Vasten en sabbat
1Roep luidkeels, zonder je in te houden,
verhef je stem als een ramshoorn.
Maak aan mijn volk zijn misdaden bekend,
aan het volk van Jakob zijn zonden.
2Zeker, ze zoeken Mij dag aan dag,
vol verlangen om mijn wegen te kennen,
zoals een vreemd volk dat rechtvaardig leeft
en het recht van zijn goden niet verzaakt.
En ze vragen naar mijn rechtvaardige voorschriften
en verlangen naar Gods nabijheid.
3‘Waarom ziet U niet dat wij vasten,
en merkt U niet op dat wij ons onthouden?’
Omdat jullie op je vastendagen nog handeldrijven
en jullie arbeiders afbeulen,
4omdat jullie onder het vasten strijden en ruziën
en er gewelddadig op los slaan.
Als je op die manier vast,
wordt je stem niet gehoord in de hemel.
5Zou dat het vasten zijn dat Ik verkies?
Is dat een dag van onthouding:
dat iemand het hoofd buigt als een riet
en zich met een rouwkleed neerlegt in het stof?
Noemen jullie dat soms vasten,
is dat een dag die de HEER behaagt?