Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 362 / Joël 1-4

Bijbeltekst(en)

1Dit zijn de woorden die de HEER richtte tot Joël, de zoon van Petuel.

Het verwoeste land

2Hoor mij aan, oudsten,

leen mij allen het oor, inwoners van het land!

Is zoiets ooit gebeurd in jullie dagen

of in de dagen van jullie voorouders?

3Vertel het aan je kinderen,

en laten je kinderen het aan hun kinderen vertellen

en hun kinderen aan het volgende geslacht.

4Wat de ene sprinkhaan overliet, heeft de tweede afgeknaagd,

wat de tweede nog overliet, heeft de derde afgemaaid

en wat na de derde overbleef, heeft de vierde kaalgevreten.

5Word wakker, dronkaards, en ween,

barst uit in gejammer, drinkers van wijn,

om het sap van de druiven dat jullie ontnomen is.

6Mijn land is ten prooi aan een volk,

een machtig volk zonder tal,

met tanden als van een leeuw

en kaken als van een leeuwin.

7Het maakte van mijn wijnstok dode takken,

en brandhout van mijn vijgenboom:

naakt en kaal zijn ze, omvergehaald,

de wijnranken zijn verbleekt.

8Weeklaag, als een bruid die zich hult in het zwart,

rouwend om de man van haar jeugd.

9Graan en wijn voor offers

ontbreken in de tempel van de HEER.

De priesters, zijn dienaren, treuren.

10Het veld is verwoest,

het akkerland treurt,

want het koren is vernield,

de wijn verdroogd,

de olie verloren.

11Toon je verslagenheid, boeren,

barst uit in gejammer, wijnbouwers,

om de tarwe en om de gerst,

want de oogst van het veld is verloren gegaan.

12De wijnstok is verdroogd,

de vijgenboom verdord;

granaatappel, dadelpalm en appelboom,

ja alle bomen zijn verdord.

Verdord is ook de vreugde bij de mensen.

13Priesters, hul je in rouw,

schreeuw het uit, dienaren van het altaar,

breng de nacht door met klagen, dienaren van mijn God,

want de tempel van jullie God

blijft verstoken van offers van graan en wijn.

14Kondig een vastentijd af

en roep op tot een plechtige samenkomst,

verzamel de oudsten en alle inwoners van het land

in de tempel van de HEER, jullie God,

en roep de HEER om hulp.

15O angstwekkende dag!

Nabij is de dag van de HEER,

de dag van ondergang die komt van de Ontzagwekkende!

16Is het voedsel niet voor onze ogen vernietigd?

Is de vreugdezang niet verstomd in de tempel van onze God?

17Vergeefs rustte het zaad in de droge aarde,

de opslagplaatsen liggen verlaten,

de graanschuren zijn verwoest:

het koren is verdord.

18Hoor hoe het vee loeit.

Runderen dolen maar rond

want nergens kunnen ze grazen,

zelfs schapen en geiten worden gestraft.

19Tot U, HEER, roep ik,

nu vuur het groen van de woestijn heeft verteerd

en een vlam de bomen heeft verzengd.

20Zelfs de dieren van het veld roepen om U,

nu elke waterstroom is opgedroogd

en het laatste groen door vuur is verteerd.

Naderend onheil

1Blaas de ramshoorn op de Sion,

blaas alarm op mijn heilige berg,

laten de inwoners van het land beven:

De dag van de HEER komt! Hij is nabij!

2Het is een dag van duisternis en donkerte,

een dag van dreigende, donkere wolken.

Als het morgenlicht over de bergen,

zo nadert een groot en machtig volk,

zoals er nooit tevoren geweest is

of ooit nog zal zijn tot in het verste nageslacht.

3Voor hen uit gaat een verterend vuur,

een verzengende vlam volgt hen op de voet;

als de tuin van Eden ligt het land voor hen,

achter hen blijft een kale woestijn.

Niets en niemand kan ontkomen.

4Het lijken wel paarden,

als strijdrossen draven ze voort;

5als het ratelen van strijdwagens

klinkt hun opmars over de bergtoppen,

als het knetteren van stro dat in het vuur verteert,

als een machtig volk dat zich opstelt voor de strijd.

6Bij die aanblik krimpen allen ineen,

alle gezichten verbleken.

7Als krijgshelden komen zij aanstormen,

als strijders beklimmen zij de muren.

Ieder houdt vast aan zijn eigen weg,

niet één wijkt ervan af;

8geen van hen duwt een ander opzij,

ze trekken op in gelid.

Ook als er sneuvelen door tegenstand,

verbreken zij hun gelederen niet.

9Ze bestormen de stad,

ze klimmen over de muren heen,

ze dringen de huizen binnen,

ze komen als dieven door de vensters.

10Bij die aanblik beeft de aarde,

siddert de hemel;

zon en maan verduisteren,

sterren doven hun glans.

11Het is de HEER

zijn stem schalt voor zijn leger uit,

zijn strijdkrachten zijn geweldig,

zijn bevel wordt met groot vertoon volbracht.

Groot en ontzagwekkend is de dag van de HEER!

Wie kan die dag doorstaan?

12Nu dan – spreekt de HEER –, keer terug tot Mij met heel je hart, door te vasten, te treuren en te rouwen. 13Niet je kleren moet je scheuren, maar je hart. Keer terug tot de HEER, jullie God, want Hij is genadig en liefdevol, geduldig en trouw, en bereid het onheil af te wenden. 14Misschien verandert Hij van gedachten, ziet Hij af van zijn voornemen en laat Hij een spoor van zegen achter, zodat jullie weer graan en wijn kunnen offeren aan de HEER, jullie God.

15Blaas de ramshoorn op de Sion,

kondig een vastentijd af

en roep op tot een plechtige samenkomst.

16Breng het volk bijeen,

laat heel Israël zich reinigen.

Breng de oude mensen tezamen,

verzamel de kinderen, ook de kleintjes aan de borst.

Laat de bruidegom opstaan van het bruidsbed,

laat de bruid het slaapvertrek verlaten.

17Priesters, dienaren van de HEER,

hef een smeekbede aan in de tempel,

tussen altaar en voorhal:

‘Ach HEER, spaar uw volk, uw eigendom,

geef het niet prijs aan spot en hoon van andere volken.

Waarom zouden zij mogen zeggen:

“En waar is nu hun God?”’

Belofte van herstel en zegen

18Toen nam de HEER het op voor zijn land en ontfermde zich over zijn volk. 19Hij gaf zijn volk dit antwoord: Ik zal jullie weer overvloedig voorzien van graan, wijn en olie. Ik zal jullie niet meer prijsgeven aan de spot van andere volken. 20Ik zal jullie bevrijden van de vijand uit het noorden. Ik verdrijf hem naar een dor en woest land. De voorhoede van zijn leger drijf Ik in het oosten de zee in en zijn achterhoede in het westen. Dan zal een stank opstijgen, de geur van bederf zal opstijgen van hem die zulke grote daden deed.

21Wees niet bang meer, akkers, wees blij en verheug je,

want de HEER heeft grote daden gedaan!

22Wees niet bang meer, dieren van het veld,

want een kleed van groen bedekt de woestijn,

de bomen dragen volop vrucht,

vijgenboom en wijnstok geven hun rijkdom.

23En jullie, kinderen van Sion, wees blij

en verheug je in de HEER, jullie God,

want Hij gaf regen om je te verkwikken,

Hij liet de regen overvloedig op je neerdalen,

vroege regen en late regen, elk op de juiste tijd.

24De dorsvloeren liggen weer vol met graan,

de perskuipen lopen over van wijn en olie.

25Ik zal jullie schadeloosstellen voor al die jaren waarin je oogst is opgevreten door sprinkhanen, zwerm na zwerm, door mijn grote leger, dat Ik op jullie had afgestuurd. 26Jullie zullen weer volop te eten hebben, meer dan genoeg, en de naam van de HEER, je God, prijzen, want Ik heb wonderbaarlijk met jullie gehandeld; nooit meer zal mijn volk te schande staan. 27Dan zullen jullie inzien dat Ik in Israëls midden ben, dat alleen Ik, de HEER, jullie God ben; nooit meer zal mijn volk te schande staan.

1Daarna zal zich dit voltrekken:

Ik zal mijn geest uitgieten over al wat leeft.

Jullie zonen en dochters zullen profeteren,

oude mensen zullen dromen dromen,

en jongeren zullen visioenen zien;

2zelfs over slaven en slavinnen

zal Ik in die tijd mijn geest uitgieten.

3Ik zal tekenen geven aan de hemel en op aarde:

bloed en vuur en zuilen van rook.

4De zon verandert in duisternis

en de maan in bloed

voordat de dag van de HEER komt,

groot en ontzagwekkend.

5Dan zal ieder die de naam van de HEER aanroept ontkomen:

op de Sion, in Jeruzalem, is een toevlucht te vinden,

zoals de HEER heeft beloofd;

ieder die Hij roept zal worden gered.

De dag van de HEER

1In dezelfde tijd dat Ik het lot van Juda en Jeruzalem ten goede keer, 2zal Ik alle volken bijeenbrengen en wegvoeren naar de vallei van Josafat om daar een oordeel over hen te vellen. Want zij hebben mijn volk Israël, mijn eigendom, onder vreemde volken verstrooid, ze hebben mijn land verdeeld 3en om mijn volk het lot geworpen; ze hebben jongens geruild tegen hoeren en meisjes verkocht voor wijn, om zich te bedrinken.

4Jullie, inwoners van Tyrus en Sidon, en jullie, Filistijnen, wat denken jullie wel? Wilden jullie Mij iets betaald zetten? Wilden jullie iets tegen Mij ondernemen? Onmiddellijk laat Ik jullie daden op je eigen hoofd neerkomen. 5Jullie hebben mijn goud en zilver weggenomen en mijn kostbaarheden naar jullie paleizen gebracht. 6Jullie hebben de inwoners van Juda en Jeruzalem aan de Grieken verkocht en hen zo van hun eigen grond weggerukt. 7Maar Ik haal hen terug van de plaats waarheen jullie hen verkocht hebben. Jullie daden zullen op je eigen hoofd neerkomen: 8Ik laat jullie zonen en dochters door de inwoners van Juda verkopen aan de Sabeeërs, een volk ver hiervandaan – de HEER heeft gesproken.

9Doe deze oproep aan de volken:

Bereid je voor op de strijd,

laat je helden aantreden,

laat al je strijders nu ten strijde trekken!

10Smeed je ploegijzers maar om tot zwaarden

en je snoeimessen tot speren,

en laat de zwakke zich een held betonen.

11Haast je, volken rondom, verzamel je.

– O HEER, zend dan uw legermacht daarheen! –

12Laten ze aantreden, de volken rondom,

laten ze optrekken naar de vallei van Josafat;

daar vel Ik mijn oordeel over hen.

13Sla de sikkel erin,

het is tijd om te oogsten.

Kom de wijnpers treden,

de persbak is vol,

de kuipen lopen over,

zó talrijk zijn hun misdaden.

14Dichte drommen bijeen in de vallei van het oordeel!

Nabij is de dag van de HEER. Daar zal Hij oordelen!

15Zon en maan verduisteren,

sterren doven hun glans.

16De HEER brult vanaf de Sion,

Hij gromt vanuit Jeruzalem,

zodat hemel en aarde beven.

Maar voor zijn volk is de HEER een toevlucht,

een vesting is Hij voor Israël.

17Dan zullen jullie inzien dat Ik, de HEER, jullie God,

woon op de Sion, mijn heilige berg.

Jeruzalem zal een heilige stad zijn;

vreemden zullen haar niet meer binnengaan.

18Dan, in die tijd,

zal de wijn van de bergen druipen

en de melk van de heuvels vloeien;

alle waterstromen van Juda zullen bruisen,

en in de tempel van de HEER ontspringt een bron

die zelfs het droogste woestijndal bevloeit.

19Maar Egypte wordt een woestenij

en Edom een kale woestijn,

om hun gewelddaden tegen Juda,

om het onschuldig bloed dat ze daar vergoten.

20Juda en Jeruzalem blijven altijd bewoond,

tot in het verste nageslacht.

21Zou Ik die bloedschuld niet wreken?

Zeker zal Ik die wreken,

zo zeker als de HEER op de Sion woont.

Joël 1-4NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.8
Volg ons