Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 338 / Ezra 3-5, Hag. 1-2

Bijbeltekst(en)

Begin van de herbouw van de tempel

1Aan het begin van de zevende maand, toen de Israëlieten zich in hun steden hadden gevestigd, verzamelde het voltallige volk zich in Jeruzalem. 2Jesua, de zoon van Josadak, en zijn medepriesters, en Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en zijn verwanten, bouwden het altaar van de God van Israël, om daarop te kunnen offeren zoals is voorgeschreven in de wet van Mozes, de godsman. 3Ze richtten het altaar op, op zijn oude fundamenten, en offerden aan de HEER, want de bevolking van het land boezemde hun angst in. Ze droegen ’s morgens en ’s avonds brandoffers op, 4en vierden het Loofhuttenfeest volgens de voorschriften: elke dag brachten ze het vereiste aantal brandoffers, zo veel offers dus als er voor iedere dag zijn voorgeschreven. 5Van toen af aan brachten ze ook het dagelijkse offer, het offer op nieuwemaan en de offers bij alle andere heilige hoogtijdagen van de HEER, en verder alle vrijwillige gaven aan de HEER. 6Al vanaf de eerste dag van de zevende maand droegen ze brandoffers op aan de HEER, ook al was de fundering van het heiligdom van de HEER nog niet gelegd.

7De steenhouwers en andere vaklieden werden uitbetaald in zilver; de Sidoniërs en Tyriërs ontvingen voedsel, drank en olie om, met toestemming van Cyrus, de koning van Perzië, cederhout over zee van de Libanon naar Jafo te vervoeren.

8In het tweede jaar nadat zij naar Gods tempel in Jeruzalem waren gekomen, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en Jesua, de zoon van Josadak, en de rest van hun volksgenoten – priesters en Levieten en allen die uit de ballingschap naar Jeruzalem waren teruggekeerd – met het aanstellen van Levieten van twintig jaar en ouder om toezicht te houden op de werkzaamheden aan de tempel van de HEER. 9Jesua, zijn zonen en verwanten, en Kadmiël en zijn zonen, nakomelingen van Juda, waren gezamenlijk verantwoordelijk voor het toezicht op de arbeiders die werkten aan Gods tempel, met de zonen van Chenadad en hun zonen en verwanten, allen Levieten.

10Terwijl de bouwers de fundering van het heiligdom van de HEER legden, stelden de priesters, gekleed in ambtsgewaad, zich op met trompetten, en de Levieten, de nakomelingen van Asaf, stelden zich op met cimbalen, om de HEER te prijzen volgens de aanwijzingen van David, de koning van Israël. 11Zij dankten en prezen de HEER, en ze zongen in beurtzang: ‘Hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw aan Israël.’ Heel het volk begon daarop luid te juichen en de HEER te prijzen omdat de fundering van de tempel van de HEER werd gelegd. 12Veel priesters, Levieten en familiehoofden, de ouderen die de eerste tempel nog hadden gezien, huilden luid toen voor hun ogen de fundering van de tempel werd gelegd, maar vele anderen juichten en jubelden. 13Juichen en huilen waren niet meer te onderscheiden, het rumoer was zo luid dat het tot op grote afstand te horen was.

Ondanks verzet wordt de tempel herbouwd

1De tegenstanders van Juda en Benjamin hoorden dat de teruggekeerde ballingen een heiligdom voor de HEER, de God van Israël, aan het bouwen waren. 2Zij gingen naar Zerubbabel en de familiehoofden, en zeiden: ‘Wij willen meehelpen met de bouw, want ook wij vereren uw God, wij offeren al aan Hem sinds de tijd dat Esarhaddon, de koning van Assyrië, ons hierheen heeft gebracht.’ 3Zerubbabel en Jesua en de andere familiehoofden van Israël antwoordden hun: ‘Wij mogen niet samen met u een tempel bouwen voor onze God. Wij alleen zullen die bouwen voor de HEER, de God van Israël, want alleen aan ons heeft Cyrus, de koning van Perzië, deze opdracht verstrekt.’

4-5Vanaf de tijd dat koning Cyrus over Perzië regeerde tot onder de regering van koning Darius probeerde de bevolking van het land het moreel van de Judeeërs te ondermijnen en hen bang te maken, om hen af te houden van de bouw. Ze kochten zelfs raadgevers om opdat die de plannen van de Judeeërs zouden verijdelen.

6In het begin van het bewind van Xerxes werd een schriftelijke aanklacht ingediend tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem, 7en later, tijdens het koningschap van Artaxerxes, schreven Bislam, Mitredat, Tabeël en hun ambtgenoten een brief aan de koning. Deze brief was in het Aramees geschreven, en was vertaald.

8Rechum, het hoofd van de kanselarij, en Simsai, de hofschrijver, schreven de volgende brief aan koning Artaxerxes over Jeruzalem:

9‘Van Rechum, het hoofd van de kanselarij, en van Simsai, de hofschrijver, en van hun overige ambtgenoten: rechters, magistraten, ambtenaren en secretarissen, mannen uit Uruk, Babel en Susa (dat zijn Elamieten), 10en van de andere volken die de grote en doorluchtige Asnappar in ballingschap heeft weggevoerd en heeft laten wonen in de steden van Samaria en het overige gebied van de provincie Trans-Eufraat. 11(Dit is een afschrift van de door hen geschreven brief.) Aan koning Artaxerxes, van uw dienaren, inwoners van de genoemde provincie.

12Het zij de koning bekend dat de Judeeërs die bij u zijn weggegaan bij ons in Jeruzalem zijn aangekomen, en dat zij deze opstandige en slechte stad aan het herbouwen zijn: ze herstellen de muren en repareren de fundamenten. 13Het zij de koning bekend dat wanneer deze stad herbouwd is en de muren hersteld zijn er niet langer belasting, cijns of tol zal worden afgedragen, wat de belangen van het koninkrijk zeker zal schaden. 14Welnu, omdat wij ons gebonden weten aan het paleis, en omdat het ons niet past lijdzaam toe te zien hoe de koning in zijn eer wordt aangetast, stellen wij u hiervan op de hoogte, 15zodat onderzoek kan worden gedaan in de boeken met de gedenkwaardige gebeurtenissen van uw voorgangers. Als u daarin leest, zult u ontdekken dat deze stad een opstandige en vanouds oproerige stad is, waar de belangen van koningen en provincies worden geschaad. Daarom ook werd deze stad verwoest. 16Wij wijzen de koning erop dat wanneer deze stad zal zijn herbouwd en de muren zullen zijn hersteld, u de macht over de provincie Trans-Eufraat kwijt zult raken.’

17De koning stuurde het volgende antwoord:

‘Aan Rechum, het hoofd van de kanselarij, en aan Simsai, de hofschrijver, en aan hun overige ambtgenoten die wonen in Samaria en de rest van de provincie Trans-Eufraat: wij wensen u vrede!

18Het schrijven dat u ons heeft doen toekomen, is mij woordelijk voorgelezen. 19Ik heb bevel gegeven de zaak te onderzoeken, en het is aan het licht gekomen dat deze stad zich van oudsher tegen haar koningen verzet heeft en dat ze een bron is van opstand en oproer. 20Er blijken in Jeruzalem zelfs sterke koningen geweest te zijn die hun macht hebben doen gelden in de hele provincie Trans-Eufraat, en aan wie belasting, cijns en tol werd betaald. 21Geef daarom de mannen bevel het werk te staken, want deze stad mag niet worden herbouwd totdat ik daartoe opdracht geef. 22Hoed u in dezen voor nalatigheid, opdat het koninkrijk geen grote schade zal lijden.’

23Toen het afschrift van het schrijven van koning Artaxerxes was voorgelezen aan Rechum, de hofschrijver Simsai en hun ambtgenoten, gingen zij zo snel mogelijk naar de Judeeërs in Jeruzalem, en met geweld dwongen zij hen de werkzaamheden te staken.

24Het werk aan de tempel van God in Jeruzalem werd stilgelegd, en daarin kwam geen verandering tot het tweede regeringsjaar van koning Darius van Perzië.

1Toen begonnen de profeten Haggai en Zacharia, de kleinzoon van Iddo, in opdracht van de God van Israël te profeteren tegen de Judeeërs die in Juda en in Jeruzalem woonden. 2Daarop hervatten Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en Jesua, de zoon van Josadak, de bouw van de tempel van God in Jeruzalem. Ze kregen daarbij de steun van Gods profeten. 3Kort daarna kwamen Tattenai, de gouverneur van de provincie Trans-Eufraat, en Setar-Boznai met hun ambtgenoten naar hen toe, en vroegen: ‘Wie heeft u bevel gegeven deze tempel te herbouwen en het houtwerk aan te brengen?’ 4Ook vroegen ze: ‘Hoe heten de mannen die hier aan het bouwen zijn?’ 5Maar hun God waakte over de oudsten van de Judeeërs: ze werden niet gedwongen het werk stil te leggen voordat er aan Darius zou zijn gerapporteerd en er een schriftelijk antwoord zou zijn ontvangen.

6Afschrift van de brief die Tattenai, de gouverneur van de provincie Trans-Eufraat, en Setar-Boznai en diens ambtgenoten, bestuurders van de genoemde provincie, aan koning Darius hebben gezonden. 7Het bericht aan hem luidde als volgt:

‘Aan Darius, de koning: alle goeds!

8Het zij de koning bekend dat wij naar de provincie Juda zijn gegaan, naar de tempel van de grote God. Die tempel wordt opgetrokken van steenblokken, en in de muren worden balken gelegd. Het werk wordt zorgvuldig uitgevoerd en vordert gestaag.

9Wij hebben de oudsten gevraagd wie hun het bevel had gegeven deze tempel te herbouwen en het houtwerk aan te brengen. 10Ook hebben wij hun namen gevraagd, zodat we, te uwer informatie, de namen van de leiders schriftelijk konden vastleggen. 11Dit was hun antwoord: “Wij zijn dienaren van de God van de hemel en de aarde, en wij herstellen de tempel die reeds vele jaren geleden werd gebouwd; een groot koning van Israël heeft de bouw ervan destijds voltooid. 12Maar omdat onze voorouders de toorn van de God van de hemel hebben gewekt, heeft Hij hen uitgeleverd aan de koning van Babylonië, de Chaldeeër Nebukadnessar. Hij heeft deze tempel verwoest en het volk in ballingschap naar Babylonië weggevoerd. 13Koning Cyrus van Babylonië echter heeft in zijn eerste regeringsjaar bevel gegeven de tempel van God te herbouwen. 14Ook de gouden en zilveren voorwerpen die Nebukadnessar uit Gods heiligdom in Jeruzalem had weggenomen en naar het heiligdom in Babel had gebracht, zijn door koning Cyrus daar weer vandaan gehaald en overgedragen aan een zekere Sesbassar, die door hem was aangesteld als gouverneur. 15Hij zei hem: ‘Neem deze voorwerpen en zet ze terug in het heiligdom van Jeruzalem. Zorg ervoor dat Gods tempel op zijn vroegere plaats herbouwd wordt.’ 16Genoemde Sesbassar is hier gekomen en heeft de fundering laten leggen van Gods tempel in Jeruzalem, en van toen af aan tot nu toe is eraan gebouwd, maar hij is nog niet gereed.”

17Welnu, als het de koning behaagt, laat hij dan in Babylonië een onderzoek instellen in de koninklijke archieven naar de vraag of het werkelijk zo is dat koning Cyrus bevel heeft gegeven om deze tempel van God in Jeruzalem op te bouwen. Laat hij ons vervolgens op de hoogte brengen van zijn wil in dezen.’

Ezra 3-5NBV21Open in de Bijbel

1In het tweede regeringsjaar van koning Darius, op de eerste dag van de zesde maand, richtte de HEER zich bij monde van de profeet Haggai tot Zerubbabel, zoon van Sealtiël en gouverneur van Juda, en tot Jozua, zoon van Josadak en hogepriester: 2‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Dit volk beweert dat de tijd nog niet gekomen is om de tempel van de HEER weer op te bouwen. 3Maar,’ zo sprak de HEER bij monde van de profeet Haggai, 4‘is de tijd dan wel gekomen om zelf in mooi afgewerkte huizen te wonen? En dat terwijl mijn huis nog een ruïne is! 5Nu dan – dit zegt de HEER van de hemelse machten: Bezin je op de weg die jullie zijn ingeslagen! 6Jullie hebben veel gezaaid maar weinig geoogst; jullie eten maar raken nooit verzadigd, jullie drinken maar nooit is het genoeg, jullie kleden je maar krijgen het nooit warm; de dagloner krijgt zijn geld maar het verdwijnt in een beurs vol gaten. 7Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Bezin je op de weg die jullie zijn ingeslagen! 8Ga naar de bergen, haal daar hout en bouw mijn huis weer op. Met vreugde zal Ik het aanvaarden en er mijn luister tonen – zegt de HEER. 9Jullie hebben veel verwacht, maar hoe weinig is het geworden, en wat jullie wél binnenhaalden, heb Ik uiteengeblazen. En waarom? – spreekt de HEER van de hemelse machten. Omdat mijn huis nog altijd een ruïne is, terwijl ieder van jullie zich uitslooft voor zijn eigen huis. 10Daarom onthoudt de hemel jullie zijn dauw en brengt de aarde niets meer op. 11Ik heb het land en de bergen, het graan, de wijn en de olie, al wat de aardbodem voortbrengt, ieder mens en elk dier, en alles wat jullie moeizaam tot stand hebben gebracht, met droogte getroffen.’

12Zerubbabel, zoon van Sealtiël, en Jozua, zoon van Josadak en hogepriester, en wie er van het volk nog over waren, luisterden naar de HEER, hun God; ze gaven gehoor aan de oproep van de profeet Haggai, die door de HEER, hun God, gezonden was. En het volk werd vervuld van vrees voor de HEER. 13Maar Haggai, de bode van de HEER, zei in opdracht van de HEER tot het volk: ‘Ik ben bij jullie – spreekt de HEER.’

14Zo zette de HEER Zerubbabel, zoon van Sealtiël en gouverneur van Juda, en Jozua, zoon van Josadak en hogepriester, en wie er van het volk nog over waren, ertoe aan te beginnen met het herstel van de tempel van de HEER van de hemelse machten, hun God. 15Ze gingen aan het werk op de vierentwintigste dag van de zesde maand.

In het tweede regeringsjaar van koning Darius,

1op de eenentwintigste dag van de zevende maand, sprak de HEER opnieuw bij monde van de profeet Haggai. Hij droeg hem op: 2‘Zeg tegen Zerubbabel, zoon van Sealtiël en gouverneur van Juda, en tegen Jozua, zoon van Josadak en hogepriester, en tegen wie er van het volk nog over zijn: 3“Wie van jullie heeft deze tempel nog in zijn vroegere luister gezien? En hoe ziet hij er nu uit? Jullie denken zeker dat het niets meer kan worden!” 4Maar houd vol, Zerubbabel – spreekt de HEER –, houd vol, Jozua, zoon van Josadak en hogepriester; jullie allen, bewoners van dit land, houd vol! – spreekt de HEER. Werk door, Ik ben bij jullie – spreekt de HEER van de hemelse machten. 5Dat heb Ik jullie beloofd toen jullie wegtrokken uit Egypte; mijn geest zal steeds in jullie midden zijn, wees dus niet bang. 6Want dit zegt de HEER van de hemelse machten: Nog een korte tijd, een ogenblik slechts, en Ik zal de hemel en de aarde, de zee en het land doen beven. 7Alle volken breng Ik in beroering, hun schatten zullen Mij toevallen en mijn huis zal Ik vullen met pracht en rijkdom – zegt de HEER van de hemelse machten. 8Het zilver is voor Mij en het goud is voor Mij – spreekt de HEER van de hemelse machten. 9De luister van deze tempel zal groot zijn, nog groter dan voorheen – zegt de HEER van de hemelse machten –, en van hieruit zal Ik vrede en voorspoed geven – spreekt de HEER van de hemelse machten.’

10Op de vierentwintigste dag van de negende maand, in het tweede regeringsjaar van Darius, richtte de HEER zich tot de profeet Haggai: 11‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Vraag de priesters een uitspraak te doen over het volgende. 12Als iemand offervlees bij zich draagt in een plooi van zijn mantel, en deze plooi komt in aanraking met brood of met gekookt voedsel, met wijn, olie of met wat voor voedsel ook, wordt dat voedsel daardoor dan heilig?’ ‘Nee,’ antwoordden de priesters op deze vraag. 13Vervolgens vroeg Haggai: ‘Als iemand die onrein is doordat hij met een lijk in aanraking is geweest, zulk voedsel aanraakt, wordt het daardoor dan onrein?’ ‘Ja,’ antwoordden de priesters, ‘het wordt daardoor onrein.’ 14Daarop zei Haggai: ‘Zo is het ook met deze mensen – spreekt de HEER –, zo is het in mijn ogen gesteld met heel dit volk, en zo is het ook met de vruchten van hun arbeid; alles wat zij offeren is onrein.

15-16Maar let op wat er vanaf vandaag gebeuren gaat. Hoe was het met jullie gesteld voordat er aan de herbouw van de tempel van de HEER begonnen werd? Jullie dachten twintig maten graan te scheppen, maar de graanhoop bleek slechts tien maten groot te zijn; jullie dachten vijftig maten wijn uit de pers te halen, maar de perskuip bleek slechts twintig maten te bevatten. 17De vruchten van jullie arbeid heb Ik getroffen met korenbrand, meeldauw en hagel, en toch zijn jullie niet naar Mij teruggekeerd – spreekt de HEER. 18Maar let op wat er gebeuren gaat, vanaf vandaag, vanaf deze vierentwintigste dag van de negende maand, vanaf de dag dat de tempel van de HEER gegrondvest is, let op! 19Nu ligt het zaad nog in de schuur, en de wijnstok en de vijgenboom, de granaatappel en de olijf hebben nog geen vrucht gedragen, maar vanaf vandaag zal Ik mijn zegen geven.’

20Op die vierentwintigste dag van de maand richtte de HEER zich nogmaals tot Haggai: 21‘Zeg tegen Zerubbabel, de gouverneur van Juda: “Ik zal de hemel en de aarde doen beven, 22Ik zal tronen omverstoten en de macht van koninkrijken breken, Ik zal de strijdwagens met hun berijders omverwerpen; de paarden zullen neerstorten en de ruiters zullen elkaar ombrengen. 23Op die dag – spreekt de HEER van de hemelse machten – zal Ik jou, Zerubbabel, zoon van Sealtiël en mijn dienaar, dragen als mijn zegelring, want jou heb Ik uitverkozen – zo spreekt de HEER van de hemelse machten.”’

Haggai 1-2NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.10
Volg ons