11Ongelukkige, zo opgejaagd en ongetroost,
met fijne leem zal Ik je stenen inleggen,
op saffier zal Ik je grondvesten.
12Ik maak je torens van robijn,
je poorten van beril,
je muren van kostbare edelstenen.
13Al je kinderen zullen leerlingen zijn van de HEER,
rust en vrede zal hun ten deel vallen;
14gerechtigheid zal je fundament zijn.
Je zult niets meer te vrezen hebben:
onderdrukking zal je niet bereiken,
terreur blijft ver bij je vandaan.
15Word je toch aangevallen, het komt niet van Mij.
Valt iemand je aan? Het wordt zijn eigen val.
16Ik heb de smid geschapen,
die het gloeiende vuur aanblaast
om gereedschap te vervaardigen voor een zeker doel;
zo heb Ik ook de vernietiger geschapen,
die verderf wil zaaien.
17Maar elk wapen dat tegen jou wordt gesmeed
zal machteloos zijn,
en ieder die jou in een geding belastert
zal zelf veroordeeld worden.
Dit is het deel dat de dienaren van de HEER toekomt,
dit is het recht dat Ik hun toeken – spreekt de HEER.