Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 158 / 1Sam. 7-8, Ps. 146

Bijbeltekst(en)

1Er kwamen mensen uit Kirjat-Jearim om de ark op te halen. Ze brachten hem naar het huis van Abinadab, op de heuvel, en wijdden diens zoon Elazar om zorg te dragen voor de ark van de HEER.
Samuel spreekt het volk toe

2Er verstreek geruime tijd vanaf de dag dat de ark naar Kirjat-Jearim was overgebracht, wel twintig jaar. Steeds meer Israëlieten klaagden hun nood bij de HEER. 3Ten slotte sprak Samuel het volk als volgt toe: ‘Als het u werkelijk ernst is terug te keren naar de HEER, doe dan de vreemde goden zoals Astarte weg en richt u met heel uw hart naar de HEER. Dien Hem alleen, dan zal Hij u bevrijden uit de greep van de Filistijnen.’ 4Dus deden de Israëlieten de Baäls en Astartes weg en dienden alleen nog de HEER. 5Toen zei Samuel: ‘Laat iedereen naar Mispa komen, dan zal ik voor u tot de HEER bidden.’ 6Het hele volk kwam in Mispa bij elkaar. Ze putten water dat ze voor de HEER uitgoten, en vastten de hele dag. Ze erkenden: ‘We hebben tegen de HEER gezondigd.’ Daar in Mispa trad Samuel op als rechter over de Israëlieten.

7Toen de Filistijnse stadsvorsten vernamen dat de Israëlieten in Mispa bijeen waren gekomen, trokken ze op naar Israël. De Israëlieten hoorden hiervan en werden bang. 8Ze zeiden tegen Samuel: ‘Laat ons niet in de steek en roep voor ons de HEER, onze God, te hulp, opdat Hij ons redt uit de greep van de Filistijnen.’ 9Samuel nam een lammetje en droeg het in zijn geheel als brandoffer aan de HEER op. Hij riep de HEER om hulp voor Israël, en de HEER verhoorde hem. 10Terwijl Samuel nog met het offer bezig was, kwamen de Filistijnen er al aan om Israël aan te vallen. Maar toen liet de HEER luid zijn donder klinken tegen de Filistijnen en zaaide zo veel paniek onder hen dat ze tegen Israël wel het onderspit moesten delven. 11De Israëlieten zetten vanuit Mispa de achtervolging in en dreven hen terug tot onder Bet-Kar. 12Na afloop plaatste Samuel tussen Mispa en Sen een steen en noemde die Eben-Haëzer. ‘Want,’ verklaarde hij, ‘tot hiertoe heeft de HEER ons geholpen.’ 13De Filistijnen moesten zich gewonnen geven en waagden het niet nog een voet op het grondgebied van Israël te zetten. Zolang Samuel leefde, hield de HEER de Filistijnen in bedwang. 14Het gebied tot aan Ekron en Gat werd door Israël op de Filistijnen heroverd, en er was vrede tussen Israël en de Amorieten.

15Tot het einde van zijn leven bleef Samuel rechter over Israël. 16Hij maakte jaarlijks een rondreis langs Betel, Gilgal en Mispa en sprak daar recht over het volk. 17Dan keerde hij weer terug naar zijn woonplaats Rama, van waaruit hij Israël bestuurde en waar hij een altaar had gebouwd voor de HEER.

Israël vraagt een koning

1Toen Samuel oud geworden was, benoemde hij zijn zonen tot rechters over Israël. 2De oudste heette Joël en de tweede Abia. Ze bestuurden het land vanuit Berseba. 3Maar ze volgden het voorbeeld van hun vader niet na: ze waren op eigen voordeel uit, namen steekpenningen aan en verdraaiden het recht. 4De oudsten van Israël kwamen daarom bij elkaar en gingen naar Rama, naar Samuel. 5‘U bent oud geworden,’ zeiden ze, ‘en uw zonen volgen uw voorbeeld niet na. Benoem liever een koning om ons te besturen, zoals alle andere volken er een hebben.’ 6Samuel vond het ontoelaatbaar dat ze om een koning vroegen; daarom richtte hij een gebed tot de HEER. 7Maar deze antwoordde: ‘Geef gehoor aan de stem van het volk, aan alles wat ze je vragen. Jou verwerpen ze niet. Ze verwerpen juist Mij als hun koning. 8Zo is het altijd gegaan, vanaf de dag dat Ik hen uit Egypte heb geleid tot nu toe. Ze hebben Mij de rug toegekeerd en andere goden gediend, en zo vergaat het nu ook jou. 9Geef dus gehoor aan hun verzoek, maar waarschuw hen door uitdrukkelijk te wijzen op de rechten die de koning die over hen zal heersen, kan laten gelden.’

10Samuel vertelde alles wat de HEER had gezegd aan het volk, dat om een koning vroeg. 11Toen zei hij: ‘Dit zijn de rechten die de koning die over u zal heersen, kan laten gelden: Uw zonen zal hij u afnemen om ze in te delen bij zijn strijdwagens, zijn ruiterij of zijn persoonlijke escorte, 12of om ze aan te stellen als bevelhebbers over duizend man of over vijftig. Hij zal ze zijn akkers laten ploegen, zijn oogst laten binnenhalen en zijn wapens en strijdwagens laten maken. 13Uw dochters zal hij u afnemen om ze zalf te laten bereiden en te laten koken en bakken. 14Uw vruchtbaarste landerijen, wijngaarden en olijfgaarden zal hij u afnemen en toewijzen aan zijn hovelingen. 15Van de opbrengst van uw akkers en wijngaarden zal hij een tiende deel opeisen en dat aan zijn hovelingen en hoge ambtenaren geven. 16Uw beste slaven en slavinnen en uw sterkste arbeidskrachten zal hij u afnemen om ze voor hemzelf te laten werken, en ook uw ezels. 17Van uw schapen en geiten zal hij een tiende deel opeisen en ook uzelf zult hem moeten dienen. 18En wanneer u dan de HEER te hulp roept tegen de koning die u zelf gewild hebt, dan zal Hij u niet verhoren.’

19Het volk trok zich niets van Samuels woorden aan en zei: ‘Nee, we willen een koning en anders niet! 20Dan pas zullen we gelijk zijn aan alle andere volken. We willen dat een koning ons bestuurt en recht over ons spreekt, voor ons uit trekt en ons voorgaat in de strijd.’ 21Samuel hoorde aan wat het volk te zeggen had en bracht het over aan de HEER. 22Toen zei de HEER tegen Samuel: ‘Geef gehoor aan hun verzoek en stel een koning over hen aan.’ En Samuel zei tegen de Israëlieten dat iedereen naar zijn eigen stad moest terugkeren.

1 Samuel 7-8NBV21Open in de Bijbel

1Halleluja!

Loof de HEER, mijn ziel.

2De HEER wil ik loven zolang ik leef,

mijn God bezingen zolang ik besta.

3Vertrouw niet op mensen met macht,

op een sterveling, bij wie geen redding is.

4Stokt zijn adem, hij keert terug tot de aarde,

op die dag gaat hij met zijn plannen ten onder.

5Gelukkig wie de God van Jakob tot hulp heeft,

wie zijn hoop vestigt op de HEER, zijn God,

6die hemel en aarde heeft gemaakt,

de zee en alles wat daar leeft,

Hij die trouw is tot in eeuwigheid,

7recht doet aan de verdrukten,

brood geeft aan de hongerigen.

De HEER bevrijdt de gevangenen,

8de HEER opent de ogen van blinden,

de HEER richt de gebogenen op,

de HEER heeft de rechtvaardigen lief,

9de HEER beschermt de vreemdelingen,

wezen en weduwen steunt Hij,

maar goddelozen richt Hij te gronde.

10De HEER is koning tot in eeuwigheid,

je God, Sion, van geslacht op geslacht.

Halleluja!

Psalmen 146NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.19.1
Volg ons