Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 117 / Deut. 24-25, Ps. 112

Bijbeltekst(en)

1Het volgende kan zich voordoen: Iemand heeft een vrouw getrouwd, maar om een of andere reden is hij ontevreden over haar. Hij schrijft een scheidingsbrief, die hij aan haar meegeeft als hij haar wegstuurt. 2Ze vertrekt uit zijn huis en wordt de vrouw van een ander. 3Maar dan krijgt die tweede man een afkeer van haar, en ook hij schrijft een scheidingsbrief en geeft haar die mee als hij haar wegstuurt; of de man die als tweede met haar is getrouwd, komt te overlijden. 4In zo’n geval mag de eerste man, die haar weggestuurd heeft, haar niet opnieuw tot vrouw nemen, nu zij voor hem onrein geworden is. Want de HEER verafschuwt zulke dingen. Wanneer u zoiets doet, werpt u een smet op het land dat de HEER, uw God, u in eigendom zal geven.

5Als een man pas een vrouw heeft getrouwd, hoeft hij niet onder de wapenen te gaan of aan andere verplichtingen te voldoen. Hij is een jaar lang vrijgesteld en mag thuisblijven om zijn vrouw gelukkig te maken.

6Het is verboden een handmolen of een maalsteen in pand te nemen, want daarmee neemt u iemands leven in pand.

7Als wordt ontdekt dat iemand een van zijn volksgenoten, een Israëliet, heeft ontvoerd en hem als slaaf behandelt of verkoopt, moet die mensendief ter dood gebracht worden. Zo moet u het kwaad uit uw midden verwijderen.

8In het geval van een huidziekte die onrein maakt dient u de aanwijzingen die u van de Levitische priesters krijgt nauwgezet op te volgen; houd u precies aan wat ik hun heb voorgeschreven. 9Bedenk wat de HEER, uw God, tijdens uw tocht uit Egypte met Mirjam heeft gedaan.

10Wanneer u iemand het een of ander leent, mag u niet zijn huis binnengaan om het onderpand op te halen. 11U moet buiten wachten tot degene aan wie u de lening geeft met het onderpand naar buiten komt. 12En als hij zo arm is dat hij zijn overkleed moet afstaan, mag u zich daar niet ’s nachts mee toedekken. 13Voor zonsondergang moet u hem zijn onderpand terugbrengen, zodat hij onder zijn eigen overkleed kan slapen. Hij zal u dan de zegen van de HEER, uw God, toewensen, en de HEER zal het u ten goede aanrekenen.

14Een dagloner, die het al moeilijk genoeg heeft, mag u niet uitbuiten, of het nu iemand van uw eigen volk betreft of een vreemdeling die in een van uw steden woont. 15U moet hem nog dezelfde dag, voor zonsondergang, uitbetalen; want hij is arm en het gaat hem juist om dat loon. Anders zal hij de HEER zijn nood klagen, en dan zal u wat u hem hebt aangedaan als zonde worden aangerekend.

16Ouders mogen niet ter dood gebracht worden om wat hun kinderen hebben misdaan, en kinderen niet om de misdaden van hun ouders; alleen om wat iemand zelf misdaan heeft, mag hij ter dood gebracht worden.

17U moet de rechten van vreemdelingen en wezen eerbiedigen; van weduwen mag u het overkleed niet in pand nemen. 18Bedenk dat u zelf slaaf bent geweest in Egypte totdat de HEER, uw God, u heeft bevrijd. Daarom gebied ik u zo te handelen.

19Wanneer u bij de graanoogst op de akker een schoof vergeet, mag u niet teruggaan om die op te halen. Laat hem achter voor de vreemdelingen, weduwen en wezen. De HEER, uw God, zal u erom zegenen in alles wat u onderneemt. 20En wanneer u bij de olijvenoogst tegen de takken slaat, mag u achteraf niet nagaan of u wel alles hebt. De rest is voor de vreemdelingen, weduwen en wezen. 21En wanneer u bij de wijnoogst druiven plukt, mag u niet alles nog eens nalopen. De rest is voor de vreemdelingen, weduwen en wezen. 22Bedenk dat u zelf slaaf bent geweest in Egypte. Daarom gebied ik u zo te handelen.

1Wanneer twee mannen een geschil hebben en ermee naar de rechter gaan, en in het vonnis wordt de een vrijgesproken en de ander veroordeeld, 2dan moet de rechter de schuldige, als die tot stokslagen veroordeeld is, op de grond laten neerleggen en hem in zijn bijzijn het aantal slagen laten toedienen dat past bij het misdrijf. 3Ten hoogste veertig stokslagen mogen hem gegeven worden, niet meer. Anders wordt er geen maat gehouden, en zou een volksgenoot voor uw ogen zijn eer verliezen.

4U mag een rund bij het dorsen niet muilkorven.

5Wanneer twee broers bij elkaar wonen en een van hen sterft zonder dat hij een zoon heeft, dan mag zijn weduwe niet de vrouw worden van iemand buiten de familie. Haar zwager moet met haar slapen; hij moet haar tot vrouw nemen en de zwagerplicht tegenover haar vervullen. 6De eerste zoon die zij baart geldt dan als zoon van zijn gestorven broer, opdat diens naam onder het volk van Israël niet wordt uitgewist. 7Maar als de man weigert met zijn schoonzus te trouwen, dan moet zij naar de stadsoudsten in de poort gaan en zeggen: ‘Mijn zwager weigert de naam van zijn broer te laten voortleven onder het volk van Israël. Hij weigert zijn zwagerplicht tegenover mij te vervullen.’ 8Dan moeten de stadsoudsten hem erop aanspreken. Als hij blijft bij zijn weigering om met zijn schoonzus te trouwen, 9moet zij ten overstaan van de oudsten op hem afgaan, hem zijn sandaal uittrekken en hem in zijn gezicht spugen, waarbij ze hem toevoegt: ‘Zo vergaat het de man die zijn broer nageslacht onthoudt.’ 10En bij de Israëlieten zal zijn familie bekendstaan als de familie Zonderschoen.

11Als twee mannen aan het vechten zijn en de vrouw van een van hen mengt zich erin om haar man te helpen en grijpt de ander bij zijn schaamdelen, 12dan moet zonder pardon haar hand worden afgehakt.

13U mag niet twee verschillende gewichten, waarvan het ene te zwaar is en het andere te licht, in uw buidel hebben. 14En u mag ook niet twee verschillende maatkannen, waarvan de één te groot is en de ander te klein, in huis hebben. 15U moet het doen met één gewicht en één maatkan, die zuiver en geijkt zijn. Dan zult u lang leven in het land dat de HEER, uw God, u geven zal. 16Want de HEER heeft een afschuw van iedereen die oneerlijk zakendoet.

17Vergeet niet wat de Amalekieten u hebben aangedaan tijdens uw tocht uit Egypte. 18Toen u uitgehongerd en uitgeput was hebben ze gewetenloos, zonder enig ontzag voor God, de achterhoede overvallen, waar de zwaksten zich bevonden. 19Vergeet het niet! En wanneer straks de HEER, uw God, u rust heeft gegeven in het land dat u als grondgebied van Hem krijgt, door u te verlossen van de vijanden die u omringen, zorg er dan voor dat niets onder de hemel nog aan het volk van Amalek herinnert.

Deuteronomium 24-25NBV21Open in de Bijbel

1Halleluja!

Gelukkig de mens die ontzag heeft voor de HEER

en grote liefde voor zijn geboden.

2Zijn nageslacht geniet aanzien in het hele land,

de oprechten worden gezegend.

3Rijkdom en weelde bewonen zijn huis,

en zijn rechtvaardigheid houdt stand, voor altijd.

4Hij straalt voor de oprechten als licht in het duister,

genadig, liefdevol en rechtvaardig.

5Goed gaat het wie genadig is en vrijgevig,

wie zijn zaken eerlijk behartigt.

6De rechtvaardige komt nooit ten val,

men zal hem eeuwig gedenken.

7Voor slechte tijding vreest hij niet,

zijn hart is gerust: hij vertrouwt op de HEER.

8Standvastig is zijn hart en zonder vrees.

Aan het eind ziet hij zijn vijanden verslagen.

9Gul deelt hij uit aan de armen,

zijn rechtvaardigheid houdt stand, voor altijd,

hij zal stijgen in aanzien en eer.

10Kwaadwilligen zien het met ergernis aan,

ze verbijten zich en verliezen de moed,

al hun plannen gaan op in rook.

Psalmen 112NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons