëlieten en ook de vreemdelingen die in Israël leven, ieder die zich van Mij heeft afgewend, ieder die zijn afgoden koestert, die niets anders voor ogen heeft dan wat hem ten val brengt en dan toch naar een profeet gaat om Mij te raadplegen, die zal Ik, de HEER, zelf antwoorden. 8Ik zal me tegen hem keren en hem tot een afschrikwekkend voorbeeld maken, Ik zal hem uit mijn volk verwijderen. Dan zullen jullie beseffen dat Ik de HEER ben. 9Als de profeet zich tot een antwoord laat verleiden zal dat zijn omdat Ik, de HEER, hem daartoe heb verleid. Ik zal mijn hand tegen hem opheffen en hem vernietigen; hij zal geen deel meer uitmaken van mijn volk Israël. 10De profeet is even schuldig als wie hem raadpleegt; beiden zullen hun straf niet ontlopen. 11Dan zal het volk van Israël zich niet meer van Mij afkeren, en ze zullen niet meer onrein worden door hun wandaden. Dan zullen zij mijn volk zijn en Ik zal hun God zijn – zo spreekt God, de HEER.”’

Ezechiël 14:1-11NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.39.1
Volg ons