Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 17 / Gen. 49-50, Ps. 90

Bijbeltekst(en)

1Daarop liet Jakob al zijn zonen bij zich roepen en zei: ‘Kom allemaal hier, dan zal ik jullie vertellen hoe het je in de toekomst zal vergaan.

2Kom hier en luister, zonen van Jakob,

luister naar Israël, je vader.

3Ruben, mijn eerstgeborene ben jij,

de eerste vrucht van mijn manlijke kracht,

in fierheid en macht de voornaamste –

4maar verraderlijk als water.

Nee, jij zult niet de voornaamste zijn,

want jij hebt je vaders bed ontwijd.

Hij heeft mijn bed beslapen!

5Simeon en Levi zijn altijd samen,

zij beramen niets dan geweld.

6Ik wil niet deelnemen aan hun beraad,

op hun bijeenkomsten wil ik niet zijn.

In woede ontstoken doden zij mannen,

moedwillig verlammen ze stieren.

7Vervloekt zij hun grimmige woede,

vervloekt hun ontembare razernij.

Ik zal hen verstrooien onder Jakobs volk,

hen over Israël verspreiden.

8Juda, jou zullen je broers bejubelen,

voor jou buigt de vijand de nek,

voor jou zullen mijn zonen zich buigen.

9Sterk als een jonge leeuw ben jij,

je verovert je prooi, mijn zoon,

en keert naar je leger terug.

Juda gaat liggen als een leeuw,

vol majesteit vlijt hij zich neer –

wie zou hem durven wekken?

10In Juda’s handen zal de scepter blijven,

tussen zijn voeten de heersersstaf,

totdat hij komt die er recht op heeft;

hem zullen de volken gehoorzaam zijn.

11Aan een wijnstok bindt hij zijn ezel,

aan een wingerd het jong van zijn ezelin,

in wijn wast hij zijn gewaad,

in druivenbloed zijn bovenkleed.

12Zijn ogen glanzen dieper dan wijn,

zijn tanden zijn witter dan melk.

13Zebulon, aan de zee zal hij wonen,

aan zijn strand de schepen ontvangen.

Zijn gebied strekt zich uit tot aan Sidon.

14Issachar is een sterke ezel,

liggend tussen de manden.

15Hij zag hoe weldadig de rust was

en hoe bekoorlijk het land;

er werd hem zwaar werk opgelegd,

hij boog zich en droeg zijn last.

16Dan, hij handhaaft het recht van zijn stam

als elk van de stammen van Israël.

17Dan, hij is een slang op de weg,

een adder op het pad;

hij bijt het paard in de hielen,

de berijder komt ten val.

18Op uw hulp hoop ik, HEER!

19Gad, een roversbende belaagt hem,

maar hij belaagt zijn vervolgers.

20Aser, rijk aan de fijnste spijzen,

voedsel voor koningen brengt hij voort.

21Naftali, een hinde in vrijheid,

die prachtige kalveren werpt.

22Een vruchtbare wijnstok is Jozef,

een vruchtbare plant bij een bron,

met ranken die reiken tot over de muur.

23De boogschutters, zij haatten hem,

zij tergden hem en schoten.

24Maar zijn boog bleef gespannen,

zijn armen en handen soepel,

door de hulp van de Machtige, de Machtige van Jakob,

door de nabijheid van de herder, de rots van Israël,

25door de God van je vader, de Ontzagwekkende.

Hij moge je helpen, Hij moge je zegenen

met zegeningen van de hemel daarboven

en van de oervloed in de diepte,

met zegeningen van borsten en moederschoot.

26De zegen van je vader is rijker

dan de zegen van de eeuwige bergen,

de kostelijke rijkdom van de eeuwige heuvels.

Moge die zegen op Jozef rusten,

de uitverkorene onder zijn broers.

27Benjamin, een verscheurende wolf;

’s morgens verslindt hij zijn prooi,

’s avonds verdeelt hij de buit.’

28Dit waren alle stammen van Israël, twaalf in getal, en met deze woorden gaf hun vader elk van hen een eigen zegen.

29Toen gaf Jakob zijn zonen de volgende opdracht: ‘Als ik straks met mijn voorouders verenigd word, begraaf me dan bij hen in de grot op het land van de Hethiet Efron, 30in de grot op de akker in Machpela, dicht bij Mamre, in Kanaän, de akker die Abraham van Efron heeft gekocht omdat hij daar een eigen graf wilde hebben. 31Daar zijn Abraham en zijn vrouw Sara begraven, daar zijn Isaak en Rebekka begraven, en daar heb ik Lea begraven. 32Het stuk land waarop die grot ligt, is van de Hethieten gekocht.’ 33Na zijn zonen deze opdracht te hebben gegeven trok Jakob zijn voeten weer op het bed. Toen blies hij de laatste adem uit en werd hij verenigd met zijn voorouders.

1Jozef boog zich over zijn vader heen en kuste huilend zijn gezicht. 2Hij droeg de artsen die hij in dienst had op om zijn vader te balsemen, en zij deden wat hij hun opdroeg. 3Het balsemen van Israël duurde veertig dagen (zo lang duurt een balseming), en de Egyptenaren beweenden hem zeventig dagen.

4Toen de rouwperiode voorbij was, zei Jozef tegen de hovelingen van de farao: ‘Als u mij goedgezind bent, legt u dan het volgende aan de farao voor: 5Mijn vader heeft mij kort voordat hij stierf laten zweren dat ik hem in het graf zou leggen dat hij in Kanaän heeft laten uithouwen. Ik zou graag toestemming krijgen om mijn vader daar te gaan begraven. Daarna zal ik terugkomen.’ 6De farao liet antwoorden: ‘Het is goed, u mag uw vader daar begraven, zoals u hem hebt gezworen.’

7Zo ging Jozef op reis om zijn vader te begraven. Veel dienaren van de farao gingen met hem mee, alle hovelingen en alle andere vooraanstaanden van Egypte, 8en verder Jozefs hele gezin, zijn broers en alle andere familieleden; alleen de kinderen en de schapen, geiten en runderen lieten ze in Gosen achter. 9Er gingen ook wagens en ruiters mee, een zeer indrukwekkende stoet.

10Bij Goren-Haätad aangekomen, ten oosten van de Jordaan, hieven ze een lange, aangrijpende rouwklacht aan. Zeven dagen lang liet Jozef om zijn vader treuren. 11Toen de Kanaänieten die in die streek woonden het rouwbetoon in Goren-Haätad zagen, zeiden ze: ‘De Egyptenaren zijn in diepe rouw!’ Daarom wordt die plaats, die ten oosten van de Jordaan ligt, ook wel Abel-Misraïm genoemd.

12Israëls zonen deden wat hun vader hun had opgedragen: 13ze brachten hem naar Kanaän en begroeven hem in de grot op de akker in Machpela, dicht bij Mamre, op het stuk land dat Abraham van de Hethiet Efron had gekocht omdat hij een eigen graf wilde hebben. 14Nadat hij zijn vader had begraven keerde Jozef terug naar Egypte, samen met zijn broers en met alle anderen die met hem waren meegegaan.

15Nu hun vader er niet meer was, zeiden Jozefs broers tegen elkaar: ‘Als Jozef zich nu maar niet tegen ons keert en ons al het kwaad vergeldt dat wij hem hebben aangedaan.’ 16Daarom lieten ze hem de volgende boodschap brengen: ‘Voordat je vader stierf, heeft hij ons opgedragen 17je dit verzoek over te brengen: “Vergeef je broers hun schandelijke misdaad, Jozef. Ze hebben je in de ellende gestort, maar vergeef de dienaren van de God van je vader hun misdaad toch.”’ Bij het horen van die woorden kon Jozef zijn tranen niet bedwingen. 18Daarna gingen zijn broers zelf naar hem toe. Ze vielen voor hem op hun knieën en zeiden: ‘We zijn bereid je slaaf te worden.’ 19Maar Jozef zei: ‘Wees maar niet bang. Ik kan toch Gods plaats niet innemen? 20Jullie hadden kwaad tegen mij in de zin, maar God heeft dat ten goede gekeerd, om te bewerken wat er nu gebeurt: dat een groot volk in leven blijft. 21Wees dus niet bang. Ik zal zelf voorzien in het onderhoud van jullie en jullie kinderen.’ Zo troostte hij hen en sprak hij hun moed in.

Jozefs dood

22Jozef bleef in Egypte wonen, met zijn hele familie. Hij werd honderdtien jaar. 23Hij zag Efraïms kleinkinderen nog, en ook de kinderen van Machir, de zoon van Manasse, die hij beschouwde als zijn eigen kinderen. 24Toen hij zijn einde voelde naderen, zei hij tegen zijn broers: ‘God zal zich jullie lot aantrekken: Hij zal jullie uit dit land wegleiden en je naar het land brengen dat Hij onder ede aan Abraham, Isaak en Jakob heeft beloofd. 25Zweer me dat jullie, wanneer God zich jullie lot aantrekt, mijn lichaam van hier zullen meenemen.’ 26Jozef stierf toen hij honderdtien jaar was. Hij werd gebalsemd en in een doodskist gelegd, in Egypte.

Genesis 49-50NBV21Open in de Bijbel

Vierde boek

1Een gebed van Mozes, de godsman.

Heer, U bent ons een toevlucht geweest

van geslacht op geslacht.

2Nog voor de bergen waren geboren,

voor U aarde en land had gebaard –

U bent, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid.

3U doet de sterveling terugkeren tot stof

en zegt: ‘Keer terug, mensenkind.’

4Duizend jaar zijn in uw ogen

als de dag van gisteren die voorbij is,

niet meer dan een wake in de nacht.

5U vaagt ons weg als slaap

in de morgen, als opschietend gras

6dat ontkiemt in de morgen en opschiet,

en ’s avonds verwelkt en verdort.

7Wij komen om door uw toorn,

door uw woede bezwijken wij.

8U hebt onze zonden vóór u geleid,

onze geheimen onthuld in het licht van uw gelaat.

9Al onze dagen gaan heen door uw woede,

wij beëindigen onze jaren in een zucht.

10Zeventig jaar duren onze dagen,

of tachtig als wij sterk zijn.

Het beste daarvan is moeite en leed,

het gaat snel voorbij en wij vliegen heen.

11Wie kent de kracht van uw toorn,

wie vreest oprecht uw woede?

12Leer ons zo onze dagen te tellen

dat wijsheid ons hart vervult.

13Keer u tot ons, HEER – hoe lang nog?

Ontferm u over uw dienaren.

14Vervul ons in de morgen met uw liefde,

laat ons van blijdschap juichen, al onze dagen.

15Geef ons vreugde, vergoed de dagen dat U ons kwelde,

de jaren dat wij ellende doorstonden.

16Toon uw daden aan uw dienaren,

maak uw glorie bekend aan hun kinderen.

17Laat ons uw genade zien, Heer, onze God.

Bevestig het werk van onze handen,

het werk van onze handen, bevestig dat.

Psalmen 90NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.16
Volg ons