Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 120 / Deut. 31-34

Bijbeltekst(en)

Mozes’ opvolging

1Hierna sprak Mozes de Israëlieten opnieuw toe. Hij zei: 2‘Ik ben nu honderdtwintig jaar oud en niet in staat om nog langer leiding te geven. Bovendien heeft de HEER me gezegd dat ik de Jordaan niet mag oversteken. 3De HEER, uw God, zal zelf voor u uit gaan en de volken aan de overkant voor u uitroeien, zodat u hun land in bezit kunt nemen. Jozua zal u daarbij aanvoeren, zoals de HEER heeft gezegd. 4De HEER zal hen het lot laten delen van de Amoritische koningen Sichon en Og, die Hij met heel hun land heeft vernietigd. 5Wanneer Hij u de overwinning op die volken geschonken heeft, moet u met hen precies zo handelen als ik u heb opgedragen. 6Wees vastberaden en standvastig. Wees niet bang en laat u niet afschrikken, want het is de HEER, uw God, die met u meegaat. Hij zal niet van uw zijde wijken en u niet verlaten.’

7Toen riep Mozes Jozua bij zich en ten overstaan van alle Israëlieten zei hij tegen hem: ‘Wees vastberaden en standvastig, want jij zult het volk het land binnenleiden dat de HEER onder ede aan hun voorouders heeft beloofd, en onder jouw leiding zullen ze het in bezit nemen. 8De HEER zelf gaat voor je uit, Hij zal je bijstaan en geen moment van je zijde wijken. Wees niet bang en laat je door niets ontmoedigen.’

Laatste aanwijzingen; het lied van Mozes

9Mozes stelde zijn hele onderricht op schrift en gaf de boekrol aan de Levitische priesters, die de ark van het verbond met de HEER moesten dragen, en aan de oudsten van Israël. 10-11Hij droeg hun daarbij het volgende op: ‘Lees deze voorschriften elk zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, tijdens het Loofhuttenfeest voor aan alle Israëlieten. Want dan komt heel Israël naar de plaats die de HEER uitkiest, om daar voor Hem te verschijnen. 12Roep dan het volk bijeen, met inbegrip van de vrouwen en kinderen en de vreemdelingen die bij u in de stad wonen. Laat iedereen naar de voorlezing luisteren en zo leren ontzag te tonen voor de HEER, uw God, en de wetten waarin u onderwezen bent, strikt na te leven. 13Ook hun kinderen, die nog van niets weten, moeten luisteren en leren om ontzag te tonen voor de HEER, uw God, al de tijd dat u aan de overkant van de Jordaan leeft in het land dat u in bezit zult nemen.’

14De HEER zei tegen Mozes: ‘Je leven loopt ten einde. Roep Jozua en kom samen naar de ontmoetingstent; dan zal Ik hem als jouw opvolger aanstellen.’ Nadat Mozes en Jozua de tent waren binnengetreden, 15verscheen de HEER in een wolkkolom, die boven de ingang bleef staan. 16De HEER zei tegen Mozes: ‘Als jij bij je voorouders te ruste bent gegaan, zal het volk Mij ontrouw worden en zich afgeven met de vreemde goden die zij zullen aantreffen in het land waar ze heen gaan. Ze zullen Mij verlaten en het verbond dat Ik met hen gesloten heb verbreken. 17Dan zal Ik in toorn tegen hen ontsteken, Ik zal hen aan hun lot overlaten en me van hen afkeren. Wanneer ze zo kwetsbaar zijn geworden, zullen ze ten prooi vallen aan allerlei ellende en tegenspoed. Dan zullen ze zeggen: “Deze ellende overkomt ons zeker doordat onze goden niet meer in ons midden zijn.” 18Nee, Ik ben het die zich van hen afkeert, omdat ze zoveel kwaad hebben gedaan en zich met andere goden hebben ingelaten.

19Daarom moet jij het volgende lied opschrijven en het de Israëlieten uit hun hoofd laten leren; Ik zal het tegen hen laten getuigen. 20Want zo zal het gaan: Ik breng hen naar het land dat Ik hun voorouders onder ede heb beloofd, een land dat overvloeit van melk en honing. Ze zullen er volop te eten hebben, en als ze helemaal verzadigd zijn, laten ze zich met andere goden in om die te dienen; maar Mij wijzen ze af en het verbond dat Ik met hen gesloten heb, verbreken ze. 21Wanneer ze eenmaal aan allerlei ellende en tegenspoed ten prooi zijn gevallen, zal dit lied, dat ook onder hun nakomelingen nog algemeen bekend zal zijn, tegen hen getuigen. Ik weet nu al waar hun hart naar uitgaat, nog voor Ik hen in het land gebracht heb dat Ik hun onder ede heb beloofd.’

22Diezelfde dag schreef Mozes het lied op en hij leerde het de Israëlieten. 23Jozua, de zoon van Nun, werd aangesteld als zijn opvolger, en de HEER zei tegen hem: ‘Wees vastberaden en standvastig, want jij zult de Israëlieten naar het land brengen dat Ik hun onder ede heb beloofd, en Ik zal je terzijde staan.’

24Toen Mozes alle bepalingen van de wet op schrift had gesteld, 25gaf hij de Levieten die de ark van het verbond met de HEER moesten dragen de volgende opdracht: 26‘Leg dit wetboek naast de ark van het verbond met de HEER, uw God; het moet daar blijven om tegen dit volk te getuigen. 27Want, Israël, ik weet hoe opstandig en onhandelbaar u bent: tijdens mijn leven hebt u zich al steeds tegen de HEER verzet, hoe zal het dan niet gaan na mijn dood! 28Roep alle oudsten van uw stammen bijeen, evenals uw schrijvers, dan zal ik hun mijn waarschuwing laten horen, en daarbij hemel en aarde als getuigen oproepen. 29Want ik weet dat u zich na mijn dood zult gaan misdragen en zult afwijken van de weg die ik u gewezen heb. Daarom zal ellende uiteindelijk uw deel zijn, want u zult doen wat slecht is in de ogen van de HEER: Hem tergen met uw zelfgemaakte goden.’

30En ten aanhoren van de verzamelde Israëlieten zong Mozes dit lied, van begin tot eind:

1‘Leen mij uw oor, hemel, nu ik ga spreken,

luister, aarde, naar wat ik zeggen zal.

2Moge mijn onderricht neerdalen als regen,

mogen mijn woorden zijn als milde dauw,

als regen op het jonge gras,

als regendruppels op het groen.

3Want de naam van de HEER roep ik uit:

Hij is onze God, laat iedereen Hem prijzen!

4Hij is een rots, Hij staat voor recht;

alles wat Hij doet is volmaakt.

Trouw is God, rechtvaardig en zuiver,

in Hem is geen spoor van kwaad.

5Maar zijn kinderen werden Hem ontrouw:

tot hun schande gaven zij hun kindschap op.

Vals is deze generatie, en trouweloos.

6Is dit uw antwoord aan de HEER?

Hoe komt u zo dwaas? Waar is uw verstand?

Is Hij niet uw vader, uw schepper?

Hij heeft u gemaakt, Hij riep u tot leven.

7Denk aan de tijden van weleer,

verdiep u in het verre verleden.

Vraag uw vader ernaar, hij zal het vertellen;

vraag de oudsten en zij zullen verhalen.

8Toen de Allerhoogste land toewees aan elk volk

en de mensen ieder hun deel gaf,

bepaalde Hij de grenzen voor alle volken

naar het aantal nazaten van Israël,

9want voor de HEER gold dat volk als het zijne,

Jakob was het deel dat Hij zichzelf toemat.

10Hij vond het in een dorre woestijn,

in een niemandsland vol van gevaar.

Hij omringde het met zorg en met liefde,

koesterde het als zijn oogappel.

11Zoals een arend zijn nest beschermt

en boven zijn jongen zweeft,

zo spreidde de HEER zijn vleugels uit

en droeg zijn volk op zijn wieken.

12De HEER alleen leidde hen,

geen andere god stond Hem bij.

13Hij voerde hen over de hoogste bergen,

de oogst van het land viel hun in de schoot.

Hij laafde hen met honing uit de rotsen,

met olijfolie uit steenharde rots,

14met melk van koeien en geiten,

met vlees van Basans rammen,

met vet van lammeren en bokken,

met de fijnste bloem van tarwe

en met wijn, het bloed van druiven.

15Toen werd Jesurun vadsig en vet,

het raakte verzadigd, werd dik en rond.

Het kwam in verzet, liep weg van zijn schepper,

versmaadde zijn stut en steun, zijn rots.

16Ze tergden Hem met vreemde goden,

met gruwelijke beelden krenkten ze Hem.

17Ze brachten offers aan demonen,

aan goden die geen goden zijn,

goden die zij eerst niet kenden,

nieuwkomers, nog maar net in zwang,

die voor hun voorouders niet eens bestonden.

18U vergat de God die u gebaard heeft,

u verwierp de rots die u ter wereld bracht.

19Toen de HEER zag wat u deed,

bemerkte hoe zijn kinderen Hem krenkten,

ontstak Hij in hevige toorn en zei:

20“Ik zal me van hen afkeren

en dan eens zien hoe het hun vergaat.

Want dit is een verdorven generatie,

niemand van hen is te vertrouwen.

21Ze tergden Mij met wat geen god is

en krenkten Mij met hun nietige afgoden.

Daarom terg Ik hen met wat geen volk is,

Ik krenk hen met een volk zonder verstand.

22Als het vuur van mijn toorn is ontstoken

zal het branden tot in het diepste dodenrijk;

het zal de aarde verschroeien en alles wat daar groeit,

het zal de grondvesten van de bergen verteren.

23Ramp na ramp breng Ik over hen,

al mijn pijlen schiet Ik op hen af.

24Honger zal hen uitmergelen, de pest hen verteren,

ziekten zullen hen te gronde richten.

Ik geef hen ten prooi aan wilde dieren,

giftige slangen laat Ik hen bijten.

25Buiten eist de oorlog zijn tol,

binnen heerst de angst voor de dood.

Niemand wordt ontzien,

man noch vrouw, jong noch oud.

26Ik zou hen wel willen wegvagen,

elke herinnering aan hen willen uitwissen,

27maar Ik vrees de hoon van hun vijanden.

Die zullen immers de feiten verdraaien,

de overwinning voor zichzelf opeisen

en de hand van de HEER daarin ontkennen.

28Zo kortzichtig zijn die vijanden,

het ontbreekt hun aan elk begrip.

29Waren ze wijs, dan hadden ze inzicht

en begrepen ze hoe het hunzelf zal vergaan.

30Want hoe zouden zij met één man

duizend van jullie kunnen achtervolgen,

met twee er tienduizend verjagen,

als de HEER, jullie rots, je niet uitleverde?

31Jullie vijanden zullen het erkennen:

de rots waarop zij steunen is niets naast jullie rots.

32De wijn die Ik hun te drinken geef

is afkomstig van Sodoms wijnstok,

hij komt uit Gomorra’s wijngaarden;

bittere, giftige druiven brengen die voort,

33de wijn ervan is vol venijn,

dodelijk als het gif van slangen.

34Ik heb dat allemaal bewaard,

het opgeborgen in mijn schatkamers.

35Het is aan Mij om wraak te nemen,

Ik zal hun kwaad vergelden

wanneer aan hun voorspoed een einde komt.

Want de dag van hun ongeluk is nabij,

hun noodlot komt onafwendbaar op hen af.”

36Want de HEER zal zijn volk recht doen,

Hij ontfermt zich weer over zijn dienaren.

Als Hij ziet dat alle krachten hun begeven

en weldra iedereen bezwijkt,

37zal Hij zeggen: “Waar zijn je goden nu?

Waar is de rots waarop je steunde?

38Hebben ze niet het vet van je offers gegeten,

niet gedronken van de wijn die je ze aanbood?

Laten die goden je dan te hulp schieten,

laten zij een schuilplaats voor je zijn!

39Zie het toch in: Ik ben de enige,

naast Mij is er geen andere god.

Ik laat sterven, Ik geef leven,

Ik sla wonden en Ik genees.

Wanneer Ik mijn macht laat gelden

is er niemand die redding bieden kan.

40Ik hef mijn hand op naar de hemel

en zweer: ‘Zo waar Ik eeuwig leef:

41Ik wet mijn bliksemend zwaard,

Ik ga het vonnis voltrekken.

Ik zal mij wreken op mijn vijanden,

Ik reken af met wie Mij haten.

42Mijn pijlen maak Ik dronken van het bloed

van vijanden, gevallen en gevangen;

mijn zwaard verslindt het vlees van hun mannen

die zo dreigend hun haren hadden losgeworpen.’”

43Laten alle volken zijn volk toejuichen,

omdat Hij het bloed van zijn dienaren wreekt;

Hij neemt wraak op zijn vijanden

en de schuld van zijn land en zijn volk wist Hij uit.’

44Heel dit lied heeft Mozes samen met Jozua, de zoon van Nun, gezongen ten aanhoren van het volk.

45Toen Mozes zijn toespraak tot heel Israël beëindigd had, 46besloot hij: ‘Neem mijn waarschuwingen ter harte, en draag ook uw kinderen op om zich strikt te houden aan de wetten waarin u onderwezen bent. 47Want het gaat hier niet om iets onbeduidends, het is een zaak van levensbelang! Als u er gehoor aan geeft, zult u lang leven in het land aan de overkant van de Jordaan, dat u in bezit zult nemen.’

Mozes’ zegen en zijn dood

48Op diezelfde dag zei de HEER tegen Mozes: 49‘Ga het Abarimgebergte in en beklim de Nebo, die in Moab ligt, tegenover Jericho. Daar kun je uitkijken over Kanaän, het land dat Ik de Israëlieten in bezit ga geven. 50Op die berg zul je sterven en met je voorouders verenigd worden, zoals je broer Aäron op de Hor stierf en met zijn voorouders werd verenigd. 51Want bij het water van Meribat-Kades, in de woestijn van Sin, kwamen jullie tegen Mij in opstand; in het bijzijn van heel Israël toonden jullie geen ontzag voor mijn heiligheid. 52Alleen van een afstand zul je het land zien dat Ik hun zal geven, je zult het niet binnengaan.’

1Dit is de zegen die Mozes, de godsman, uitsprak over de stammen van Israël, voor hij stierf. 2Hij zei:

‘De HEER verscheen vanaf de Sinai,

zijn licht bescheen hen vanuit Seïr,

met luister kwam Hij van de bergen van Paran.

Talloze engelen vergezelden Hem,

bliksem flitste uit zijn rechterhand.

3Hij kreeg Israëls stammen lief,

Hij hield al de zijnen in zijn hand.

Ze waren gezeten aan zijn voeten

en ontvingen zijn onderwijzing.

4Mozes gaf ons zijn onderricht

als een kostbaar bezit voor Jakobs volk.

5Zo werd de HEER koning van Jesurun,

terwijl de oudsten van het volk bijeen waren

en de stammen van Israël zich verzameld hadden.’

6‘Ruben, hij moge leven, en niet sterven,

hoe gering zijn aantal ook is.’

7Dit zei hij over Juda:

‘O HEER, hoor Juda’s hulpgeroep,

laat zijn strijders behouden huiswaarts keren,

want ze voeren een eenzame strijd.

Sta hun terzijde tegen hun vijanden.’

8Over Levi zei hij:

HEER, U vertrouwt uw orakelstenen toe

aan de man die uw vertrouweling is.

U stelde hem op de proef bij Massa,

daagde hem uit bij het water van Meriba.

9Hij had geen mededogen met zijn vader en moeder,

zijn eigen broers ontzag hij niet,

zijn kinderen waren als vreemden voor hem.

Want de Levieten hielden zich aan wat U gebood,

het verbond dat U sloot bleven ze trouw.

10Laat hen uw regels onderwijzen aan Jakob,

uw voorschriften doorgeven aan Israël.

Laat hun geurige gave U behagen,

laat hen brandoffers brengen op uw altaar.

11HEER, zegen hen met voorspoed

en zie welwillend op hun verrichtingen neer.

Maar breek hun tegenstanders de heup,

verlam hun vijanden voor altijd.’

12Over Benjamin zei hij:

‘De HEER laat zijn lieveling bij zich schuilen.

Zijn kind omarmt Hem van vroeg tot laat,

het nestelt zich veilig op zijn rug.’

13Over Jozef zei hij:

‘Moge de HEER zijn land rijk zegenen

met de gaven van hemelwater, met dauw,

en met de oervloed die onderaards woont;

14met al wat de zon laat groeien,

met de zegening van de jaargetijden;

15met de weelde van oeroude bergen,

met de gaven van eeuwige heuvels;

16met al wat de aarde te bieden heeft.

Moge de gunst van Hem die in de doornstruik was

rusten op Jozef, de uitverkorene onder zijn broers.

17Machtig als een eerstgeboren stier is hij;

hij heeft twee hoorns als een oeros,

waarmee hij vijandige volken wegstoot

tot voorbij de einden der aarde:

het zijn Efraïms tienduizenden

en de duizenden van Manasse.’

18Over Zebulon zei hij:

‘Een voorspoedige vaart, Zebulon!

En moge Issachar geluk vinden in zijn tenten!

19Zij nodigen de anderen naar de berg

waar ze waardige offers brengen.

Zij halen overvloed van overzee,

graven rijkdom op van onder het zand.’

20Over Gad zei hij:

‘Geloofd is Hij die ruimte gaf aan Gad.

Gad waakt over zijn deel als een leeuwin,

die alles verslindt wat in haar klauwen valt.

21Het beste land koos hij voor zichzelf:

dat land was een aanvoerder waardig,

daar verzamelden zich de oudsten van het volk.

Hij volbracht de wil van de HEER,

hij volvoerde zijn bevrijding van Israël.’

22Over Dan zei hij:

‘Dan is als een jonge leeuw

die uit Basans bossen tevoorschijn springt.’

23Over Naftali zei hij:

‘Naftali is door de HEER ruim bedeeld,

rijk gezegend door zijn gunst.

Laat hij het westen en zuiden veroveren.’

24En over Aser zei hij:

‘Gezegend is Aser, nog meer dan zijn broeders,

moge hij bij hen allen geliefd zijn.

Hij zal waden door de olijfolie,

25en al zijn steden zijn versterkt

met grendels van ijzer en brons.

Niets zal hem deren zolang hij leeft.’

26‘Wie, Jesurun, wie evenaart uw God?

Als een vorst rijdt Hij langs de hemel

en over de wolken, om u te hulp te komen.

27Van oudsher is God een schuilplaats,

zijn armen dragen u voor eeuwig.

Hij dreef uw vijand op de vlucht

en droeg u op: “Vernietig hem!”

28Israël mocht in vrede leven,

Jakob woonde ongestoord

in een land van graan en wijn,

waarop dauw van de hemel neerdaalt.

29Wie is zo gelukkig als u, Israël?

Geen ander volk liet de HEER de overwinning.

Hij is het schild dat u beschermt,

het zwaard dat u triomfen brengt.

De vijand moet uw macht erkennen,

u zet hem de voet op de nek.’

1Toen verliet Mozes de vlakte van Moab en hij beklom de Nebo, een van de toppen van de Pisga, tegenover Jericho. Daar liet de HEER hem het hele land zien: het hele gebied van Gilead tot aan Dan, 2Naftali, het gebied van Efraïm en Manasse, heel Juda tot aan de zee in het westen, 3de Negev, de Jordaanvallei en de vlakte bij de palmstad Jericho, tot aan Soar. 4De HEER zei tegen hem: ‘Dit is het land waarvan Ik aan Abraham, Isaak en Jakob onder ede heb beloofd dat Ik het aan hun nakomelingen zou geven. Ik laat het je nu zien, maar erheen oversteken zul je niet.’

5Zo stierf Mozes, de dienaar van de HEER, daar in Moab, zoals de HEER gezegd had. 6En de HEER begroef hem in een vallei in Moab, tegenover Bet-Peor. Tot op de dag van vandaag weet niemand waar zijn graf is. 7Honderdtwintig jaar oud was Mozes toen hij stierf. Tot het laatst toe waren zijn krachten niet afgenomen en zijn ogen niet verzwakt. 8De Israëlieten, die in de vlakte van Moab bijeen waren, treurden om Mozes’ dood tot de dertig dagen van rouw voorbij waren. 9Ze luisterden naar Jozua, de zoon van Nun, omdat hij vervuld was van de geest van wijsheid sinds Mozes hem de handen had opgelegd. Daarmee deden de Israëlieten wat de HEER tegen Mozes had gezegd.

10Nooit meer heeft Israël een profeet gekend als Mozes, met wie de HEER zo vertrouwelijk omging. 11Door zijn toedoen heeft de HEER in Egypte tekenen en wonderen laten zien aan de farao en al zijn dienaren, en aan heel zijn land. 12Van alles wat Mozes’ krachtige hand verrichtte en van de daden waarmee hij alom ontzag inboezemde, is heel Israël getuige geweest.

Deuteronomium 31-34NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.19.1
Volg ons