Terugkeer van de overgebleven Israëlieten
11Op die dag heft de Heer opnieuw zijn hand op
om wat van zijn volk nog overbleef vrij te kopen
uit Assyrië en Egypte,
uit Patros, Nubië en Elam,
uit Sinear en Hamat,
en van de eilanden in zee.
12Dan steekt Hij een vaandel op voor de volken.
Hij brengt bijeen wie uit Israël verdreven waren,
de vluchtelingen uit Juda brengt Hij samen,
van de vier uiteinden van de aarde.
13Efraïms afgunst zal verdwijnen,
aan Juda’s vijandschap komt een eind.
Efraïm is niet meer afgunstig op Juda,
Juda is Efraïm niet meer vijandig.
14Ze strijken neer op de flank van Filistea, aan de zee,
samen beroven zij de stammen in het oosten;
ze leggen de hand op Edom en Moab
en de Ammonieten zullen hun gehoorzamen.
15Dan zal de HEER de zeearm van Egypte splijten;
de Eufraat bedwingt Hij met zijn machtige adem,
Hij slaat het water uiteen in zeven beken
waar men droogvoets door kan gaan.
16Zo baant Hij een weg uit Assyrië
voor wat er van zijn volk nog overbleef,
zoals eens voor Israël, toen het wegtrok uit Egypte.