14Goed, ik ga terug naar mijn eigen land. Maar eerst zal ik u laten weten wat dit volk uw volk in de toekomst zal aandoen.’ 15Daarop hief hij deze orakelspreuk aan:
‘Zo spreekt Bileam, de zoon van Beor,
zo spreekt de man wiens oog geopend is,
16zo spreekt hij die Gods woorden hoort,
die weet wat de Allerhoogste weet
en ziet wat de Ontzagwekkende toont,
in vervoering, met ontsloten ogen:
17Wat ik zie is niet in het heden,
wat ik waarneem is niet nabij.
Een ster komt op uit Jakob,
een scepter uit Israël.
Hij verbrijzelt Moab de slapen,
de kinderen van Set slaat hij neer.
18Het land van zijn vijand verovert hij,
het land van Edom en Seïr.
Israël wordt machtig en sterk,
19uit Jakob staat een heerser op.
Wie ontkomt uit de stad brengt hij om.’
20Toen zag Bileam Amalek en hief hij deze orakelspreuk aan:
‘Amalek, vooraanstaand onder de volken,
zal ten slotte volledig te gronde gaan.’
21Toen zag hij de Kenieten en hief hij deze orakelspreuk aan:
‘Vast staat uw woning, Kaïn,
op een rots is uw nest gebouwd.
22Toch zult u worden weggevaagd,
weldra voert Assur u weg.’
23Ook hief hij deze orakelspreuk aan:
‘Wee! Wie blijft in leven als God dit alles uitvoert?
24Van de kust der Kittiërs komen schepen.
Assur en Eber onderdrukken zij,
maar ooit gaan ook zij te gronde.’