1In de achtste maand van het tweede regeringsjaar van Darius richtte de HEER zich tot de profeet Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo: 2‘De toorn van de HEER heeft jullie voorouders getroffen. 3Zeg nu tegen het volk: “Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Keer terug naar Mij, dan zal Ik naar jullie terugkeren – zegt de HEER van de hemelse machten. 4Wees niet als jullie voorouders. Toen de vroegere profeten hen in mijn naam opriepen om terug te keren van hun dwaalwegen en te breken met hun kwalijke praktijken, luisterden ze niet en gaven ze aan mijn woorden geen gehoor – spreekt de HEER. 5Waar zijn ze nu, jullie voorouders? En de profeten, leven zij eeuwig voort? 6Toch hebben mijn woorden en de wetten die Ik mijn dienaren, de profeten, had opgedragen te verkondigen, jullie voorouders getroffen. Zij kwamen tot inkeer en erkenden: ‘De HEER van de hemelse machten heeft vanwege onze handel en wandel met ons gedaan wat Hij zich had voorgenomen.’”’