Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 123 / Hand. 6-8, Ps. 107

Bijbeltekst(en)

Conflict binnen de gemeente en verdere groei

1Toen het aantal leerlingen toenam, ontstond er op een gegeven moment ontevredenheid bij de Griekstaligen, die de Hebreeuwssprekenden verweten dat de weduwen uit hun groep bij de dagelijkse ondersteuning werden achtergesteld. 2Daarop riepen de twaalf apostelen de voltallige gemeenschap van leerlingen bijeen en zeiden: ‘Het is niet goed dat wij de zorg dragen voor de gemeenschappelijke maaltijden, want daardoor verwaarlozen we de verkondiging van Gods woord. 3Kies daarom, broeders en zusters, uit uw midden zeven wijze mannen die goed bekendstaan en vervuld zijn van de Geest. Aan hen zullen we deze taak opdragen, 4terwijl wij ons zullen wijden aan het gebed en aan de verkondiging van het woord van God.’ 5Alle leerlingen stemden met dit voorstel in. Ze kozen Stefanus, een diepgelovig man, die vervuld was van de heilige Geest, en verder ook Filippus, Prochorus, Nikanor, Timon, Parmenas en Nikolaüs, een proseliet uit Antiochië. 6Ze lieten deze mannen plaatsnemen voor de apostelen, die een gebed uitspraken en hun daarna de handen oplegden. 7Het woord van God vond steeds meer gehoor, zodat het aantal leerlingen in Jeruzalem sterk groeide; ook een grote groep priesters aanvaardde het geloof.

Stefanus

8Stefanus verrichtte dankzij Gods genade en kracht grote wonderen en tekenen onder het volk. 9Enkele leden van de synagoge van de Vrijgelatenen, waartoe ook Joden uit Cyrene en Alexandrië behoorden, evenals Joden uit Cilicië en Asia, kwamen echter in verzet en begonnen met hem te redetwisten, 10maar ze konden niet op tegen zijn wijsheid en tegen de Geest die hem bezielde. 11Daarop zetten ze anderen ertoe aan te verklaren dat ze hadden gehoord dat Stefanus Mozes en God had gelasterd. 12Ook het volk hitsten ze op, evenals de oudsten en de schriftgeleerden. Ten slotte namen ze Stefanus gevangen en brachten hem voor het Sanhedrin. 13Ze lieten valse getuigen komen, die verklaarden: ‘Deze man keert zich steeds weer tegen de tempel en de wet, 14want we hebben hem horen zeggen dat Jezus van Nazaret de heilige plaats zal afbreken en de gebruiken die Mozes ons heeft overgeleverd zal veranderen.’ 15Alle leden van het Sanhedrin vestigden hun blik op Stefanus en zagen dat zijn gezicht leek op dat van een engel.

1De hogepriester vroeg: ‘Is dat waar?’ 2Stefanus antwoordde: ‘Broeders, vaders van ons volk, luister naar wat ik u te zeggen heb. Toen onze voorvader Abraham nog in Mesopotamië woonde, voordat hij zich in Charan vestigde, verscheen God in al zijn luister aan hem 3en zei: “Trek weg uit je land, verlaat je familie, en ga naar het land dat Ik je zal wijzen.” 4Toen trok Abraham weg uit het land van de Chaldeeën en vestigde zich in Charan. Na de dood van zijn vader bracht God hem naar dit land, waar u nu woont. 5Hij gaf hem hier zelfs niet het kleinste stuk grond in eigendom, maar beloofde wel dat hij en zijn nakomelingen het eens in bezit zouden krijgen, ook al had hij toen nog geen zoon. 6God zei tegen Abraham dat zijn nakomelingen vierhonderd jaar in een vreemd land zouden wonen, waar ze in slavernij zouden leven en slecht behandeld zouden worden. 7“Maar,” zo luidden Gods woorden, “het volk dat ze als slaaf zullen dienen, zal Ik straffen, en daarna zullen ze wegtrekken en Mij vereren op de heilige plaats.” 8God sloot met Abraham het verbond van de besnijdenis, en daarom besneed Abraham zijn zoon Isaak, acht dagen na diens geboorte, en Isaak deed hetzelfde met Jakob, en Jakob met de twaalf stamvaders.

9Omdat de stamvaders jaloers waren op Jozef, verkochten ze hem als slaaf aan de Egyptenaren. Maar God beschermde hem 10en redde hem uit alle nood door hem in de gunst te laten komen bij de farao, de koning van Egypte, die hem wegens zijn wijsheid belastte met de leiding over Egypte en over zijn hele hofhouding. 11Er brak echter een grote hongersnood uit in Egypte en Kanaän, die veel ellende veroorzaakte, zodat onze voorouders niets meer te eten hadden. 12Toen Jakob hoorde dat er graan was in Egypte, stuurde hij onze voorouders daar voor de eerste keer heen. 13Tijdens hun tweede bezoek onthulde Jozef aan zijn broers wie hij was, waarna zijn afkomst ook aan de farao bekend werd. 14Jozef liet zijn vader Jakob overkomen met zijn hele familie van vijfenzeventig mensen. 15Jakob vertrok naar Egypte en stierf daar, evenals onze voorouders; 16ze werden overgebracht naar Sichem en bijgezet in het graf dat Abraham van de zonen van Chamor uit Sichem had gekocht.

17Naarmate de tijd naderde dat Gods belofte aan Abraham in vervulling zou gaan, nam het volk in Egypte in aantal toe en werd het steeds groter, 18tot er een andere koning in Egypte aan de macht kwam, die Jozef niet had gekend. 19Deze koning trof een sluwe maatregel om zich van ons volk te ontdoen: hij dwong onze voorouders hun pasgeboren kinderen te vondeling te leggen, zodat die zouden sterven. 20In die tijd werd Mozes geboren. Hij was een uitzonderlijk mooi kind. Drie maanden lang werd hij in het huis van zijn vader verzorgd, 21maar toen hij te vondeling werd gelegd, ontfermde de dochter van de farao zich over hem en liet hem opvoeden als haar eigen zoon. 22Mozes werd onderwezen in alle kennis van de Egyptenaren en werd een machtig man in woord en daad. 23Toen hij veertig jaar was, besloot hij zich te bekommeren om het lot van de Israëlieten, zijn eigen volk. 24Op een dag zag hij dat een van hen werd mishandeld door een Egyptenaar, waarop hij de man wie dit onrecht werd aangedaan te hulp schoot en wraak nam door de Egyptenaar te doden. 25Hij meende dat zijn volksgenoten zouden begrijpen dat God hen door zijn toedoen wilde bevrijden, maar ze begrepen het niet. 26De volgende dag kwam hij tussenbeide toen twee Israëlieten aan het vechten waren, en hij probeerde hen met elkaar te verzoenen door te zeggen: “Jullie zijn toch broeders? Waarom doen jullie elkaar dan kwaad?” 27Maar de man die zijn volksgenoot mishandelde, duwde hem weg en zei: “Wie heeft jou als leider en rechter over ons aangesteld? 28Wou je mij soms ook doodslaan, net als die Egyptenaar gisteren?” 29Toen Mozes dat hoorde, nam hij de vlucht en vestigde zich als vreemdeling in Midjan, waar hij twee zonen kreeg. 30Nadat er veertig jaren waren verstreken, verscheen er in de woestijn bij de Sinai een engel aan hem in de vlammen van een brandende doornstruik. 31Vol verwondering keek Mozes naar dit schouwspel, maar toen hij dichterbij kwam om het te onderzoeken, klonk de stem van de Heer: 32“Ik ben de God van je voorouders, de God van Abraham, Isaak en Jakob.” Bevend van schrik wendde Mozes zijn blik af. 33Maar de Heer zei tegen hem: “Trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat, is heilig. 34Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is en Ik heb hun jammerklachten gehoord, zodat Ik ben afgedaald om hen te bevrijden. Daarom stuur Ik je nu naar Egypte.”

35Het was deze Mozes die door zijn volksgenoten werd afgewezen met de woorden: “Wie heeft jou als leider en rechter aangesteld?” Maar God zond hem als leider en bevrijder naar hen toe, door tussenkomst van de engel die in de doornstruik aan hem verschenen was. 36Het was deze Mozes die het volk wegleidde uit Egypte onder het verrichten van tekenen en wonderen, niet alleen in Egypte, maar ook bij de Rode Zee en in de woestijn, veertig jaar lang. 37Mozes was het die tegen de Israëlieten zei: “God zal in uw midden een profeet zoals ik laten opstaan.” 38Hij was het die, toen het volk in de woestijn bijeen was, als bemiddelaar optrad tussen onze voorouders en de engel die op de Sinai tegen hem sprak, hij was het die de levenbrengende woorden ontving om ze aan ons door te geven. 39Maar onze voorouders wilden hem niet gehoorzamen: ze wezen hem af en verlangden terug naar Egypte. 40Daarom zeiden ze tegen Aäron: “Maak goden voor ons die voor ons uit kunnen gaan, want wat er gebeurd is met die Mozes, die ons uit Egypte heeft geleid, weten we niet.” 41Toen maakten ze een beeld in de vorm van een stierkalf, brachten er offers aan en verheugden zich over hun eigen maaksel. 42Maar God keerde zich van hen af en liet hen de sterren en hemelgoden aanbidden, zoals in het Boek van de profeten geschreven staat: “Hebben jullie Mij soms dierenoffers en brandoffers gebracht toen jullie veertig jaar door de woestijn trokken, volk van Israël? 43Nee, jullie hebben de tent van Moloch meegedragen en de ster van jullie god Refan, beelden die jullie zelf gemaakt hebben om te aanbidden. Daarom zal Ik jullie wegvoeren, tot voorbij Babylon.”

44Onze voorouders hadden in de woestijn de verbondstent bij zich, gemaakt in opdracht van de engel die met Mozes sprak, naar het ontwerp dat Mozes had gezien. 45Onze voorouders hadden deze tent bij zich toen ze onder leiding van Jozua het land veroverden van de volken die God voor hen verdreef; dit duurde tot in de tijd van David. 46David werd door God begunstigd en vroeg om een heiligdom voor het volk van Jakob. 47Maar het was Salomo die voor God een tempel bouwde. 48Toch woont de Allerhoogste niet in een huis dat door mensenhanden is gemaakt, zoals de profeet zegt: 49“De hemel is mijn troon, de aarde mijn voetenbank. Hoe zouden jullie dan een huis voor Mij kunnen bouwen – zegt de Heer –, een plaats waar Ik kan rusten? 50Heb Ik dit alles niet met eigen handen gemaakt?” 51Maar u bent halsstarrig, onbesneden van hart en van oren; steeds weer verzet u zich tegen de heilige Geest, zoals uw voorouders ook al deden. 52Wie van de profeten hebben uw voorouders niet vervolgd? Degenen die de komst van de rechtvaardige aankondigden hebben ze gedood, en zelf hebt u nu de rechtvaardige verraden en vermoord, 53u die de wet ontvangen hebt door tussenkomst van de engelen, maar er niet naar hebt geleefd.’

54Toen ze dit hoorden, werden ze razend op hem, ze knarsetandden van woede. 55Maar vervuld van de heilige Geest sloeg Stefanus zijn blik op naar de hemel en zag de luister van God, en Jezus, die aan Gods rechterhand stond, 56en hij zei: ‘Ik zie de hemel geopend en de Mensenzoon, die aan Gods rechterhand staat.’ 57Maar ze schreeuwden en tierden, hielden hun handen voor hun oren en stormden met zijn allen op hem af. 58Ze dreven hem de stad uit om hem te stenigen. De getuigen gaven hun mantel in bewaring bij een jongeman die Saulus heette. 59Terwijl Stefanus gestenigd werd, riep hij uit: ‘Heer Jezus, ontvang mijn geest.’ 60Hij viel op zijn knieën en riep luidkeels: ‘Heer, reken hun deze zonde niet aan!’ En na deze woorden stierf hij.

1Saulus keurde de moord op hem goed.
Vervolging van de gemeente

Nog diezelfde dag brak er een hevige vervolging los tegen de gemeente in Jeruzalem, zodat allen verspreid werden over Judea en Samaria, met uitzondering van de apostelen. 2Vrome mannen begroeven Stefanus en hieven een luide dodenklacht over hem aan. 3Saulus probeerde de gemeente te vernietigen door mannen en vrouwen met geweld uit hun huizen te sleuren en hen te laten opsluiten in de gevangenis.

Verkondiging in Samaria

4Degenen die verdreven waren, trokken rond en verkondigden het woord van God. 5Filippus ging naar de stad Samaria, en verkondigde hun de messias. 6Alle inwoners luisterden met grote belangstelling en vol ontzag naar wat hij zei toen ze de wonderen zagen die hij verrichtte: 7veel mensen werden bevrijd van onreine geesten, die hen onder luid geschreeuw verlieten, en tal van verlamden en kreupelen werden genezen. 8Daarover ontstond grote vreugde in de stad.

9Voordien had een zekere Simon in de stad magie bedreven en de bevolking versteld doen staan. Hij beweerde over bijzondere gaven te beschikken, 10en iedereen, van groot tot klein, keek vol ontzag naar hem op omdat ze werkelijk meenden dat de grote macht van God in hem zichtbaar werd. 11Hij boezemde de bevolking ontzag in omdat hij hen geruime tijd verbaasd had met zijn magische kunsten. 12Maar toen Filippus hun het koninkrijk van God en de naam van Jezus Christus verkondigde, kwamen ze tot geloof en lieten zich dopen, mannen zowel als vrouwen. 13Ook Simon kwam tot geloof en liet zich dopen. Vanaf dat moment bleef hij voortdurend bij Filippus; hij stond versteld van de tekenen en de machtige wonderen die hij zag gebeuren.

14Toen de apostelen in Jeruzalem hoorden dat de inwoners van Samaria het woord van God hadden aanvaard, stuurden ze Petrus en Johannes naar hen toe. 15Nadat ze waren aangekomen, baden ze dat ook de Samaritanen de heilige Geest mochten ontvangen, 16want deze was nog op niemand van hen neergedaald; ze waren alleen gedoopt in de naam van de Heer Jezus. 17Na het gebed legden Petrus en Johannes hun de handen op, en zo ontvingen ze de heilige Geest. 18Toen Simon zag dat de mensen door de handoplegging van de apostelen vervuld raakten van de Geest, bood hij Petrus en Johannes geld aan 19en zei: ‘Geef ook mij deze macht, zodat iedereen wie ik de handen opleg de heilige Geest ontvangt.’ 20Maar Petrus zei tegen hem: ‘U denkt te kunnen kopen wat God geschonken heeft? U zult, met uw geld, in het verderf worden gestort! 21U kunt beslist geen deel hebben aan onze taak, want uw houding tegenover God is niet oprecht. 22Toon berouw over uw verfoeilijke gedrag en smeek de Heer of Hij u uw slechte gedachten wil vergeven, 23want ik zie dat u vol venijn zit en verstrikt bent in het kwaad.’ 24Toen zei Simon: ‘Bid voor mij tot de Heer dat het me niet zal vergaan zoals u hebt gezegd.’ 25Nadat Petrus en Johannes getuigenis hadden afgelegd van de Heer en zijn boodschap hadden verkondigd, aanvaardden ze de terugreis naar Jeruzalem en brachten het evangelie in tal van dorpen in Samaria.

Filippus en de Ethiopiër

26Een engel van de Heer zei tegen Filippus: ‘Ga tegen de middag naar de verlaten weg van Jeruzalem naar Gaza.’ 27Filippus deed wat hem gezegd werd en ging naar die weg toe. Net op dat moment was daar een Ethiopiër, een eunuch, een hoge ambtenaar van de kandake, de koningin van Ethiopië, die belast was met het beheer van haar schatkist. Hij was in Jeruzalem geweest om daar God te aanbidden 28en zat nu op de terugweg in zijn reiswagen de profeet Jesaja te lezen. 29De Geest zei tegen Filippus: ‘Ga naar die man daar in de wagen.’ 30Filippus haastte zich naar hem toe en hoorde hem de profeet Jesaja lezen, waarop hij vroeg: ‘Begrijpt u ook wat u leest?’ 31De Ethiopiër antwoordde: ‘Hoe zou dat kunnen als niemand mij uitleg geeft?’ Hij nodigde Filippus uit om in te stappen en bij hem te komen zitten. 32Dit was het schriftgedeelte dat hij las:

‘Als een schaap werd Hij naar de slacht geleid;

als een lam dat stil is bij zijn scheerder

deed Hij zijn mond niet open.

33Hij werd vernederd en Hem werd geen recht gedaan,

wie zal van zijn nakomelingen verhalen?

Want op aarde leeft Hij niet meer.’

34De eunuch vroeg aan Filippus: ‘Kunt u me zeggen over wie de profeet het heeft? Over zichzelf of over een ander?’ 35Daarop begon Filippus met hem te spreken over het evangelie van Jezus, waarbij hij deze schrifttekst als uitgangspunt nam. 36Onderweg kwamen ze bij een plaats waar water was, en de eunuch zei: ‘Kijk, water! Waarom zou ik niet gedoopt kunnen worden?’ 38Hij liet de wagen stilhouden en beiden liepen het water in, zowel Filippus als de eunuch, waarna Filippus hem doopte. 39Toen ze uit het water kwamen, greep de Geest van de Heer Filippus en nam hem mee, en de eunuch zag hem niet meer, maar vervolgde zijn weg vol vreugde. 40Filippus kwam terecht in Azotus; van daar reisde hij verder om in alle steden het evangelie te verkondigen, tot hij in Caesarea aankwam.

Handelingen 6-8NBV21Open in de Bijbel

Vijfde boek

1‘Loof de HEER, want Hij is goed,

eeuwig duurt zijn trouw.’

2Zo spreken zij die door de HEER zijn verlost,

door Hem verlost uit de greep van de vijand,

3bijeengebracht uit alle landen,

uit het oosten en het westen,

uit het noorden en het zuiden.

4Soms doolden zij door de woestijn,

maar een weg in de wildernis,

een stad, een woonplaats vonden ze niet.

5Ze kregen honger en dorst

en kwijnden van uitputting weg.

6Ze riepen in hun angst tot de HEER

Hij heeft hen bevrijd uit vele gevaren,

7Hij wees hun de rechte weg,

de weg naar een stad, een woonplaats.

8Laten zij de HEER loven om zijn trouw,

om zijn wonderen aan mensen verricht:

9wie dorst had, gaf Hij te drinken,

wie honger had, volop te eten.

10Soms zaten zij in het diepste duister

als slaven met ijzeren boeien,

11want ze hadden zich tegen Gods woorden verzet,

de raad van de Allerhoogste verworpen,

12Hij liet hen buigen onder een zware last,

ze vielen, en er was niemand die hielp.

13Ze schreeuwden in hun angst tot de HEER

Hij heeft hen gered uit vele gevaren,

14haalde hen weg uit het diepste duister

en brak hun boeien aan stukken.

15Laten zij de HEER loven om zijn trouw,

om zijn wonderen aan mensen verricht:

16bronzen deuren heeft Hij verbrijzeld,

ijzeren grendels verbroken.

17Soms leefden zij als dwazen,

gingen gebukt onder de last van hun zonden,

18ze gruwden van elk voedsel

en waren de poorten van de dood nabij.

19Ze schreeuwden in hun angst tot de HEER

Hij heeft hen gered uit vele gevaren,

20Hij zond zijn woord en genas hen,

ontrukte hen aan het graf.

21Laten zij de HEER loven om zijn trouw,

om zijn wonderen aan mensen verricht,

22laten zij Hem dankoffers brengen,

juichend zijn daden bezingen.

23Soms daalden zij af naar zee,

gingen scheep en bevoeren het wijde water,

24ze zagen de daden van de HEER,

zijn wonderen op de oceaan.

25Hij sprak en ontketende storm,

hoog zweepte Hij de golven op.

26Zij stegen tot aan de hemel, vielen neer in de diepte,

hun maag keerde om van ellende,

27ze tolden en tuimelden als dronkaards,

alle kennis baatte hun niets.

28Ze riepen in hun angst tot de HEER

Hij leidde hen weg uit vele gevaren,

29Hij bracht de storm tot zwijgen,

de golven gingen liggen.

30Het verheugde hen dat de zee tot rust kwam,

Hij bracht hen naar hun veilige haven.

31Laten zij de HEER loven om zijn trouw,

om zijn wonderen aan mensen verricht,

32Hem hoog verheffen als het volk bijeen is,

Hem loven in de kring van de oudsten.

33Hij maakt van rivieren woestijn,

van waterbronnen dorstig land,

34van vruchtbare aarde zilte grond,

vanwege het kwaad van de bewoners.

35Hij maakt van woestijnen waterland,

van dor gebied een bronrijke streek.

36Hij laat daar wonen wie honger leden,

zij stichten een stad, een woonplaats,

37zaaien akkers in, planten wijngaarden,

met een rijke oogst aan vruchten.

38Zegent Hij hen, zij worden zeer talrijk

en ook hun vee breidt zich uit,

39zegent Hij niet, hun aantal neemt af, ze buigen

onder de last van onheil en verdriet.

40Hij stort schande uit over de aanzienlijken,

Hij laat hen dolen in een woestenij zonder uitweg;

41de armen behoedt Hij voor slavernij,

hun families maakt Hij talrijk als kudden.

42Wie oprecht zijn, zien het met blijdschap,

wie onrecht doet, moet zwijgen.

43De wijze neemt dit ter harte

en kent de trouw van de HEER.

Psalmen 107NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.16
Volg ons