Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 285 / 2Kron. 4-6, Ps. 145

Bijbeltekst(en)

1Salomo liet een bronzen altaar maken van twintig el lang, twintig el breed en tien el hoog. 2Hij liet ook de Zee maken, een bekken van gegoten brons, vijf el hoog, met een middellijn van tien el en een omtrek van dertig el. 3Aan de onderkant was het omkranst met een band van tien el lang, die bestond uit twee rijen runderen, en die met het bekken was meegegoten. 4Het bekken rustte op twaalf runderen: drie met hun kop naar het noorden, drie met hun kop naar het westen, drie met hun kop naar het zuiden en drie met hun kop naar het oosten; hun achterlijven waren naar het midden gekeerd. Daarop rustte het bekken. 5De wand was wel een handbreedte dik. De rand was gevormd als bij een beker, als een lotuskelk. Het bekken had een inhoud van drieduizend bat. 6Hij liet ook tien andere bekkens maken, waarvan er vijf aan de zuidkant en vijf aan de noordkant van de tempel werden geplaatst. Dit waren spoelbekkens. Ze waren bedoeld om er alles wat nodig was voor de brandoffers in af te spoelen; de priesters wasten zich met het water uit de Zee.

7Voor de grote zaal liet hij tien gouden kandelaars maken, geheel volgens voorschrift, waarvan er vijf aan de linkerkant en vijf aan de rechterkant werden geplaatst. 8Er werden ook tien tafels neergezet, vijf links en vijf rechts. Verder liet hij honderd gouden offerschalen maken.

9Hij liet een binnenplaats voor de priesters aanleggen en een grote voorhof met toegangspoorten. De deuren daarvan liet hij met brons bekleden. 10De Zee kreeg een plaats schuin voor de tempel, aan de zuidoostkant.

11Churam maakte ook nog potten, scheppen en offerschalen, en daarmee was het werk dat koning Salomo hem voor de tempel van God had opgedragen voltooid. 12De twee zuilen met de twee bolvormige kapitelen erop, het vlechtwerk waarmee die kapitelen op de zuilen waren omhuld, 13de vierhonderd granaatappels die in twee rijen aan het vlechtwerk om de bolvormige kapitelen op elk van de zuilen hingen, 14de onderstellen met de spoelbekkens erop, 15de Zee, waarvan er maar één was, met de twaalf runderen eronder, 16en de potten, scheppen, vorken en alle bijbehorende voorwerpen die meester Churam in opdracht van koning Salomo voor de tempel van de HEER had gemaakt, alles was van gepolijst brons. 17De koning liet ze gieten in de Jordaanvlakte, tussen Sukkot en Seredata, waar volop vette klei te vinden was. 18Salomo liet zo veel van deze voorwerpen maken dat het gewicht ervan aan brons te groot was om het te kunnen bepalen. 19Ook voor het interieur van de tempel van God liet Salomo allerlei voorwerpen maken: het met een laag goud bedekte altaar en de tafels voor het toonbrood; 20de vergulde kandelaars die voor de achterste zaal stonden, waarop volgens voorschrift lampen brandden 21die, evenals hun bloemversieringen en de bijbehorende snuiters, van goud, zuiver goud waren gemaakt; 22en de vergulde messen, offerschalen, kommen en vuurbakken. Ook de toegangsdeuren, zowel de binnenste deuren die toegang gaven tot het allerheiligste als de deuren van de tempel zelf, waren met goud overtrokken.

1Toen al het werk dat koning Salomo aan de tempel van de HEER had laten verrichten voltooid was, liet hij de wijgeschenken van zijn vader David naar de tempel overbrengen. Hij borg het goud en zilver en de andere voorwerpen in de schatkamers van de tempel van God.

De inwijding van de tempel

2Daarna liet koning Salomo de oudsten van Israël en de stamhoofden, allen die aan het hoofd van een familie stonden, naar Jeruzalem komen om de ark van het verbond met de HEER over te brengen vanuit de Davidsburcht, de bergvesting op de Sion. 3Alle Israëlieten kwamen voor het feest in de zevende maand naar de koning.

4Toen alle oudsten van Israël aanwezig waren, namen de Levieten de ark op. 5De ark, de ontmoetingstent en de bijbehorende gewijde voorwerpen werden gedragen door de Levitische priesters. 6Koning Salomo hield intussen met de Israëlieten, die zich met hem rond de ark verzameld hadden, een offerplechtigheid waarbij zo veel schapen, geiten en runderen werden geofferd dat hun aantal niet vast te stellen was. 7De priesters brachten de ark van het verbond met de HEER naar zijn nieuwe plaats in de achterste zaal van de tempel, het allerheiligste, en zetten hem neer onder de vleugels van de cherubs, 8zodat de gespreide vleugels van de cherubs zich over de ark en zijn draagbomen uitstrekten. 9Deze draagbomen staken een stuk uit, en men kon de uiteinden ervan alleen zien wanneer men vlak voor de ark stond, dus vlak voor de toegang tot de achterzaal; van verder weg waren ze niet te zien. De ark bevindt zich daar tot op de dag van vandaag. 10Hij bevat niets anders dan de twee platen die Mozes op de Horeb heeft doorgegeven toen de HEER een verbond sloot met de Israëlieten tijdens hun tocht uit Egypte.

11Op het moment dat de priesters uit het heiligdom naar buiten kwamen – alle priesters hadden zich zonder uitzondering geheiligd, ook zij die volgens het rooster geen dienst hadden, 12en alle Levitische zangers, namelijk Asaf, Heman, Jedutun en hun zonen en verwanten, gekleed in fijn linnen, stonden met hun cimbalen, harpen en lieren aan de oostkant van het altaar klaar, en ook nog honderdtwintig priesters met trompetten –, 13op dat moment moesten de blazers en zangers samen muziek ten gehore brengen ter ere van de HEER. Zodra het geluid van de trompetten, cimbalen en andere instrumenten opklonk en de zangers de lofzang voor de HEER aanhieven: ‘Hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw,’ vulde de tempel, het huis van de HEER, zich met een wolk. 14De priesters konden hun dienst niet meer verrichten, want de majesteit van God vulde de hele tempel.

1Toen sprak Salomo: ‘HEER, U hebt gezegd dat U in een donkere wolk wilde wonen. 2Welnu, ik heb voor U een vorstelijk huis gebouwd, dat voor altijd uw woning kan zijn.’ 3Hierna keerde de koning zich om en zegende de gemeenschap van Israël. Toen iedereen was gaan staan, 4zei hij: ‘Geprezen zij de HEER, de God van Israël, die het niet bij woorden heeft gelaten maar zijn belofte aan mijn vader David daadwerkelijk is nagekomen. Hij heeft gezegd: 5“Nooit, vanaf de dag dat Ik mijn volk uit Egypte heb weggeleid, heb Ik een van de steden van Israëls stammen uitgekozen om er een tempel te laten bouwen waar mijn naam zou wonen. En nooit heb Ik iemand uitgekozen om als vorst over mijn volk Israël te regeren. 6Maar nu heb Ik mijn keus laten vallen op Jeruzalem als woning voor mijn naam, en op David om mijn volk Israël te regeren.” 7Toen nu mijn vader David het plan opvatte om een tempel te bouwen voor de naam van de HEER, de God van Israël, 8zei de HEER tegen hem: “Je hebt er goed aan gedaan een huis te willen bouwen voor mijn naam. 9Toch zul jij niet de tempel bouwen. Je zoon, die uit jou zal voortkomen, die zal voor mijn naam een huis bouwen.” 10En de HEER heeft zijn woord gestand gedaan. Ik ben mijn vader David opgevolgd en zit nu op de troon van Israël, zoals de HEER heeft beloofd. En ik heb voor de naam van de HEER, de God van Israël, een tempel gebouwd 11en daar de ark geplaatst die het verbond bevat dat de HEER met de Israëlieten heeft gesloten.’

12Toen wendde Salomo zich naar het altaar van de HEER, ten aanschouwen van de verzamelde Israëlieten, en hief zijn handen. 13Hij had een bronzen podium laten maken van vijf el lang, vijf el breed en drie el hoog, en dat midden in de voorhof laten neerzetten. Daarop had hij plaatsgenomen, en nu knielde hij neer, ten aanschouwen van de hele gemeenschap van Israël, hief zijn handen ten hemel 14en zei: ‘HEER, God van Israël, er is geen god zoals U, noch in de hemel, noch op de aarde. U houdt u aan het verbond en blijft trouw aan uw dienaren die U met heel hun hart toegewijd zijn. 15U hebt u gehouden aan wat U uw dienaar, mijn vader David, hebt beloofd. U hebt het niet bij woorden gelaten, maar U bent vandaag uw belofte daadwerkelijk nagekomen. 16Daarom vraag ik U, HEER, God van Israël, of U zich ook wilt blijven houden aan wat U uw dienaar, mijn vader David, hebt beloofd, namelijk dat U zijn nakomelingen de troon van Israël nooit zult ontzeggen, zolang wij tenminste op het rechte pad blijven door uw wetten in acht te nemen, zoals ook hij U toegewijd was. 17Welnu, HEER, God van Israël, moge de belofte die U uw dienaar David hebt gedaan, bewaarheid worden.

18Zou God werkelijk bij de mensen op aarde kunnen wonen? Zelfs de hoogste hemel kan U niet bevatten, laat staan dit huis dat ik voor U heb gebouwd. 19HEER, mijn God, hoor het smeekgebed van uw dienaar aan en luister naar de verzuchtingen die ik tot U richt. 20Wees dag en nacht opmerkzaam op wat er gebeurt in deze tempel, de plaats waarvan U zelf hebt gezegd dat daar uw naam zal wonen, en verhoor het gebed dat ik naar deze tempel richt. 21Luister naar de smeekbeden die uw dienaar en uw volk Israël naar deze tempel richten, luister naar ons vanuit de hemel, uw woonplaats, luister en schenk ons vergeving.

22Wanneer iemand een ander kwaad heeft gedaan en deze van hem eist dat hij een vervloeking over zichzelf uitspreekt, en wanneer hij dan naar uw altaar in deze tempel komt om zichzelf te vervloeken, 23luister dan vanuit de hemel en grijp in. Spreek recht over uw dienaren, vergeld de boosdoener zijn misdaad en geef hem zijn verdiende straf, maar spreek de onschuldige vrij en herstel hem in zijn recht.

24Wanneer uw volk Israël door de vijand is verslagen omdat het tegen U gezondigd heeft, en wanneer zij dan tot inkeer komen, uw naam prijzen en tot U in deze tempel bidden en smeken, 25luister dan vanuit de hemel, vergeef uw volk Israël wat het heeft misdaan en breng hen terug naar het grondgebied dat U aan hen en hun voorouders hebt gegeven.

26Wanneer de hemel gesloten blijft en er geen regen valt omdat het volk tegen U gezondigd heeft, en wanneer zij dan een gebed richten naar deze tempel, uw naam prijzen en zich afkeren van hun zonden omdat U hen antwoord geeft, 27luister dan vanuit de hemel en vergeef uw dienaren, uw volk Israël, wat ze hebben misdaan. Wijs hun de juiste levensweg en laat het regenen op uw land, dat U uw volk als grondgebied gegeven hebt.

28Wanneer er in het land hongersnood of pest uitbreekt, wanneer het gewas wordt getroffen door korenbrand, meeldauw of vraatzuchtige sprinkhanen, wanneer het volk in eigen land door vijanden bedreigd wordt, wanneer er kortom bij enige ramp of ziekte 29ook maar iemand van uw volk Israël een smeekgebed tot U richt en zijn handen heft in de richting van deze tempel – ieder gebukt onder zijn eigen leed en verdriet –, 30luister dan vanuit de hemel, uw woonplaats, en vergeef hem. Geef hem wat hem toekomt, want U weet wat er in hem omgaat. Alleen U kunt immers de mens doorgronden. 31Dan zullen ze in het land dat U aan onze voorouders hebt gegeven hun leven lang ontzag voor U tonen en U gehoorzamen.

32Ook wanneer een vreemdeling, die niet tot uw volk Israël behoort en die uit een ver land hierheen is gekomen vanwege uw grote naam, vanwege uw sterke hand en opgeheven arm – wanneer zo iemand hierheen komt en een gebed richt naar deze tempel, 33luister dan vanuit de hemel, uw woonplaats, en doe wat hij U vraagt. Dan zullen alle volken op aarde uw naam leren kennen en ontzag voor U tonen, zoals uw volk Israël dat doet, en zij zullen weten dat uw naam verbonden is aan deze tempel die ik heb gebouwd.

34Wanneer uw volk op uw bevel tegen vijanden ten strijde trekt en tot U bidt in de richting van deze stad die U hebt uitgekozen en van de tempel die ik voor uw naam heb gebouwd, 35luister dan vanuit de hemel naar hun bidden en smeken en verschaf hun recht.

36Wanneer ze tegen U zondigen – er is immers geen mens die niet zondigt – en U hen uit woede uitlevert aan vijanden die hen gevangennemen en meevoeren naar een ander land, hetzij ver weg of dichtbij, 37en wanneer ze dan in hun ballingsoord tot inkeer komen en zich in dat vreemde land smekend tot U wenden en belijden dat ze hebben gezondigd, dat ze verkeerd hebben gedaan en slecht hebben gehandeld, 38wanneer ze zich in het land waarheen ze zijn weggevoerd weer met hart en ziel aan U toewijden en bidden in de richting van het land dat U aan hun voorouders hebt gegeven, van de stad die U hebt uitgekozen en van de tempel die ik voor uw naam heb gebouwd, 39luister dan vanuit de hemel, uw woonplaats, naar hun bidden en smeken en verschaf hun recht. Vergeef uw volk alle zonden en misstappen die het tegen U begaan heeft.

40God, wees opmerkzaam en luister naar de gebeden die vanaf deze plaats tot U worden gericht.

41Nu dan, HEER God, trek op naar uw rustplaats,

U en uw machtige ark.

Mogen uw priesters bekleed zijn met bevrijding,

uw getrouwen zich verheugen in geluk.

42HEER God, wijs uw gezalfde niet af,

gedenk de trouw van uw dienaar David.’

2 Kronieken 4-6NBV21Open in de Bijbel

1Een loflied van David.

U, mijn God en koning, wil ik roemen,

uw naam prijzen tot in eeuwigheid.

2Elke dag opnieuw wil ik U prijzen,

uw naam loven tot in eeuwigheid:

3‘Groot is de HEER, Hem komt alle lof toe,

zijn grootheid is niet te doorgronden.’

4Laat geslacht na geslacht uw schepping bezingen,

uw machtige daden verkondigen.

5Laten zij spreken over de glorie van uw majesteit,

ook ik wil uw wonderen bekendmaken.

6Laten zij getuigen van uw geduchte daden,

ook ik wil van uw grootheid vertellen.

7Laten zij de roem van uw goedheid verbreiden,

uw gerechtigheid bejubelen:

8‘Genadig en liefdevol is de HEER,

Hij blijft geduldig en groot is zijn trouw.

9Goed is de HEER voor alles en allen,

Hij ontfermt zich over heel zijn schepping.’

10Laten al uw schepselen U loven, HEER,

en uw getrouwen U prijzen.

11Laten zij getuigen van de luister van uw koningschap,

spreken over uw machtige werken,

12aan de stervelingen uw machtige daden verkondigen,

de glorie en de glans van uw koningschap:

13‘Uw koningschap omspant de eeuwen,

uw heerschappij omvat alle geslachten.’

14‘Een steun is de HEER voor wie is gevallen,

wie gebukt gaat richt Hij op.

15Allen zien hoopvol naar U uit,

U geeft voedsel, op de juiste tijd.

16Gul is uw hand geopend,

U vervult het verlangen van alles wat leeft.

17Rechtvaardig is de HEER in alles wat Hij doet,

heel zijn schepping blijft Hij trouw.

18Allen die Hem aanroepen is de HEER nabij,

die Hem roepen in vast vertrouwen.

19Hij vervult het verlangen van wie Hem eren,

Hij hoort hun klacht en komt te hulp.

20De HEER waakt over wie Hem liefhebben,

maar goddelozen vaagt Hij weg.’

21Laat zó mijn mond de lof spreken van de HEER,

en alles wat leeft zijn heilige naam prijzen,

tot in eeuwigheid.

Psalmen 145NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.16
Volg ons