Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 187 / 1Kon. 9-10, Ps. 45, Spr. 5

Bijbeltekst(en)

Belofte aan Salomo

1Toen Salomo de bouw van de tempel voor de HEER en van het koninklijk paleis voltooid had, en ook al zijn andere bouwplannen ten uitvoer had gebracht, 2verscheen de HEER hem een tweede keer, zoals Hij hem ook in Gibeon was verschenen. 3De HEER zei tegen Salomo: ‘Ik heb het smeekgebed dat je tot Mij gericht hebt gehoord. Ik heb de tempel die je gebouwd hebt tot heilige plaats gemaakt, om er voor altijd mijn naam te laten wonen. Niets van wat daar gebeurt zal Me ontgaan; Ik zal alles ter harte nemen. 4En wat jezelf betreft, als jij Mij met heel je hart oprecht toegewijd blijft, zoals je vader David dat was, als je alles doet wat Ik je opdraag en je altijd houdt aan mijn bepalingen en rechtsregels, 5zal Ik ervoor zorgen dat jouw koninklijke troon in Israël nooit wankelt, zoals Ik je vader David heb beloofd toen Ik hem zei dat er altijd een van zijn nakomelingen op de troon van Israël zou zitten. 6Maar mochten jullie of je nakomelingen je van Mij afwenden en je niet houden aan de geboden en bepalingen die Ik jullie heb opgelegd, en in plaats daarvan andere goden gaan vereren en voor hen neerknielen, 7dan zal Ik de Israëlieten verdrijven van het grondgebied dat Ik hun gegeven heb en wil Ik niets meer weten van deze tempel, die Ik voor mijn naam heb geheiligd. Israël zal dan bij alle volken het mikpunt worden van hoon en spot, 8en van deze tempel zal alleen een puinhoop overblijven, zodat ieder die er voorbijkomt zal huiveren en sissen van afschuw. En wie zich afvraagt waarom de HEER zo tegen dit land en deze tempel is opgetreden, 9zal als antwoord krijgen: “Omdat ze zich hebben afgewend van de HEER, hun God, die hun voorouders uit Egypte heeft geleid, en zich aan andere goden hebben vastgeklampt. Ze zijn andere goden gaan vereren en hebben voor hen neergeknield, en daarom heeft de HEER hun al deze rampspoed bezorgd.”’

Andere ondernemingen van Salomo

10Twintig jaar had Salomo besteed aan deze twee bouwwerken, de tempel voor de HEER en het koninklijk paleis. 11Koning Chiram van Tyrus had hem daarvoor ceders, cipressen en goud geleverd zo veel hij maar wilde. Na afloop van die twintig jaar schonk koning Salomo Chiram twintig steden in Galilea. 12Maar toen Chiram uit Tyrus kwam om de steden die Salomo hem gegeven had te bekijken, was hij niet tevreden 13en hij beklaagde zich: ‘Wat zijn dat voor steden die u me gegeven hebt, waarde vriend?’ Hij noemde die streek Eres-Kabul, en zo heet het daar tot op de dag van vandaag. 14In totaal had Chiram honderdtwintig talent goud aan koning Salomo geleverd.

15Salomo liet de bouw van de tempel, het paleis, het Millobolwerk en de stadsmuur van Jeruzalem uitvoeren als herendienst, evenals de bouwwerkzaamheden in Hasor, Megiddo en Gezer. 16De farao, de koning van Egypte, was indertijd tegen Gezer opgetrokken, had de stad ingenomen en in de as gelegd en alle Kanaänieten die er woonden gedood, en toen zijn dochter met Salomo trouwde, had hij haar deze stad als bruidsschat meegegeven. 17Salomo had Gezer weer opgebouwd. Ook versterkte hij Laag-Bet-Choron, 18Baälat, Tamar in de woestijn van Juda 19en alle steden waar hij zijn voorraden opsloeg en zijn wagens en paarden stalde. Hij bouwde wat hij maar wilde, in Jeruzalem, in de Libanon of waar ook in zijn rijk. 20-21Salomo legde aan alle bevolkingsgroepen die niet tot het volk van Israël behoorden herendienst op, dat wil zeggen aan de Amorieten, Hethieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten die nog in het land woonden omdat de Israëlieten er niet in waren geslaagd ze te vernietigen. Deze maatregel geldt tot op de dag van vandaag. 22De Israëlieten zelf werden door Salomo niet verplicht tot herendienst; zij deden dienst als soldaten, hofdienaars, legeraanvoerders, adjudanten en bevelhebbers van de wagenmenners en de ruiterij. 23Vijfhonderdvijftig opzichters hielden voor Salomo toezicht op het werk en hadden de leiding over het werkvolk.

24Zodra de dochter van de farao van de Davidsburcht was verhuisd naar de vertrekken die Salomo voor haar in het paleis had laten bouwen, begon hij aan de bouw van het Millobolwerk.

25Nadat hij de tempel voltooid had, bracht Salomo driemaal per jaar brandoffers en vredeoffers op het altaar dat hij voor de HEER had laten maken; ook brandde hij wierook bij het altaar van de HEER.

26Koning Salomo had ook een vloot laten bouwen, in Esjon-Geber bij Elat, aan de kust van de Rode Zee, in Edom. 27Chiram stuurde ervaren zeelieden met Salomo’s vloot mee om de bemanning bij te staan. 28De vloot voer naar Ofir, van waar ze vierhonderdtwintig talent goud voor koning Salomo meebrachten.

Bezoek van de koningin van Seba

1De roem van Salomo, die de naam van de HEER tot eer strekte, was tot de koningin van Seba doorgedrongen. Ze ging naar hem toe om hem met raadsels op de proef te stellen. 2Ze kwam naar Jeruzalem met een grote karavaan dromedarissen beladen met reukwerk, een grote hoeveelheid goud, en edelstenen. Ze bracht Salomo een bezoek en legde hem alle vragen voor die ze had bedacht. 3En Salomo wist op al haar vragen een antwoord, er was er niet één waarop hij het antwoord schuldig moest blijven. 4Toen de koningin van Seba merkte hoe wijs Salomo was en ze het paleis zag dat hij gebouwd had, 5de gerechten die bij hem op tafel kwamen, de wijze waarop zijn hovelingen aanzaten, de kleding en de goede manieren van zijn bedienden, de dranken die werden geschonken en de offers die hij opdroeg in de tempel van de HEER, was ze buiten zichzelf van bewondering. 6Ze zei tegen de koning: ‘Het is dus echt waar wat ik in mijn land over u en uw wijsheid heb horen vertellen. 7Ik geloofde het niet, maar nu ik hierheen ben gekomen en het met eigen ogen gezien heb, moet ik toegeven dat ik nog niet de helft te horen heb gekregen. Uw wijsheid en welvaart zijn nog veel groter dan wordt gezegd. 8Wat zijn uw hovelingen, die voortdurend in uw gezelschap verkeren en al uw wijze woorden horen, bevoorrecht! 9Geprezen zij de HEER, uw God, die zo veel behagen in u schept dat Hij u op de troon van Israël heeft gezet. Zijn liefde voor Israël is zo grenzeloos dat Hij u als koning heeft aangesteld om recht en gerechtigheid te handhaven.’

10De koningin van Seba schonk Salomo honderdtwintig talent goud en een grote hoeveelheid reukwerk en edelstenen. Zo veel reukwerk als de koningin van Seba aan koning Salomo gaf, is later nooit meer aangevoerd. 11De vloot van Chiram die het goud uit Ofir had meegebracht, voerde van daar ook een grote hoeveelheid sandelhout en edelstenen mee. 12Uit het sandelhout liet Salomo balustrades maken voor de tempel van de HEER en het koninklijk paleis, en ook lieren en harpen voor de zangers. Het is tot op de dag van vandaag niet meer voorgekomen dat er zulk sandelhout werd aangevoerd. 13Koning Salomo gaf de koningin van Seba de gebruikelijke koninklijke geschenken en daarbij nog alles wat ze verder maar vroeg. Daarna keerde ze met haar gevolg naar haar eigen land terug.

Salomo’s rijkdom

14Koning Salomo ontving jaarlijks zeshonderdzesenzestig talent goud, 15nog afgezien van het goud dat de handelskaravanen meebrachten, de winst die zijn handelaars maakten en het goud dat de vorsten van de woestijnvolken en de stadhouders van Israël afdroegen.

16De koning liet tweehonderd grote schilden maken van gedreven goud; in één zo’n schild werd zeshonderd sjekel goud verwerkt. 17En ook nog driehonderd kleinere schilden van gedreven goud; in één zo’n schild werd drie mine goud verwerkt. Deze schilden liet hij opstellen in de hal die het Woud van de Libanon werd genoemd. 18Van ivoor liet hij een grote troon maken, die werd verguld met fijn goud. 19Zes treden leidden naar de troon, die aan de bovenkant een ronde hoofdsteun had en armleuningen aan weerskanten van de zitting. Naast de armleuningen stonden twee leeuwen 20en op de zes treden stonden twaalf leeuwen, één aan elke kant van iedere tree. In geen enkel koninkrijk was ooit zo’n troon gemaakt. 21Al het drinkgerei van koning Salomo was van goud en al het andere vaatwerk in het Woud van de Libanon was verguld. Er werd geen zilver gebruikt, want aan zilver hechtte men in de tijd van Salomo geen bijzondere waarde. 22De koning beschikte namelijk over een handelsvloot die samen met de vloot van Chiram de zeeën bevoer en eens in de drie jaar binnenliep met een lading goud, zilver, olifantstanden, apen en pauwen.

23Koning Salomo overtrof alle andere koningen op aarde in rijkdom en wijsheid. 24Uit alle delen van de wereld kwamen mensen naar Salomo toe om te luisteren naar de wijsheid waarmee God hem vervuld had. 25En allemaal brachten ze geschenken mee: zilveren en gouden voorwerpen, gewaden, wapens, reukwerk, paarden en muildieren. Dat ging zo jaar in jaar uit.

26Salomo schafte ook wagens en paarden aan; hij bezat in totaal veertienhonderd wagens en twaalfduizend paarden, die hij deels in Jeruzalem bij zich hield en deels onderbracht in garnizoenssteden verspreid over het land.

27Dankzij koning Salomo was zilver in Jeruzalem even gewoon als steen, en was er aan cederhout net zo’n overvloed als aan wilde vijgenbomen in het heuvelland.

28Salomo’s paarden waren afkomstig uit Egypte, uit Kewe, waar ze door handelaars van de koning werden aangekocht. 29Een wagen kostte in Egypte zeshonderd sjekel zilver, een paard honderdvijftig. Deze handelaars leverden ook paarden aan de koningen van de Hethieten en de Arameeërs.

1 Koningen 9-10NBV21Open in de Bijbel

1Voor de koorleider. Op de wijs van De lelies. Van de Korachieten, een kunstig lied. Een liefdeslied.

2In mijn hart wellen de juiste woorden op,

mijn gedicht spreek ik uit voor de koning,

mijn tong is de pen van een vaardige schrijver.

3U bent de mooiste van alle mensen

en lieflijkheid vloeit van uw lippen –

God heeft u voor altijd gezegend.

4Gord uw zwaard aan de heup, o held,

het teken van uw majesteit en glorie.

5Treed op in uw glorie en trek ten strijde

voor waarheid, deemoed en recht.

Laat uw hand geduchte daden verrichten.

6Uw pijlen zijn gescherpt en treffen

de vijanden van de koning in het hart.

Volken vallen dood voor u neer.

7Uw troon is voor eeuwig en altijd, o god,

de scepter van het recht is uw koningsscepter,

8u hebt gerechtigheid lief en haat het kwaad.

Daarom heeft God, uw God, u gezalfd

met vreugdeolie, als geen van uw gelijken.

9Uw gewaden geuren naar mirre, aloë en kaneel,

muziek die u verblijdt klinkt uit ivoren paleizen,

10juwelen sieren de dochters van koningen,

rechts van u staat de koningin, getooid met goud uit Ofir.

11Luister, dochter, zie en hoor,

vergeet uw volk en het huis van uw vader.

12Begeert de koning uw schoonheid,

buig voor hem, hij is uw heer.

13Dochter van Tyrus, met geschenken

zoeken de rijksten van het volk uw gunst.

14Stralend wacht de koningsdochter binnen,

van goudbrokaat is haar mantel.

15Een kleurige stoet brengt haar naar de koning,

in haar gevolg de meisjes, haar vriendinnen.

Zij worden naar hem toe gebracht;

16begeleid door gejuich en vreugdezang

gaan zij het paleis van de koning binnen.

17Uw zonen volgen uw voorouders op,

u laat hen heersen over heel het land.

18Ik zal uw naam bezingen, geslacht na geslacht,

alle volken zullen u prijzen, eeuwig en altijd.

Psalmen 45NBV21Open in de Bijbel
Mijd onbekende vrouwen

1Mijn zoon, luister naar mijn wijsheid,

schenk mijn inzicht een aandachtig oor,

2-3opdat bezonnenheid je blijft behoeden,

kennis over je waakt als je spreekt met een vreemde vrouw.

Van haar lippen komen gladde praatjes,

haar mond spreekt honingzoete woorden,

4maar uiteindelijk blijkt zij als gif zo bitter,

zo scherp als een tweesnijdend zwaard.

5Haar pad voert naar het graf,

haar voeten dalen af in het dodenrijk.

6Ze wil niet dat je de weg naar het leven inslaat,

ze zet je op een dwaalspoor zonder dat je het weet.

7Daarom, mijn zonen, luister naar mij,

wijk nooit af van wat ik zeg.

8Blijf bij zo’n vrouw vandaan,

houd afstand van haar woning.

9Want je gooit je eer te grabbel,

je levert je uit aan een wraakzuchtig man.

10Vreemden doen zich tegoed aan jouw vermogen,

en wat jij zo moeizaam hebt verworven

belandt in het huis van die onbekende.

11En uiteindelijk, wanneer er niets meer van je over is,

schreeuw je het uit:

12‘Waarom heb ik die wijze lessen verworpen?

Elke waarschuwing heb ik veracht.

13Waarom heb ik niet geluisterd naar mijn leraren?

Ik sloot mijn oren voor hun raad.

14Bijna was ik te gronde gegaan,

voor ieders blik, voor het oog van alle mensen.’

15Drink water uit je eigen bekken,

ga naar de stromen van je eigen bron.

16Je wilt toch niet dat ze de vrije loop krijgen

en de pleinen overstromen?

17Ze zijn van jou, van jou alleen,

laat niemand anders ervan drinken.

18Moge je bron gezegend zijn,

moge de geliefde van je jeugd je vreugde geven.

19Ze is zo lieflijk als een hinde, bekoorlijk als een ree.

Je mag je telkens laven aan haar borsten,

je kunt eindeloos verzinken in haar liefde.

20Waarom, mijn zoon, zou je dan dwalen bij een vreemde vrouw,

je vlijen aan de borsten van zo’n afgedwaalde?

21De HEER ziet alle wegen die een mens bewandelt,

al zijn stappen slaat Hij gade.

22Wie kwaad doet, zet voor zichzelf een val,

hij raakt verstrikt in de koorden van zijn zonde.

23Omdat hij wijze lessen negeert,

verdwaalt hij in zijn eigen dwaasheid

en wacht hem de dood.

Spreuken 5NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons