18Op die dag zal de HEER de vliegen van de verste waterstromen van Egypte bijeenfluiten, en uit Assyrië een zwerm bijen. 19Ze zullen allemaal komen en neerstrijken in steile rivierdalen en in rotsspleten, bij iedere drinkplaats en op elke doornstruik. 20Op die dag zal de Heer met een aan de overkant van de Eufraat gehuurd scheermes – de koning van Assyrië – bij jullie alle haren van hoofd en onderlichaam afscheren en zelfs de baard. 21Op die dag zal men een jonge koe houden en twee schapen. 22Doordat ze ruimschoots melk geven, zal iedereen boter eten. Voor wie in het land achterblijven is er boter en honing. 23Op die dag zal elk stuk grond waar duizend wijnstokken staan ter waarde van duizend sjekel zilver, door dorens en distels overwoekerd worden. 24Alleen met pijl en boog dringt men er door; dorens en distels versperren overal de weg. 25Hellingen die met de hak zijn bewerkt, zullen onbereikbaar worden door vervaarlijke dorens en distels. Men kan er slechts de runderen heen drijven, het door de schapen laten vertrappen.